Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-01-31
ECLI:NL:RBMNE:2024:597
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,509 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5071
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: S.N. Westmaas).
Inleiding
Op 24 februari 2023 heeft eiser het Uwv verzocht om hem per 1 juli 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Eiser meent hierop recht te hebben op grond van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW).
Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met het primaire besluit van 27 maart 2023 heeft het Uwv eiser laten weten dat hij niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2023 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn echtgenote waren daarbij aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Wat is er vooraf gegaan?
1. In 2010 heeft eiser bij het Uwv een aanvraag gedaan om een WAO-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1999. Die uitkering heeft het Uwv aanvankelijk toegekend met ingang van 29 juni 2000. In het besluit van 20 december 2011 heeft het Uwv de toegekende WAO-uitkering alsnog per 1 januari 2012 beëindigd. De rechtbank Utrecht heeft in de uitspraak van 30 mei 2012 het beroep dat eiser hiertegen heeft ingesteld ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in hoger beroep bevestigd in de uitspraak van 6 augustus 2014. Daarbij heeft de CRvB geoordeeld dat eiser niet heeft voldaan aan het uit de WAO voortvloeiende wettelijke vereiste dat hij 52 weken aaneengesloten ziek moet zijn geweest en dat hij daarom de zogenoemde wachttijd niet heeft volgemaakt.
2. Het Uwv heeft daarna telkens afwijzend beslist op diverse verzoeken van eiser om toekenning van een WAO-uitkering, waarbij het Uwv die verzoeken heeft aangemerkt als verzoeken om terug te komen op eerdere besluiten. Daar zijn ook (hoger) beroepsprocedures over gevoerd, waarin steeds is geoordeeld dat het Uwv die verzoeken terecht heeft afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
Waar gaat deze zaak over?
3. Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv de aanvraag van eiser van 24 februari 2023 terecht heeft afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn.
4. Volgens het Uwv is dit het geval en het Uwv stelt zich daarbij op het standpunt dat sprake is van eerdere afwijzingen van gelijke verzoeken van eiser om aanspraak op een WAO-uitkering met terugwerkende kracht op basis van een op 13 mei 1993 aangevangen arbeidsongeschiktheid. Uit geen van de eerdere uitspraken volgt dat eiser na 1 april 1994 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest of op enig moment 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Er bestaat in de periode na 1 april 1994 geen aanspraak op een WAO-uitkering, zodat er volgens het Uwv ook geen reden is om te oordelen dat eiser daarvoor in aanmerking komt op grond van de Wet OOW.
5. Eiser is het hiermee niet eens en is daarom in beroep gegaan bij de rechtbank. Eiser erkent dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, maar volgens hem is zijn huidige aanvraag van 24 februari 2023 geen herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. In de kern komt zijn betoog erop neer dat zijn huidige aanvraag is gebaseerd op een andere rechtsgrondslag, namelijk op grond van artikel 29 van de Wet OOW. Er is volgens eiser dus sprake van een nieuwe aanvraag. De toetsing van zijn aanvraag moet dan ook uitsluitend plaatsvinden op grond van artikel 29 van de Wet OOW en niet op grond van de WAO.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Is er sprake van een herhaalde aanvraag?
6. Eiser heeft zijn beroepsgrond dat de Wet OOW een zelfstandige grondslag biedt voor een WAO-uitkering als volgt beargumenteerd. Eiser stelt dat zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld moet worden onder de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet), omdat hij op de eerste ziektedag, 13 mei 1993, rijksambtenaar was. Volgens eiser blijkt uit het rapport van verzekeringsarts, A.B. Gille, van 6 januari 2016 dat hij per deze datum binnen de kaders van de Abp-wet duurzaam arbeidsongeschikt was voor zijn arbeid. In de Abp-wet worden andere eisen gesteld dan de WAO. Zo is de wachttijd-toets niet van toepassing onder de Abp-wet. De aanspraak op een WAO-uitkering komt vervolgens tot stand op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet OOW. In dit artikel is het Uwv nadrukkelijk verboden om arbeidsongeschiktheid die onder de grondslag van de Abp-wet bestaat, uit te sluiten van een WAO-uitkering voor de periode vanaf 1 januari 1998. De rol van het Uwv in deze beperkt zich tot het vaststellen van de WAO-uitkering en de uitbetaling daarvan, aldus eiser.
7. Op 7 december 2023 heeft de rechtbank een zittingsagenda aan partijen toegestuurd. In die agenda is het Uwv verzocht om een nadere motivering te geven op het standpunt van eiser dat de huidige aanvraag is gebaseerd op een andere rechtsgrondslag. Op de zitting heeft het Uwv toegelicht dat de aanvraag niet is gebaseerd op een andere rechtsgrondslag, omdat aan de Wet OOW geen zelfstandige betekenis toekomt. De Wet OOW geeft geen zelfstandige grondslag tot toekenning van een WAO-uitkering. Daarbij wijst het Uwv erop dat in artikel 29, eerste lid, van de Wet OOW ook staat dat op de dag voor de inwerkingtreding van de wet sprake moet zijn van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Dat is bij eiser niet het geval zoals dat ook volgt uit de eerdere uitspraken van de CRvB, aldus het Uwv.
8. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat sprake is van een herhaalde aanvraag. De rechtbank zal hierna toelichten hoe zij tot die conclusie is gekomen.
9. Op 1 januari 1998 is fase 1 van de Wet OOW ingegaan. Sindsdien valt het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de WAO. Tot 1 januari 1996 werden de aanspraken op onder meer invaliditeitspensioenen van burgerlijk overheidspersoneel en daarmee gelijkgestelde personen geregeld in de Abp-wet. Met name in verband met de privatisering van het ABP is vooruitlopend op de integrale invoering van de Wet OOW per 1 januari 1998 besloten om al met ingang van 1 januari 1996 zoveel mogelijk aan te sluiten bij de WAO. Hiertoe werd de zogenoemde WAO-conforme arbeidsongeschiktheidsregeling voor het burgerlijk overheidspersoneel ingevoerd. De WAO-conforme regeling is op de geplande datum ingevoerd als onderdeel van de Wet privatisering ABP (WPA). De vroegere uitkeringen op grond van de Abp-wet zijn bij de WPA omgezet in WAO-conforme uitkeringen. De WPA regelt het wettelijk deel van de aanspraken die materieel gelijk zijn aan de in de WAO geregelde aanspraken. Deze WAO-conforme uitkeringen zijn onder meer ook toegekend aan overheidswerknemers in de zin van deze wet die langer dan 52 weken ziek waren, maar nog geen recht hadden op invaliditeitspensioen en die ten minste 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO waren. In het kader van de Wet OOW zijn bestaande WAO-conforme uitkeringen vervolgens omgezet in WAO-uitkeringen op grond van de WAO.
10. Hieruit volgt dat er sprake moet zijn van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de voorwaarden van de WAO.
Conclusie
15. De conclusie van het voorgaande is dat het Uwv de aanvraag van eiser terecht als een herhaalde aanvraag heeft aangemerkt. Het Uwv heeft deze aanvraag terecht met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afgewezen. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Azmi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2014:2669
Zie de eerdere uitspraken: rechtbank Midden-Nederland van 20 april 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:2537), bevestigd door de CRvB in hoger beroep in de uitspraak van 30 januari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:347) en rechtbank Midden-Nederland van 7 november 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:6517) en van 15 februari 2023 (ECLI:NL:RBMNE:2023:2767).
Zie de memorie van toelichting op de Wet OOW, Kamerstukken II 1996/97, 25 282, nr. 3, p. 11-12 en 44.
Kamerstukken II 1996-1997, 25 282, nr. 3, p. 24.