Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-01-31
ECLI:NL:CRVB:2018:347
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,432 tokens
Inleiding
17/3914 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
20 april 2017, 16/5910 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 31 januari 2018
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Het onderzoek ter zitting door de voorzieningenrechter heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2017. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.
Appellant heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.
Appellant heeft diverse nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2017. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
Overwegingen
1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt allereerst verwezen naar de tussen partijen gedane uitspraken van de rechtbank Utrecht van 30 mei 2012, SBR 12/228, van de Raad van 6 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2669 en naar de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.
1.1.
Appellant, geboren [in jaar] 1949, is werkzaam geweest als [functie] bij de [naam werkgever] (thans: [naam werkgever] ). Na een ziekmelding per 13 mei 1993 is hij per 1 april 1994 hersteld geacht voor zijn functie, hij heeft sinds die datum geen werkzaamheden meer voor de [naam werkgever] verricht. Zijn dienstbetrekking is geëindigd door eervol ontslag per 1 juli 1999. [in] 2014 heeft appellant de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
1.2.
Appellant heeft het Uwv op 11 februari 2010 verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 21 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 29 juni 2000 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met als ingangsdatum 11 februari 2009, een jaar voor de aanvraagdatum. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit, dat er op was gericht om de uitkering op een eerdere datum te doen ingaan, heeft geleid tot het besluit van het Uwv van 20 december 2011, met als strekking dat, in afwijking van het besluit van 21 april 2011, er destijds geen sprake is geweest van een reële en geaccepteerde ziekmelding zodat geen eerste arbeidsongeschiktheidsdag kan worden vastgesteld. Het Uwv heeft bij dit besluit de
WAO-uitkering van appellant – naar de toekomst – beëindigd per 1 januari 2012. Het beroep van appellant tegen dit besluit is bij uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 mei 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Raad van 6 augustus 2014 is deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.3.
Appellant heeft vervolgens een verzoek om toekenning van een WAO-uitkering ingediend, dat door het Uwv is opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 20 december 2011. Dat verzoek heeft het Uwv afgewezen bij besluit van 13 februari 2015. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 8 juli 2015.
1.4.
Naar aanleiding van wat is besproken tijdens een zitting van de Raad op 24 augustus 2016, in het kader van de aanvraag van appellant om de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2014 te herzien, heeft appellant bij brief van 25 augustus 2016 het Uwv – samengevat – verzocht het uitkeringsrecht in het kader van de WAO vast te stellen. Appellant heeft daarbij gewezen op een rapport van een door hem ingeschakelde verzekeringsarts, A.B. Gille, van
6 januari 2016. Appellant heeft daarnaast zijn beroep tegen het besluit van 8 juli 2015 en zijn verzoek tot herziening van de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2014 ingetrokken. Het verzoek van 25 augustus 2016 heeft het Uwv aangemerkt als erop gericht om terug te komen van het besluit van 20 december 2011.
1.5.
Een verzekeringsarts van het Uwv heeft beoordeeld of het rapport van Gille aanleiding is om terug te komen op eerdere in het kader van de WAO genomen beslissingen van het Uwv. Blijkens het rapport van 21 oktober 2016 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Bij besluit van 24 oktober 2016 heeft het Uwv het verzoek van 25 augustus 2016 afgewezen. Volgens het Uwv is niet gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die ertoe zouden kunnen leiden dat het besluit van 20 december 2011 onjuist zou zijn.
1.6.
Bij besluit van 27 december 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 oktober 2016 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv kan het rapport van Gille niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het verzoek van 25 augustus 2016 heeft mogen opvatten als een verzoek om terug te komen van het besluit van 20 december 2011, gelet ook op wat appellant tijdens de zitting bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Volgens de rechtbank kan wat appellant heeft aangevoerd, in het bijzonder het rapport van Gille, niet worden beschouwd als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemeen wet bestuursrecht (Awb).
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep gewezen op recente rechtspraak van de Raad met betrekking tot artikel 4:6 van de Awb. Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv los van de eerdere besluitvorming in het kader van de WAO de toenmalige situatie zou moeten herbeoordelen. Volgens appellant heeft hij voldoende onderbouwd dat hij na mei 1993 arbeidsongeschikt is gebleven voor zijn functie van [functie] , dat hij recht heeft gekregen en behouden op een uitkering op grond van de WAO, en dat daarom ten onrechte door het Uwv geen recht op WAO-uitkering is vastgesteld per 1 juli 1999 en de WAO-uitkering ten onrechte is beëindigd per 1 januari 2012. Appellant heeft gewezen op het genoemde rapport van Gille en op een advies d.d. 6 juli 1998 naar aanleiding van een hoorzitting op 18 juni 1998 van de commissie van advies inzake beroep- en bezwaarschriften van de [naam werkgever] , waaruit volgens hem blijkt dat zijn met zijn autisme samenhangende slaapstoornissen de reden voor zijn ziekmelding per 13 mei 1993 zijn geweest. Appellant is van mening dat pas achteraf is gebleken dat hij door zijn autisme stoornis geleidelijk ongeschikt is geworden voor zijn functie van [functie] , omdat die functie vanaf het begin van de jaren 90 juist is veranderd en belastender geworden op de aspecten, waarvoor hij in verband met zijn autisme verminderd belastbaar was. Appellant meent dat dit moet worden beschouwd als een relevante nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht het verzoek af te wijzen en de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellant van
25 augustus 2016 mocht opvatten als een verzoek, dat ertoe strekt dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 20 december 2011, waarbij de WAO-uitkering van appellant is beëindigd per 1 januari 2012. Het besluit van 20 december 2011 is bij uitspraak van de Raad van 6 augustus 2014 onherroepelijk geworden. Appellant wil met zijn gemotiveerd verzoek bereiken dat hij alsnog in aanmerking wordt gebracht voor een WAO‑uitkering. Het Uwv heeft met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb dit verzoek afgewezen.
4.2.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
4.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) M.A.A. Traousis
CVG