Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-07-31
ECLI:NL:RBMNE:2024:5362
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,797 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/3082 en UTR 24/3086
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2024 in de zaken tussen
1. [eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats] , en
2. [eiser 3], uit [woonplaats]
eisers,
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
(gemachtigde: mr. A. van Rossem).
Verder neemt als partij aan de zaken deel:
[derde belanghebbende] B.V. gevestigd in [vestigingsplaats]
(gemachtigde: mr. M.Y.C.L. de Wit).
Inleiding
1. Deze zaken gaan over het bouwen van twee appartementencomplexen met half
verdiepte parkeergarage aan de [straat 1] in [locatie] in Almere. Het college heeft hiervoor op 23 oktober 2023 een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder [derde belanghebbende] B.V.
2. Eisers wonen aan de [straat 1] en hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende
omgevingsvergunning. Met twee afzonderlijke besluiten van 14 maart 2024 (hierna samen aangeduid als het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning gehandhaafd. Eisers hebben vervolgens gelijkluidende beroepen ingesteld.
3. In deze uitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepen niet-ontvankelijk
zijn, zodat er geen inhoudelijke beoordeling komt. Deze uitkomst is zo duidelijk, dat daarvoor geen zitting bij de rechtbank nodig is.
Beoordeling
Het beroepschrift bevat geen concrete beroepsgronden
4. Als de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is op deze procedure, dan
kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
5. Eisers wijzen er in de eerste plaats op dat – ook in het geval dat de Chw van toepassing
zou zijn – hun beroepschriften van 17 april 2024 wel degelijk beroepsgronden bevatten, namelijk dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
6. Een beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten. Dat staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het algemeen worden geen hoge eisen gesteld aan de motivering van de beroepsgronden in een beroepschrift: in de regel is een summiere motiveringvoldoende. Dit neemt echter niet weg dat het beroepschrift, hoe summier ook verwoord, een concrete beroepsgrond moet bevatten.
7. De beroepschriften van eisers van 17 april 2024 bevatten – voor zover hier relevant – de volgende tekst: “Appellanten kunnen zich met de inhoud van het besluit van de Gemeente Almere niet verenigen. Appellanten stellen dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, onder meer omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 Awb en 3:4 Awb”.
8. De rechtbank oordeelt dat dit geen concrete beroepsgronden zijn. De enkele verwijzing
naar wetsartikelen of beginselen van behoorlijk bestuur is daarvoor te vaag. Hieruit kan immers niet worden afgeleid met welke punten van het bestreden besluit eisers het niet eens zijn.
9. Om te beoordelen welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden, moet de vraag
worden beantwoord of de Chw van toepassing is. Als dat niet het geval is, dan kan het ontbreken van beroepsgronden op een later moment worden hersteld, zoals in deze zaken is gebeurd. Dat volgt uit artikel 6:5 in combinatie met artikel 6.6 van de Awb.
De Crisis- en herstelwet is van toepassing
10. Tijdens het vooronderzoek heeft de rechtbank partijen in eerste instantie bericht dat de
Chw niet van toepassing is. Naar aanleiding van brieven van vergunninghouder heeft de rechtbank partijen op 4 juli 2024 laten weten aanleiding te zien de beroepen versneld te behandelen, omdat de Chw wel van toepassing is.
11. Eisers hebben in reactie op deze brief laten weten van mening te zijn dat de Chw in deze
zaken niet speelt, omdat deze wet per 1 januari 2024 is komen te vervallen en het college ook niet heeft onderbouwd waarom de Chw van toepassing is.
12. De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van de Chw niet een door het college of de
rechtbank gemaakte keuze is. Of de Chw van toepassing is of niet volgt direct uit de bepalingen van de Chw en het besluit waar het om gaat. De toepasselijkheid van de Chw heeft – zoals hierna wordt besproken – gevolgen voor de ontvankelijkheid van het beroep en daarmee voor de toegang tot de bestuursrechter. Het is daarmee een kwestie van openbare orde die de rechtbank zelfstandig moet beoordelen, onafhankelijk van de wil en de kennis van partijen. Dat betekent ook dat het college niet verplicht is te motiveren waarom hij de Chw van toepassing acht. Dit argument van eisers slaagt dus niet.
13. Op 1 januari 2024 zijn de Chw en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 juli 2023. Dit betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Chw, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, en artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet. Het argument van eisers dat de Chw niet van toepassing kan zijn omdat deze wet inmiddels is vervallen, slaagt dus niet.
14. Voor de vraag of in deze zaken inderdaad sprake is van een besluit waarop de Chw van
toepassing is, is in de eerste plaats artikel 1.1, eerste lid, van de Chw van belang. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 van die wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.
15. In categorie 3.1 van bijlage I van de Chw wordt als project als bedoeld in artikel 1.1,
eerste lid, van de wet genoemd: ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.
16. De voor deze procedure relevante bestemmingsplannen [naam 1] en
[naam 2] zijn door de gemeenteraad vastgesteld op 11 oktober 2018 en 22 april 2021 en zijn beide bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro.
De plannen maken onder meer mogelijk dat aan de zijde van de [straat 2] twee appartemententorens met een hoogte van 30 meter hoog worden gerealiseerd. Daarmee is sprake van een ontwikkeling krachtens afdeling 3.1 van de Wro ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden (het project).
17. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de verleende omgevingsvergunning
vereist is voor de ontwikkeling of verwezenlijking van dat project. Daarbij gaat het erom dat de onder de voorgestelde Chw vallende projecten daadwerkelijk worden gerealiseerd. Ieder besluit dat voor deze realisatie nodig is, geldt als genomen in het kader van het project. Dit blijkt uit de parlementaire geschiedenis. De verleende omgevingsvergunning maakt de bouw van de twee appartemententorens met in totaal 113 appartementen mogelijk en is dus nodig voor de ontwikkeling of verwezenlijking van het project. Dat betekent dat (ook) de omgevingsvergunning een besluit is als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw. Gelet hierop is de Chw van toepassing.
Eisers konden weten dat zij tijdig beroepsgronden moesten aanvoeren
18. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt dat iemand een herstelmogelijkheid krijgt als het
beroepschrift geen gronden van het beroep bevat en dus in strijd is met artikel 6:5 eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Als de Chw van toepassing is, krijgt iemand die herstelmogelijkheid echter niet: er is dan géén gelegenheid om een ‘proforma’ ingesteld beroep na afloop van de beroepstermijn nog aan te vullen met beroepsgronden. In artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is namelijk bepaald dat wordt afgeweken van artikel 6:6 van de Awb en dat het beroep dan direct niet-ontvankelijk is. Artikel 1.6a van de Chw bepaalt in aanvulling daarop dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen nieuwe beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Dat deze regeling van toepassing is, moet met het oog op een goede uitvoering van de Chw worden vermeld bij het besluit en bij de bekendmaking daarvan. Dat volgt uit artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Chw, in samenhang met artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. De Chw wijkt dus af van de Awb.
Conclusie
23. Eisers hebben de gronden van hun beroep niet binnen de beroepstermijn vermeld. Gelet
op het bepaalde in artikel 6:5 eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb en artikel 1.6 van de Chw zijn de beroepen niet-ontvankelijk. Deze bepalingen zijn van dwingend recht waaraan de rechtbank in alle gevallen is gebonden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.L. Debets, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, p. 42.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:782.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2307, overweging 13.3.