Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-02-13
ECLI:NL:RBMNE:2025:394
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,984 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/3082-V en UTR 24/3086-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2025 op het verzet van
1. [opposant sub 1.1] en [opposant sub 1.2] , uit [woonplaats ] , en
2. [opposant sub 2] , uit [woonplaats ]
samen opposanten,
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen)
tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 juli 2024 in het geding tussen
opposanten
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, (het college) verweerder, (gemachtigde: mr. A. van Rossem).
Als derde-partij neemt aan deze zaken deel:
[derde-partij] B.V.
(gemachtigde: mr. M.Y.C.L. de Wit)
Inleiding
1. Op 23 oktober 2023 heeft het college aan [derde-partij] B.V. (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee appartementencomplexen met half verdiepte parkeergarage aan de [straat] in het [locatie] in Almere. Opposanten zijn het daar niet mee eens en hebben tegen deze omgevingsvergunning bezwaar gemaakt. Met de afzonderlijke besluiten van 14 maart 2024 heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Opposanten hebben daartegen gelijkluidende beroepen ingesteld.
2. Op 31 juli 2024 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen van opposanten (de uitspraak). In deze uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van opposanten niet-ontvankelijk verklaard zonder partijen voorafgaand aan de uitspraak op een zitting te horen. Opposanten hebben verzet ingesteld tegen de uitspraak.
3. De rechtbank heeft het verzet op 22 januari 2025 op een zitting behandeld. Opposanten zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder is [A] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Beoordeling
Het verzet
4. De rechtbank heeft op 31 juli 2024 uitspraak gedaan op de beroepen van opposanten zonder hen voorafgaand op een zitting te horen. Deze mogelijkheid heeft de bestuursrechter als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. In de uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is op de procedure. In dat geval kunnen na afloop van de beroepstermijn geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat opposanten binnen de beroepstermijn alleen een pro-forma beroep hebben ingesteld waarin geen gronden zijn opgenomen en dat de ingediende beroepsgronden na het verstrijken van de beroepstermijn, en dus te laat zijn ingediend. Uit de uitspraak volgt dat de beroepen van opposanten daarom niet-ontvankelijk zijn.
5. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank eerst of in de uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel staat dat de beroepen van opposanten niet-ontvankelijk zijn. Als dat het geval is, blijft de uitspraak in stand. Als de rechtbank het verzet gegrond verklaard, vervalt de uitspraak. In dat geval kan de rechtbank het onderzoek voortzetten in de stand waarin het zich bevond of zij kan meteen uitspraak doen op het beroep als nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is in de uitspraak ten onrechte geoordeeld dat buiten redelijke twijfel staat dat de beroepen van opposanten niet-ontvankelijk zijn. Om tot het oordeel te kunnen komen dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn moest de rechtbank eerst beoordelen of de Chw al dan niet op de procedure van toepassing is, in hoeverre de vermelde rechtsmiddelenclausule onder het besluit volledig is en of de ingestelde beroepen wel moeten worden gezien als een pro-forma beroep. Op deze onderdelen konden opposanten en het college een nadere toelichting geven op een zitting. Bovendien is uit de stukken in de verzetzaak en de standpunten van partijen op de verzetzitting gebleken dat partijen op deze onderdelen zeer uiteenlopende standpunten innemen. Gelet hierop was er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zodanige kennelijkheid dat een zitting achterwege kon blijven.
7. De rechtbank heeft in de uitspraak van 31 juli 2024 dus ten onrechte geoordeeld dat de beroepen kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk zijn en heeft de zaak ten onrechte zonder zitting afgedaan. Het verzet is daarom gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 31 juli 2024 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank staat vervolgens voor de keuze hoe de behandeling van de zaak wordt voortgezet.
8. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak en doet daarom ook uitspraak op de beroepen. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet en ze zijn in de uitnodiging gewezen op de mogelijkheid dat de rechtbank ook (meteen) uitspraak op het beroep kan doen, zodat ook aan die vereisten is voldaan.
De Crisis- en herstelwet is van toepassing
9. De eerste vraag die de rechtbank in de beroepen van opposanten (opnieuw) moet beantwoorden is of de Chw van toepassing is in de procedure van de verleende omgevingsvergunning.
10. Opposanten stellen zich op het standpunt dat de Chw niet van toepassing is. Zij voeren aan dat de bestemmingsplannen (Almere Poort West en Pampushout en het Veegplan) op basis waarvan de omgevingsvergunning is verleend geen nieuwe bouwmogelijkheden bieden ten opzichte van het voormalige bestemmingsplan (Almere Poort). De Chw is daarom niet van toepassing op het besluit van de gemeenteraad tot vaststelling van de nieuwen bestemmingsplannen en ook niet op de verleende omgevingsvergunning en de procedures die daaruit zijn gevolgd.
11. De rechtbank volgt opposanten daarin niet. De tekst van de Chw biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Chw niet van toepassing is als de ontwikkeling waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend al onder een vorig bestemmingsplan mogelijk was. Nog los daarvan volgt de rechtbank opposanten ook niet in hun standpunt dat de ontwikkeling op grond van het eerdere bestemmingsplan al mogelijk was. Het voormalige bestemmingsplan is naar het oordeel van de rechtbank een globaal bestemmingsplan met een uitwerkingsplicht. Daarin hadden de desbetreffende percelen al wel de woonbestemming, maar zonder uitwerkingsplan kon het bouwplan van vergunninghoudster nog niet worden gerealiseerd. Dit is op grond van de nieuwe bestemmingsplannen wel mogelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
12. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat op deze zaak de Chw van toepassing is. Dit brengt met zich dat na afloop van de beroepstermijn geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Als binnen de beroepstermijn geen gronden worden ingediend dan wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. In afwijking van het bepaalde in artikel 6:6, onder a, van de Awb wordt daarvoor in de Chw geen herstelgelegenheid geboden. Hierna oordeelt de rechtbank over de vraag of door opposanten een pro-forma beroepschrift is ingediend en of het buiten de beroepstermijn indienen van gronden hen kan worden tegengeworpen.
De beroepen bevatten geen gronden
13. Opposanten hebben op 17 april 2024 beroep ingesteld. De beroepschriften van opposanten bevatten – voor zover hier relevant – de volgende tekst: “Appelanten kunnen zich met de inhoud van het besluit van de gemeente Almere niet verenigen. Appellanten stellen dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, onder meer omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 Awb en 3:4 Awb”. Volgens opposanten bevatten de beroepschriften voldoende concrete beroepsgronden omdat niet alleen wordt volstaan met een verwijzing naar wetsartikelen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar ook duidelijk wordt toegelicht dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
14. De rechtbank oordeelt dat de beroepschriften van opposanten van 17 april 2024 geen beroepsgronden bevatten. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het in algemene termen vermelden van beginselen van behoorlijk bestuur niet kan worden beschouwd als een beroepsgrond zoals bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de beroepschriften van opposanten niet meer dan de stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De stelling van opposanten dat zij in het beroepschrift ook duidelijk hebben toegelicht dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, leidt niet tot een ander oordeel. Opposanten hebben in het beroepschrift van 17 april 2024 immers in het geheel niet toegelicht waarom het bestreden besluit volgens hen onvoldoende is gemotiveerd. Zonder deze toelichting is de stelling dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd niet meer dan een algemeen beroep op het motiveringsbeginsel. Om het bestreden besluit op dit punt te kunnen beoordelen is daarom een nadere onderbouwing van opposanten nodig. De beroepsgrond van opposanten dat zij met hun beroepen van 17 april 2024 beroepsgronden hebben ingediend, slaagt niet.
De gronden zijn buiten de beroepstermijn ingediend
15. Voor zover de rechtbank oordeelt dat opposanten de beroepsgronden eerst buiten de beroepstermijn hebben ingediend, voeren opposanten aan dat dit niet kan worden bestraft met de niet-ontvankelijkverklaring van hun beroepen.
Conclusie
18. De rechtbank oordeelt dat de uitspraak op de beroepen van opposanten ten onrechte is gedaan zonder partijen eerst op een zitting te horen. De rechtbank oordeelt in de bodemzaak dat de Chw van toepassing is. Dit brengt met zich dat de beroepsgronden binnen de beroepstermijn moeten worden aangevoerd. Hiervoor wordt geen herstelgelegenheid geboden. Opposanten hebben binnen de beroepstermijn geen beroepsgronden aangevoerd. De beroepen van opposanten zijn daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
ECLI:NL:RBMNE:2024:5362.
Deze mogelijkheid volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Deze mogelijkheid volgt uit artikel 8:55, tiende lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 1.6a van de Chw.
Dit volgt uit artikel 1.6, tweede lid, van de Chw.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI8450.
Zoals beschreven in artikel 3:46 van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2307.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/3082-V en UTR 24/3086-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2025 op het verzet van
1. [opposant sub 1.1] en [opposant sub 1.2] , uit [woonplaats ] , en
2. [opposant sub 2] , uit [woonplaats ]
samen opposanten,
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen)
tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 juli 2024 in het geding tussen
opposanten
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, (het college) verweerder, (gemachtigde: mr. A. van Rossem).
Als derde-partij neemt aan deze zaken deel:
[derde-partij] B.V.
(gemachtigde: mr. M.Y.C.L. de Wit)
Inleiding
1. Op 23 oktober 2023 heeft het college aan [derde-partij] B.V. (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee appartementencomplexen met half verdiepte parkeergarage aan de [straat] in het [locatie] in Almere. Opposanten zijn het daar niet mee eens en hebben tegen deze omgevingsvergunning bezwaar gemaakt. Met de afzonderlijke besluiten van 14 maart 2024 heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Opposanten hebben daartegen gelijkluidende beroepen ingesteld.
2. Op 31 juli 2024 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen van opposanten (de uitspraak). In deze uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van opposanten niet-ontvankelijk verklaard zonder partijen voorafgaand aan de uitspraak op een zitting te horen. Opposanten hebben verzet ingesteld tegen de uitspraak.
3. De rechtbank heeft het verzet op 22 januari 2025 op een zitting behandeld. Opposanten zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder is [A] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Beoordeling
Het verzet
4. De rechtbank heeft op 31 juli 2024 uitspraak gedaan op de beroepen van opposanten zonder hen voorafgaand op een zitting te horen. Deze mogelijkheid heeft de bestuursrechter als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. In de uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is op de procedure. In dat geval kunnen na afloop van de beroepstermijn geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat opposanten binnen de beroepstermijn alleen een pro-forma beroep hebben ingesteld waarin geen gronden zijn opgenomen en dat de ingediende beroepsgronden na het verstrijken van de beroepstermijn, en dus te laat zijn ingediend. Uit de uitspraak volgt dat de beroepen van opposanten daarom niet-ontvankelijk zijn.
5. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank eerst of in de uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel staat dat de beroepen van opposanten niet-ontvankelijk zijn. Als dat het geval is, blijft de uitspraak in stand. Als de rechtbank het verzet gegrond verklaard, vervalt de uitspraak. In dat geval kan de rechtbank het onderzoek voortzetten in de stand waarin het zich bevond of zij kan meteen uitspraak doen op het beroep als nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is in de uitspraak ten onrechte geoordeeld dat buiten redelijke twijfel staat dat de beroepen van opposanten niet-ontvankelijk zijn. Om tot het oordeel te kunnen komen dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn moest de rechtbank eerst beoordelen of de Chw al dan niet op de procedure van toepassing is, in hoeverre de vermelde rechtsmiddelenclausule onder het besluit volledig is en of de ingestelde beroepen wel moeten worden gezien als een pro-forma beroep. Op deze onderdelen konden opposanten en het college een nadere toelichting geven op een zitting. Bovendien is uit de stukken in de verzetzaak en de standpunten van partijen op de verzetzitting gebleken dat partijen op deze onderdelen zeer uiteenlopende standpunten innemen. Gelet hierop was er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zodanige kennelijkheid dat een zitting achterwege kon blijven.
7. De rechtbank heeft in de uitspraak van 31 juli 2024 dus ten onrechte geoordeeld dat de beroepen kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk zijn en heeft de zaak ten onrechte zonder zitting afgedaan. Het verzet is daarom gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 31 juli 2024 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank staat vervolgens voor de keuze hoe de behandeling van de zaak wordt voortgezet.
8. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak en doet daarom ook uitspraak op de beroepen. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet en ze zijn in de uitnodiging gewezen op de mogelijkheid dat de rechtbank ook (meteen) uitspraak op het beroep kan doen, zodat ook aan die vereisten is voldaan.
De Crisis- en herstelwet is van toepassing
9. De eerste vraag die de rechtbank in de beroepen van opposanten (opnieuw) moet beantwoorden is of de Chw van toepassing is in de procedure van de verleende omgevingsvergunning.
10. Opposanten stellen zich op het standpunt dat de Chw niet van toepassing is. Zij voeren aan dat de bestemmingsplannen (Almere Poort West en Pampushout en het Veegplan) op basis waarvan de omgevingsvergunning is verleend geen nieuwe bouwmogelijkheden bieden ten opzichte van het voormalige bestemmingsplan (Almere Poort). De Chw is daarom niet van toepassing op het besluit van de gemeenteraad tot vaststelling van de nieuwen bestemmingsplannen en ook niet op de verleende omgevingsvergunning en de procedures die daaruit zijn gevolgd.
11. De rechtbank volgt opposanten daarin niet. De tekst van de Chw biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Chw niet van toepassing is als de ontwikkeling waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend al onder een vorig bestemmingsplan mogelijk was. Nog los daarvan volgt de rechtbank opposanten ook niet in hun standpunt dat de ontwikkeling op grond van het eerdere bestemmingsplan al mogelijk was. Het voormalige bestemmingsplan is naar het oordeel van de rechtbank een globaal bestemmingsplan met een uitwerkingsplicht. Daarin hadden de desbetreffende percelen al wel de woonbestemming, maar zonder uitwerkingsplan kon het bouwplan van vergunninghoudster nog niet worden gerealiseerd. Dit is op grond van de nieuwe bestemmingsplannen wel mogelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
12. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat op deze zaak de Chw van toepassing is. Dit brengt met zich dat na afloop van de beroepstermijn geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Als binnen de beroepstermijn geen gronden worden ingediend dan wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. In afwijking van het bepaalde in artikel 6:6, onder a, van de Awb wordt daarvoor in de Chw geen herstelgelegenheid geboden. Hierna oordeelt de rechtbank over de vraag of door opposanten een pro-forma beroepschrift is ingediend en of het buiten de beroepstermijn indienen van gronden hen kan worden tegengeworpen.
De beroepen bevatten geen gronden
13. Opposanten hebben op 17 april 2024 beroep ingesteld. De beroepschriften van opposanten bevatten – voor zover hier relevant – de volgende tekst: “Appelanten kunnen zich met de inhoud van het besluit van de gemeente Almere niet verenigen. Appellanten stellen dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, onder meer omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 Awb en 3:4 Awb”. Volgens opposanten bevatten de beroepschriften voldoende concrete beroepsgronden omdat niet alleen wordt volstaan met een verwijzing naar wetsartikelen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar ook duidelijk wordt toegelicht dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
14. De rechtbank oordeelt dat de beroepschriften van opposanten van 17 april 2024 geen beroepsgronden bevatten. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het in algemene termen vermelden van beginselen van behoorlijk bestuur niet kan worden beschouwd als een beroepsgrond zoals bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de beroepschriften van opposanten niet meer dan de stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De stelling van opposanten dat zij in het beroepschrift ook duidelijk hebben toegelicht dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, leidt niet tot een ander oordeel. Opposanten hebben in het beroepschrift van 17 april 2024 immers in het geheel niet toegelicht waarom het bestreden besluit volgens hen onvoldoende is gemotiveerd. Zonder deze toelichting is de stelling dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd niet meer dan een algemeen beroep op het motiveringsbeginsel. Om het bestreden besluit op dit punt te kunnen beoordelen is daarom een nadere onderbouwing van opposanten nodig. De beroepsgrond van opposanten dat zij met hun beroepen van 17 april 2024 beroepsgronden hebben ingediend, slaagt niet.
De gronden zijn buiten de beroepstermijn ingediend
15. Voor zover de rechtbank oordeelt dat opposanten de beroepsgronden eerst buiten de beroepstermijn hebben ingediend, voeren opposanten aan dat dit niet kan worden bestraft met de niet-ontvankelijkverklaring van hun beroepen.
Conclusie
18. De rechtbank oordeelt dat de uitspraak op de beroepen van opposanten ten onrechte is gedaan zonder partijen eerst op een zitting te horen. De rechtbank oordeelt in de bodemzaak dat de Chw van toepassing is. Dit brengt met zich dat de beroepsgronden binnen de beroepstermijn moeten worden aangevoerd. Hiervoor wordt geen herstelgelegenheid geboden. Opposanten hebben binnen de beroepstermijn geen beroepsgronden aangevoerd. De beroepen van opposanten zijn daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
ECLI:NL:RBMNE:2024:5362.
Deze mogelijkheid volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Deze mogelijkheid volgt uit artikel 8:55, tiende lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 1.6a van de Chw.
Dit volgt uit artikel 1.6, tweede lid, van de Chw.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI8450.
Zoals beschreven in artikel 3:46 van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2307.