Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-04
ECLI:NL:RBMNE:2024:2181
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,173 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1440
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 22 augustus 2023 tegen de lichte toets compensatie kinderopvangtoeslag.
Op 18 maart 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Verweerder heeft eiseres in zijn besluit van 21 april 2021 bericht dat zij een geslaagd beroep kan doen op de Cathuisregeling (lichte toets) en dus aanspraak kan maken op een bedrag van € 30.000,- . Eiseres heeft eerst op 22 augustus 2023 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 april 2021. Omdat verweerder niet op tijd op het bezwaar heeft beslist, heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar bezwaarschrift.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang.
4. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij/zij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan.
5. Eiseres heeft in het besluit van 21 april 2021 een compensatiebedrag van € 30.000,- ontvangen. Op grond van de Catshuisregeling kan niet meer compensatie worden verkregen. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk waarom eiser op 22 augustus 2023 alsnog tegen het besluit van 21 april 2021 bezwaar heeft gemaakt. De reden hiervan moet worden gevonden in de bezwaargronden. Hierin staat het volgende vermeld:‘Belanghebbende acht deze vermoedelijk genomen lichte toets-beschikking in strijd met de betreffende en hieraan ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de overige ter zake geldende bepalingen. Belanghebbende is tevens van mening dat de vermoedelijk genomen beschikking berust op een onjuiste feitelijke grondslag.’
6. Nu eiseres het compensatiebedrag heeft verkregen, kan de rechtbank de gemachtigde van eiseres in de bezwaargronden niet volgen. Eiseres heeft geen rechtens relevant belang bij het beroep tegen het tijdig nemen van een besluit, omdat over de uitkomst van het bezwaar geen onzekerheid bestaat en daarom is het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
7. Omdat de rechtbank zowel het beroep niet-ontvankelijk verklaart, komt eiseres niet in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten. Zij krijgt evenmin het betaalde griffierecht vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.