Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2020-01-30
ECLI:NL:RBZWB:2020:406
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,014 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 19/4949 GEMWT
uitspraak van 30 januari 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oegstgeest, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 november 2018 (bestreden besluit) van verweerder inzake het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar.
In verband met onvoldoende zittingscapaciteit bij de rechtbank Den Haag, heeft die rechtbank het beroep bij beschikking van 9 september 2019 doorverwezen naar deze rechtbank.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 januari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.V.L. Troost en mr. drs. A.C.M. Goud.
Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] te Oegstgeest.
Op 18 september 2018 heeft een toezichthouder van de gemeente Oegstgeest een controle uitgevoerd op dat adres. Tijdens de controle heeft de toezichthouder geconstateerd dat de woning werd gestript en dat de werkzaamheden door eiser zelf werden uitgevoerd. Per e‑mailbericht van 18 september 2018 heeft diezelfde toezichthouder aan eiser medegedeeld dat op grond van artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit alleen worden aangevangen met sloopwerkzaamheden in een bouwwerk of object dat voor 1994 is gebouwd, nadat een asbestinventarisatierapport is opgesteld. Eiser heeft daar volgens de toezichthouder niet aan voldaan en daarom heeft de medewerker eiser in datzelfde e-mailbericht medegedeeld dat de sloopwerkzaamheden gestaakt moeten worden en gestaakt moeten blijven totdat door middel van een asbestinventarisatierapport is aangetoond dat er geen asbest aanwezig is.
Eiser heeft bij brief van 20 september 2018 bezwaar gemaakt tegen dat e-mailbericht.
Bij besluit van 25 oktober 2018 heeft het college ingevolge artikel 16, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit in samenhang met artikel 125 van de Gemeentewet aan eiser een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit. Bij brief van 22 november 2018 heeft het college aan eiser medegedeeld dat hij heeft voldaan aan de opgelegde last.
Bij bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen een ambtelijke waarschuwing en dat is volgens het college geen besluit waar bezwaar tegen open staat.
Eiser heeft op 3 januari 2019 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2. Eiser heeft aangevoerd dat het college zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat e-mailbericht kan volgens eiser worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens eiser is door middel van het e‑mailbericht van 18 september 2018 een bouwstop uitgevaardigd op grond van artikel 5.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Daar heeft eiser aan toegevoegd dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar en dat de gemeente zijn bezwaar had moeten aanmerken als zijnde gericht tegen het besluit van 25 oktober 2018.
3. Op grond van artikel 8:1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
4. Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, dient eerst ambtshalve te worden beoordeeld of eiser een procesbelang heeft. Een beroep is namelijk niet-ontvankelijk wanneer het procesbelang daarbij voor eiser ontbreekt.
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) (ECLI:NL:RVS:2018:599, r.o. 4.2 en ECLI:NL:RVS:2010:BO251, r.o. 2.2.1) blijkt dat de bestuursrechter alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen is als sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Waar een dergelijk geschil niet of niet langer bestaat, kan van de rechter geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. In dat geval ontbreekt volgens de AbRS het procesbelang en dient de bestuursrechter het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijk geschil niet langer sprake. Tussen eiser en het college bestond discussie over de vraag of op grond van artikel 3, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit op eiser de verplichting rustte om een asbestinventarisatierapport op te stellen. Dit was een geschil met betrekking tot een besluit van het college. In ieder geval bij besluit van 25 oktober 2018 heeft het college aan eiser een herstelsanctie opgelegd wegens overtreding van voornoemde bepaling. Bij brief van 22 november 2018 heeft het college aan eiser medegedeeld, dat hij heeft voldaan aan de daarin opgelegde last: hij heeft een asbestinventarisatierapport opgesteld en heeft het aanwezige asbest verwijderd. Van een geschil met betrekking tot een besluit was naar het oordeel van de rechtbank op dat moment geen sprake meer.
Eiser heeft gesteld dat hij een procesbelang heeft, omdat hij (overigens niet beroepsmatig) vaker woningen aankoopt om op te knappen. Voor een eventuele toekomstige aankoop van een woning binnen de gemeente Oegstgeest, wil eiser duidelijkheid en wil hij weten wanneer het college de verplichting uit artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit van toepassing acht.
De rechtbank stelt vast dat eiser op die wijze principieel vastgesteld wil zien wanneer voornoemde verplichting op hem rust. Gelet op de hierboven aangehaalde jurisprudentie heeft eiser daarom naar het oordeel van de rechtbank geen actueel en reëel belang bij een inhoudelijke beoordeling. De uitspraak waar eiser zich op beroept ter onderbouwing van zijn standpunt (ECLI:NL:RVS:2005:AU1396) doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Die uitspraak zag op een beroep dat was ingesteld tegen een gedoogbeschikking voor een evenement dat reeds had plaatsgevonden. Appellanten in die zaak stelden belang te hebben bij een inhoudelijke behandeling van het beroep, omdat het een jaarlijks terugkomend evenement was. De AbRS gaf appellanten in die zaak gelijk (zie r.o. 2.1.2), omdat gelet op dat jaarlijkse karakter een reële kans op herhaling bestond.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in dit geval geen reële kans op herhaling. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij concrete plannen heeft tot het aankopen van soortgelijke woningen in de gemeente Oegstgeest. Ter zitting heeft eiser ook aangegeven dat de overige woningen die hij in eigendom heeft zijn gelegen in de gemeenten Losser en Utrecht.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een verdere beoordeling van het bestreden besluit.
5. Het beroep zal daarom niet‑ontvankelijk worden verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.