Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-09-26
ECLI:NL:RBMNE:2023:7078
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,231 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5740
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats 1] , eiser, (gemachtigde mr. R.W.B van Middelaar)\
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente] , verweerder
(gemachtigde: M.F.M. Boerlage).
Procesverloop
Verweerder heeft in zijn beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] te [plaats 2] (de woning) voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 546.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2021. Bij deze beschikking heeft verweerder aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
In de uitspraak op bezwaar van 16 november 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2023 via Teams op een zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en door J. Hollander. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [taxateur] , taxateur.
Overwegingen
1. De woning is een in 1978 gebouwde twee-onder-één-kap-woning met een tuinhuis en een berging. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 179 m2 en een kaveloppervlakte van 422 m2.
2. De WOZ-waarde van de woning is in beroep niet langer in geschil. Eiser heeft in zijn schriftelijke reactie op het verweerschrift en de taxatiematrix en op de zitting aangegeven dat hij van mening is dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Dit betekent dat een gegrondverklaring van het beroep niet tot een voor eiser gunstiger resultaat kan leiden.
Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de door eiser gemaakte proceskosten nog wel moet vergoeden, omdat eiser gedwongen was om beroep in te stellen. Verweerder heeft de waarde van de woning pas in de beroepsfase aannemelijk weten te maken door het aanleveren van de taxatiematrix. Verweerder heeft, volgens eiser, een onwenselijke situatie gecreëerd door dit stuk niet al in de bezwaarfase aan te leveren. Eiser verwijst naar de Memorie van Toelichting bij artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en naar een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3914. Als in de bezwaarfase de juiste onderbouwing was aangeleverd, had het huidige beroep voorkomen kunnen worden.
4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toekenning van de gevraagde proceskostenveroordeling. Eiser en verweerder zijn het immers met elkaar eens dat verweerder de van aanvang af door hem gestelde waarde van de woning aannemelijk heeft gemaakt. Om die reden is het beroep niet-ontvankelijk. Van een gedwongen (handhaving van zijn) beroep door eiser is geen sprake. Het staat de heffingsambtenaar vrij staat om in elk stadium van de procedure de waarde opnieuw te onderbouwen. Er geldt een vrije bewijsleer. De heffingsambtenaar mag in beroep dus een nieuwe waardematrix opmaken, nieuwe vergelijkingsobjecten aanvoeren en de waarde onderbouwen met andere gegevens. Er is geen sprake van strijd met artikel 7:4 van de Awb. Een tegemoetkoming aan eiser door verweerder als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb speelt hier ook niet. De rechtbank wijst daarom het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiser af.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.