Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-02-16
ECLI:NL:RBMNE:2023:1464
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,565 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/3378
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht
(gemachtigde: D. de Winter).
Inleiding
Op 10 oktober 2021 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 68,42. Met het bestreden besluit van 25 juni 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn besluit gebleven.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 16 februari 2023 op zitting behandeld door middel van een Teams beeldverbinding. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.
Beoordeling
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Eiser heeft aangevoerd dat de uitspraak op bezwaar te laat is genomen en dat verweerder de termijn zoals bedoeld in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft overschreden. Eiser heeft verzocht om de zaak te seponeren.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De termijnen van artikel 7:10 van de Awb zijn geen fatale termijnen, maar termijnen van orde. Bij overschrijding van deze termijnen kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep bij de rechtbank worden ingesteld. Overschrijding van de termijnen betekent daarom niet dat de beslissing op bezwaar reeds op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Er is geen wettelijk voorschrift dat bepaalt dat in een dergelijk geval het desbetreffende besluit niet in stand kan blijven. Gelet hierop komt de bestreden uitspraak op bezwaar niet voor vernietiging in aanmerking.
4. Ten aanzien van de naheffingsaanslag overweegt de rechtbank dat van belang is of kenbaar was voor eiser dat parkeerbelasting verschuldigd is op het Berlijnplein. Eiser heeft in dat kader aangevoerd dat de parkeerlocatie onduidelijk was en dat de parkeergarage van de bioscoop voor hem niet toegankelijk was. Hij heeft zijn auto daarom geparkeerd op het Berlijnplein en € 4,- betaald aan de bioscoop in de veronderstelling dat hij parkeerbelasting heeft voldaan. Bovendien was het Berlijnplein volgens eiser grotendeels afgesloten en stond de parkeerautomaat om de hoek in een afgebroken straat.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Op verweerder rust de plicht om parkeerders deugdelijk te informeren over de locaties waar voor het parkeren parkeerbelasting is verschuldigd. Daarnaast mag van eiser als parkeerder verwacht worden dat hij bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of parkeerbelasting verschuldigd is. Dit houdt in dat eiser oplet of hij bebording ‘betaald parkeren’ of een parkeerautomaat ziet en dat hij zich – nadat hij heeft geparkeerd – inspant om te onderzoeken of voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is. De rechtbank vindt dat eiser dat onvoldoende heeft gedaan. Uit de informatie over het betaald parkeren in Utrecht blijkt dat sinds 2 oktober 2017 het Berlijnplein is gemarkeerd als een ‘betaald parkeren-zone’. De rechtbank begrijpt dat eiser heeft gekeken of hij parkeerbelasting moest betalen, maar dit is onvoldoende om onder de naheffing uit te komen. Uit de bebording ‘betaald parkeren’ op het Berlijnplein is bij de opritten duidelijk zichtbaar dat het een betaaldparkeerzone is. Er kan redelijkerwijs geen misverstand bestaan over de verschuldigdheid van de parkeerbelasting en de rechtbank heeft ook geen reden om te twijfelen dat de situatie ten tijde van het parkeren van de auto van eiser anders was. Eiser heeft dit overigens ook niet onderbouwd. Ook de stelling van eiser dat de parkeerautomaat om de hoek stond in een afgebroken straat, maakt het oordeel niet anders. Gelet hierop mocht eiser er niet vanuit gaan dat hij zijn auto kon parkeren zonder parkeerbelasting te voldoen en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
6. Eiser heeft bij de bioscoop een uitrijkaart voor de parkeergarage Leidsche Rijn Centrum gekocht in de veronderstelling dat hij daarmee betaalde voor het parkeren op het Berlijnplein. Dit misverstand betekent echter niet dat verweerder de verschuldigde parkeerbelasting via de naheffingsaanslag mag naheffen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2023 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Sari, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3585, overweging 7.1 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:722, overweging 9.