Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:9091
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,982 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/4088
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder
(gemachtigde: mr. N.T. Bui).
Inleiding
1.1.
Deze uitspraak gaat over de herziening van een aan eiser verleende bijstandsuitkering en over de terugvordering van aan hem betaalde bijstand.
1.2.
Bij besluit van 11 november 2021 heeft het college de bijstandsuitkering vanaf 1 mei 2021 ingetrokken. Bij dat besluit heeft het college bovendien de bijstandsuitkering over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 30 april 2021 herzien en een bedrag van € 2.217,13 aan betaalde bijstand teruggevorderd van eiser.
1.3.
Eiser heeft bij het college bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 november 2021. Bij besluit van 8 juli 2022 heeft het college dat bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 11 november 2021 ten aanzien van de hoogte van de terugvordering herroepen en in plaats daarvan de terugvordering verlaagd naar € 864,26.
1.4.
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
1.5.
Het college heeft schriftelijk op het beroep gereageerd. Eiser heeft daarna een nader stuk ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college deelgenomen.
1.7.
Met deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep.
Overwegingen
Achtergrond van het bestreden besluit
2.1.
Eiser werkte als zelfstandig masseur en ontving sinds 11 maart 2020 een bijstandsuitkering. Volgens het college is bij een rechtmatigheidsonderzoek gebleken dat eiser in de periode van 1 augustus 2020 tot en met 30 april 2021 inkomsten heeft ontvangen die hij niet juist heeft opgegeven aan het college. Daardoor zijn deze inkomsten niet juist verrekend met de uitkering, zodat eiser een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen, aldus het college. Daarom heeft het college de uitkering over de genoemde periode herzien en de te veel betaalde bijstand teruggevorderd. Volgens het besluit van 11 november 2021 gaat het om een bedrag van € 2.593,96. Daarbij is het college voor het jaar 2020 uitgegaan van het brutobedrag aan bijstand, dus met optelling van het bedrag aan loonbelasting en premies volksverzekeringen dat het college voor eiser moest afdragen, aangezien het college dat bedrag niet meer kon verrekenen met de Belastingdienst. Na aftrek van het gereserveerde vakantiegeld van € 376,83 heeft het college de terugvordering vastgesteld op € 2.217,13. Bij het besluit van 11 november 2021 heeft het college de uitkering vanaf 1 mei 2021 ingetrokken, omdat eiser daarom heeft verzocht.
2.2.
In bezwaar heeft het college geconcludeerd dat een door eiser ontvangen lening ten onrechte als inkomen is beschouwd. Op de hoorzitting in bezwaar is afgesproken dat eiser stukken zou mogen indienen om te onderbouwen welke uitgaven hij in verband met zijn massagepraktijk heeft gedaan. Eiser heeft dat vervolgens gedaan. Op grond van de overgelegde stukken heeft het college geconcludeerd dat sprake is van bedrijfskosten die afgetrokken mogen worden van de inkomsten. Voor zover eiser in een maand echter verlies heeft geleden, komt dat voor rekening en risico van eiser als ondernemer en behoort dat niet door bijstand te worden gecompenseerd, aldus het college. Daarnaast heeft het college in bezwaar besloten om de terugvordering niet te bruteren, omdat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer bedrijfskosten heeft gemaakt dan hij kan aantonen met facturen. Op basis van de in bezwaar gemaakte herberekening heeft het college bij het besluit op bezwaar de terugvordering verlaagd naar € 864,26.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
3. Eiser voert aan dat het besluit op bezwaar niet is genomen binnen de beslistermijn die op de hoorzitting was afgesproken. Eiser vindt het begrijpelijk dat het college controles uitvoert, maar voelt zich geïntimideerd en gediscrimineerd door het onderzoek dat het college naar hem heeft ingesteld. Eiser stelt dat hij steeds naar eer en geweten het bedrag van zijn inkomsten met aftrek van uitgaven heeft gemeld aan het college. Door gebrek aan kennis en aan middelen om een boekhouder in te schakelen, heeft hij zijn inkomsten en uitgaven niet volledig gedocumenteerd. De door het college gemaakte herberekening is niet juist. Omdat de onderzoeken hem stress bezorgden, heeft hij zijn bijstandsuitkering laten beëindigen. Daardoor is hij in financiële nood geraakt, aldus eiser.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat de herziening van de bijstandsuitkering en de terugvordering van betaalde bijstand rechtmatig zijn. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende overwegingen.
Overschrijding beslistermijn
5. Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet een besluit op bezwaar in beginsel binnen zes weken na afloop van de bezwaartermijn worden genomen. Op grond van het vierde lid, aanhef en onder a, kan de beslistermijn worden verlengd voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen. De beslistermijn is geen fatale termijn, maar een termijn van orde. Na overschrijding van de termijn en een vergeefse ingebrekestelling van het bestuursorgaan kan bij de rechtbank beroep worden ingesteld om af te dwingen dat alsnog een besluit wordt genomen. Er is echter geen wettelijke regel die bepaalt dat een te laat genomen besluit wegens de termijnoverschrijding niet in stand kan blijven. Dat het besluit op bezwaar niet binnen de op de hoorzitting afgesproken beslistermijn is genomen, vormt dus geen grond voor vernietiging van dat besluit.
Onderzoek college
6.1.
Op grond van artikel 53a van de Participatiewet (Pw) is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening of de voortzetting van bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend. Daartoe is dus geen voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. In dit kader is het college in beginsel gerechtigd inzage te verlangen in de bankafschriften over de laatste drie maanden. Het college is gerechtigd gericht onderzoek te doen als op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden - bijvoorbeeld blijkend uit de bankafschriften over die drie maanden - redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen en op basis daarvan twijfel bestaat over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek kan het college zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden.
6.2.
Uit het voorgaande volgt dat het college ook zonder concrete aanleiding mocht onderzoeken of de bijstandsuitkering terecht werd verleend. In het kader van een eerder rechtmatigheidsonderzoek heeft het college bij eiser bankafschriften over de maanden mei, juni en juli 2020 opgevraagd. Het college heeft vervolgens geconstateerd dat eiser over die drie maanden te weinig inkomsten had opgegeven. Daarnaast heeft het college geconstateerd dat eiser bijschrijvingen had ontvangen van een online betaalsysteem dat vaak gebruikt wordt voor goksites. Bij brief van 16 maart 2021 heeft het college eiser verzocht om afschriften over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 28 februari 2021. Het college mocht daartoe aanleiding zien, gelet op de constateringen bij het eerdere onderzoek. Gelet op de vervolgens geconstateerde afwijkingen met de door eiser opgegeven inkomsten over die periode en op het verzoek van eiser van 18 maart 2021 om beëindiging van de bijstandsuitkering, mocht het college aanleiding zien om nader onderzoek te doen. Het college heeft dat gedaan door eiser bij brief van 6 augustus 2021 ook om bankafschriften over de periode van 1 maart 2021 tot en met 30 april 2021 te vragen en om een verklaring voor de geconstateerde afwijkingen. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen grond om het onderzoek van het college naar eiser onrechtmatig te achten.
Inlichtingenplicht en herziening bijstandsuitkering
7.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand of trekt het een besluit tot toekenning van bijstand in als het niet of niet behoorlijk nakomen van die inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
7.2.
Uit de door het college opgevraagde rekeningafschriften blijkt dat eiser in de betrokken periode inkomsten heeft ontvangen die hij niet aan het college had opgegeven in de door hem ingevulde inkomstenformulieren.
Conclusie
9.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de herziening van de bijstandsuitkering en de terugvordering van betaalde bijstand in stand blijven.
9.2.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug en krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikelen 6:2, 6:12 en 8:1 en afdeling 8.2.4a van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:722, en de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 februari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:110.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:263.
Zie de uitspraak van de CRvB van 28 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2277.