Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-02-25
ECLI:NL:RBMNE:2021:926
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,699 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1800
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).
Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiseres geen recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
Bij besluit van 21 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 25 januari 2021. Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres heeft op 5 of 9 november 2019 ontslag genomen bij [werkgever 1] ( [werkgever 1] ). Vanaf 26 oktober 2019 tot 1 december 2019 was eiseres werkzaam bij [werkgever 2] . Omdat eiseres werd ontslagen bij [werkgever 2] vroeg zij een WW-uitkering aan. In het besluit van 13 december 2019 is bepaald dat eiseres met ingang van 5 november 2019 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt, omdat eiseres zelf ontslag heeft genomen bij [werkgever 1] . Tegen dit besluit heeft eiseres geen bewaar gemaakt. Van 22 november 2019 tot 27 januari 2020 was eiseres via Randstad werkzaam bij [werkgever 3] ( [werkgever 3] ). Op 23 januari 2020 heeft eiseres wederom een WW-uitkering aangevraagd, vanwege ontslag bij [werkgever 3] . Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Grondslag van het bestreden besluit
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres
in de 36 weken voorafgaand aan de werkloosheid niet tenminste 26 weken heeft gewerkt.
Beoordeling
3. Artikel 17, eerste lid, van de WW bepaalt dat recht op uitkering voor de werknemer ontstaat indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft. Op grond van het tweede lid van dit artikel is onder meer bepaald dat dubbeltelling van weken niet is toegestaan. Willen de weken meetellen voor de wekeneis dan mogen ze niet al eerder hebben geleid tot een recht.
4. Eiseres voert aan dat zij destijds niet zomaar ontslag heeft genomen bij [werkgever 1] . Haar leidinggevende maakte haar het leven zuur. Zij heeft geen bezwaar ingesteld tegen de beslissing van 13 december 2019, waarin haar aanvraag voor een WW-uitkering, na ontslag bij [werkgever 2] , werd afgewezen, omdat zij inmiddels werkzaam was bij [werkgever 3] . Zij wist niet dat die weigering ook consequenties kon hebben voor toekomstige WW-aanvragen. Het is volgens eiseres schandalig dat het Uwv niet naar de situatie van eiseres heeft gekeken.
5. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de beslissing van 13 december 2019 formele rechtskracht heeft gekregen, omdat eiseres hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt binnen de bezwaartermijn. De inhoud van dit besluit en de gronden waarop die berust kunnen daarom niet meer worden aangevochten. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3478.
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen bezwaar heeft ingesteld tegen de beslissing van 13 december 2019, waarbij verweerder wel een WW-recht heeft toegekend aan eiseres maar dit niet tot uitbetaling heeft laten komen vanwege verwijtbare werkloosheid uit het dienstverband bij [werkgever 1] . Hoewel de uitleg van eiseres begrijpelijk is, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de bezwaren over de verwijtbaarheid van de werkloosheid bij de allereerste WW-weigering naar voren hadden moeten gebracht. Nu eiseres dit niet heeft gedaan staat deze beslissing in rechte vast en kunnen de omstandigheden die hebben geleid tot het ontslag bij [werkgever 1] bij dit beroep niet meer inhoudelijk aan de orde worden gesteld. De rechtbank zal die omstandigheden daarom onbesproken laten.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres van 22 november 2019 tot 27 januari 2020 werkzaam was bij [werkgever 3] via uitzendbureau Randstad. Hieruit volgt dat eiseres na 5 november 2019 niet ten minste 26 weken heeft gewerkt. Eiseres heeft nog gewezen op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Daaruit volgt dat, indien de werkloosheid uit de nieuwe dienstbetrekking niet verwijtbaar is, er geen onderzoek naar de redenen van baanwisseling noodzakelijk is, als ten tijde van die baanwisseling een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van ten minste 26 weken in ongeveer dezelfde omvang als de dienstbetrekking die beëindigd wordt. Zoals eiseres zelf heeft verklaard in haar bezwaar- en beroepschrift heeft zij twee maanden bij [werkgever 3] gewerkt en kwam in januari de verrassing dat [werkgever 3] stopte met al het personeel via Randstad, omdat ze eigenlijk alleen maar waren aangenomen voor de drukke kerstperiode. Hieruit volgt dat niet kan worden gezegd dat eiseres een reëel vooruitzicht had op een dienstbetrekking van ten minste 26 weken bij [werkgever 3] . De rechtbank vindt daarom dat verweerder de wettelijke regels goed heeft toegepast en dat hij op goede gronden heeft beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering per 23 januari 2020.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is uitgesproken op 25 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.