Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-07-05
ECLI:NL:RBMNE:2021:4209
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,296 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1317
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2021 in de zaak tussen
[eiser]
te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W. Visser),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van
31 januari 2020.
Partijen hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen afdoening van het beroep zonder zitting. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Overwegingen
1. Eiser heeft bij brief van 22 augustus 2019 bezwaar gemaakt tegen een brief van verweerder van 18 juli 2019. Volgens verweerder was deze brief geen besluit waar bezwaar tegen kon worden gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank vindt ook dat de brief van 18 juli 2019 geen besluit is waar eiser bezwaar tegen kon maken. Volgens de wet is er sprake van een ‘besluit’ als er een schriftelijke beslissing is van een bestuursorgaan die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt. Dit betekent dat er door de brief iets moet veranderen in iemands bestuursrechtelijke rechten, verplichtingen of bevoegdheden. Dit staat in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. In dit geval is er door de brief van 18 juli 2019 niets veranderd in eisers bestuursrechtelijke rechten, verplichtingen of bevoegdheden of in die van iemand anders. In de brief staat namelijk een afwijzende reactie van verweerder op het verzoek van eiser om op gemeentegrond een inrit bij zijn woning aan te mogen leggen. In Almere geldt geen verordening die voorschriften bevat over het aanleggen van een inrit. Ook eiser erkent dit. Volgens verweerder betekent dit dat de brief van 18 juli 2019 geen publiekrechtelijke rechtshandeling kan inhouden. Verweerder heeft erkend dat door een fout wel een bezwaarclausule in de brief is opgenomen en heeft daarom aan eiser een proceskostenvergoeding in bezwaar toegekend. Eiser stelt zich op het standpunt dat de brief wel een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb is, omdat verweerder de weigering mee te werken niet baseert op haar eigenaarsbelangen, maar op de voorheen bij het verlenen van bestuursrechtelijke toestemming geldende criteria. Eiser acht dit onaanvaardbaar, omdat hij nu de veel duurdere civielrechtelijke procedure dient te volgen.
4. Een rechtshandeling is publiekrechtelijk indien het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. De rechtbank stelt vast dat zo een wettelijk voorschrift niet is aan te wijzen. Weliswaar is in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO) geregeld dat voor een inrit een omgevingsvergunning nodig kan zijn, maar dit is alleen het geval als een provinciale of gemeentelijke verordening dat vereist. Partijen hebben erkend dat een dergelijke verordening in de gemeente Almere niet bestaat.
5. De bevoegdheid van de grondeigenaar om toestemming te verlenen voor de aanleg van een inrit op zijn grond is privaatrechtelijk van aard. Het feit dat bij de beoordeling van een verzoek criteria worden gehanteerd die niet te onderscheiden zijn van de criteria die voorheen in beleidsmatige stukken werden gebruikt bij het verlenen van vergunningen/ontheffingen maakt dit niet anders (zie ABRvS 9-1-2013 LJN BY7987 Lusthof ) .
6. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een van de in de rechtspraak erkende uitzonderlijke situaties, waarin het gebruik van een bevoegdheid die zijn basis vindt in het privaatrecht toch als publiekrechtelijke rechtshandeling wordt beschouwd indien op deze manier uitvoering wordt gegeven aan de opgedragen publieke taak op een bepaald terrein.
7. De rechtbank concludeert dat de brief van verweerder van 18 juli 2019 geen publiekrechtelijke rechtshandeling is (zie ook ECLI:NL:RVS: 2000:AA6717 Uitweg Rucphen). Eiser dient zich voor een rechterlijk oordeel over het geschil tot de civiele rechter te wenden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. in ’t Veld, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 5 juli 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
(de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen)
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak dan kunt u binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak in hoger beroep gaan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.