Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-25
ECLI:NL:RBMNE:2026:1147
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,952 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1147 text/xml public 2026-03-25T10:49:51 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-25 UTR 23/5195 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1147 text/html public 2026-03-23T15:26:03 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1147 Rechtbank Midden-Nederland , 25-03-2026 / UTR 23/5195 Eisers hebben aan het college gevraagd om handhavend op te treden tegen hun buren. Volgens eisers begaan die verschillende overtredingen. Het college vindt dat hij niet handhavend kan optreden. De rechtbank oordeelt dat het college het griffierecht aan eisers moet terugbetalen, omdat het college eisers in bezwaar had moeten horen. Maar dit heeft geen invloed op het antwoord op de vraag of er sprake is van overtredingen waar het college handhavend tegen kan optreden. De rechtbank vindt dat het college terecht niet handhavend optreedt tegen de buren van eisers. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/5195 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers en Het college van burgemeester en wethouders van Almere, het college (gemachtigde: mr. L.G.H. Wichern). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-belanghebbende 1] en [derde-belanghebbende 2] uit [woonplaats] (derde-belanghebbenden) (gemachtigde: mr. J.R. Versluis). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een verzoek tot handhaving. Eisers vinden dat het college handhavend moet optreden tegen een aantal activiteiten op het perceel van hun buren, de derde-belanghebbenden, zoals het schenden van de privacy, het fout parkeren, het plaatsen van een niet parkeren-bord in de voortuin en de overlast van de conifeer aan de voorzijde van de woning. Ook vinden zij dat het college handhavend moet optreden tegen de verhuurder van de buurwoning en andere nog niet verkochte woningen omdat het verhuren in strijd is met een met de gemeente gesloten overeenkomst. Het college heeft beslist niet aan het verzoek tegemoet te komen, omdat hij zich niet bevoegd acht daartegen op te treden. Het verzoek ziet volgens het college niet op bestuursrechtelijke overtredingen, maar op privaatrechtelijke zaken. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers. Inleiding 2. Eisers wonen in hun woning aan de [adres 1] in [woonplaats] . Op 29 januari 2023 hebben zij een verzoek bij het college ingediend om handhavend op te treden tegen een aantal activiteiten op het adres [adres 2] in [woonplaats] (het perceel). 2.1. Het college heeft met een besluit van 20 april 2023 ( het primaire besluit ) het verzoek om handhaving afgewezen. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. 2.2. Op 1 september 2023 heeft de bezwaarschriftencommissie het college geadviseerd het primaire besluit in stand te laten en het bezwaarschrift kennelijk ongegrond te verklaren. Met het besluit van 11 september 2023 ( het bestreden besluit ) heeft het college onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie zijn besluit gehandhaafd. 2.3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eiser 1] (telefonisch), derde-belanghebbenden [derde-belanghebbende 1] en [derde-belanghebbende 2] en hun gemachtigde mr. Versluis. Van het college is niemand verschenen. 2.5. Op de zitting heeft eiser de behandelend rechter mr. C. van Wambeke gewraakt. 2.6. De wrakingskamer heeft op 24 juni 2025 het wrakingsverzoek afgewezen en bepaald dat de procedure moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. De rechtbank heeft daarom op 11 augustus 2025 partijen uitgenodigd voor een nieuwe zitting. 2.7. Het college heeft op 10 oktober 2025 een verweerschrift overgelegd. 2.8. Eisers hebben hierop op 15 oktober 2025 en op 1 en 2 november 2025 gereageerd. 2.9. De rechtbank heeft het onderzoek voortgezet op de zitting van 12 november 2025. Omdat mr. Wambeke niet meer werkzaam is bij de afdeling bestuursrecht is het beroep behandeld door een andere rechter. Op de zitting zijn verschenen: eisers, de gemachtigde van het college en [A] , gemeentelijke handhaver omgevingsrecht, [derde-belanghebbende 2] en mr. N. Alberts, waarnemend voor gemachtigde mr. Versluis. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum het handhavingsverzoek is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. Schending hoorplicht 4. Het college heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, omdat het op voorhand evident was dat het bezwaar tegen de afwijzing niet kon slagen. De punten die eisers hebben genoemd in hun handhavingsverzoek betreffen volgens het college privaatrechtelijke aangelegenheden. Om die reden kan het college daartegen niet bestuursrechtelijk optreden. 5. Eisers betogen dat het college de hoorplicht heeft geschonden door hun bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond te verklaren. Het college heeft dat volgens eisers gedaan om te voorkomen dat een dwangsom wegens niet tijdig beslissen verschuldigd zou zijn. 6. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Een bestuursorgaan stelt belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord, voordat het beslist op een bezwaar. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Het college moet deze beslissing baseren op wat in het bezwaarschrift is aangevoerd. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarfase vormt en dat de gronden om ervan af te kunnen zien terughoudend dienen te worden toegepast. 7. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en daarmee heeft afgezien van het horen van eisers. Gelet op de diverse bezwaargronden en de betwisting van de feitelijke situatie was niet sprake van een situatie die zo duidelijk was dat er op voorhand redelijkerwijs geen enkele twijfel over mogelijk was dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit. Zo bevat het punt ten aanzien van het aanleggen van een opstelplaats in de voortuin wel bestuursrechtelijke aspecten en had dit punt tijdens een hoorzitting toegelicht en verduidelijkt kunnen worden. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met de hoorplicht. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan en doet dat in dit geval ook. Het is namelijk niet aannemelijk dat eisers door de schending van de hoorplicht zijn benadeeld. Eisers hebben in deze beroepsprocedure hun beroepsgronden mondeling kunnen toelichten, waardoor hoor en wederhoor in deze fase van het geschil alsnog is gewaarborgd. Eisers hebben dit op de zitting ook bevestigd. Wel is dit gebrek voor de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen tot het vergoeden van eventueel gemaakte proceskosten van eisers en het griffierecht. Derde-belanghebbenden 8. Eisers vinden dat de buren in deze procedure door de rechtbank ten onrechte als belanghebbenden zijn aangemerkt. De buren huren de woning van de eigenaar [bedrijf] B.V. zodat alleen deze als belanghebbende kan worden aangemerkt. 9. De rechtbank heeft zowel de bewoners als de eigenaar [bedrijf] uitgenodigd om als belanghebbende deel te nemen aan deze procedure. De eigenaar heeft niet gereageerd. Iemand is belanghebbend als zijn belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Volledig
Omdat het verzoek tot handhaving is gericht op activiteiten op het perceel zijn de bewoners daarvan aangemerkt als belanghebbende. Zij worden rechtstreeks in hun belang geraakt als het college op het verzoek van eisers handhavend zou optreden. Schending privacy 10. Eisers wijzen erop dat de buren doelbewust zonder verkregen toestemming camera’s hebben geïnstalleerd die zowel op het perceel van eisers als op de openbare weg zijn gericht. Deze inbreuk op hun privacy is volgens eisers een strafrechtelijke overtreding en daarin had het college aanleiding moeten zien om vanuit de openbare orde en veiligheid de buren te verplichten om de camera’s te verwijderen en blijvend verwijderd te houden. 11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plaatsen van camera’s waarmee mogelijk ook gefilmd wordt op het perceel van eisers een privaatrechtelijke aangelegenheid is tussen de beide buren. Het college kan daartegen niet bestuursrechtelijk optreden, omdat geen sprake is van een bestuursrechtelijke overtreding. Overlast van de coniferen aan de voorzijde 12. Eisers hebben verder ook gewezen op de veel te hoge coniferen die aan de voorzijde binnen twee meter van de openbare weg staan. Nu deze niet worden onderhouden en teruggesnoeid veroorzaken deze niet alleen overlast van de uitvallende naalden, maar ook overlast door het ontnemen van hun vrije zicht. Eisers vinden het te kort door de bocht als het college stelt dat dit alleen een privaatrechtelijke kwestie is. 13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich ook ten aanzien van deze gemelde overlast terecht op het standpunt gesteld dat dit een privaatrechtelijke aangelegenheid betreft. Het college kan daartegen niet bestuursrechtelijk optreden. Dat eisers dat te kort door de bocht vinden, maakt dit niet anders. De zonder vergunning aangelegde opstelplaats in de voortuin 14. Eisers hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen de zonder vergunning aangelegde opstelplaatsen in de voortuin van de buren. Vooral de rechter opstelplaats maakt het onmogelijk voor derden om op de openbare weg langs de stoeprand te parkeren. 15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met betrekking tot het gebruiken van de voortuin als parkeerplaats of opstelplaats zich terecht op het standpunt gesteld dat dit geen bestuursrechtelijke overtreding is. Het perceel heeft volgens het bestemmingsplan Regenboogbuurt en Eilandenbuurt de bestemming ‘wonen-2’. De gronden met deze bestemming zijn niet alleen bestemd voor wonen, maar ook voor erven, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en in- en uitritten. Het parkeren is op het perceel dus wel toegestaan en een vergunning is daarvoor niet nodig. Het college heeft daarom het verzoek van eisers op dit punt terecht afgewezen. Aanleg van een extra inrit 16. Eisers vinden dat de aanleg van een inrit geen privaatrechtelijke aangelegenheid is. Volgens de beleidsregels mag het college geen inrit toestaan op [adres 2] , aangezien deze moet worden geweigerd omdat het ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. 17. In de Wabo is geregeld dat voor een inrit een omgevingsvergunning nodig kan zijn, maar dit is alleen het geval als een provinciale of gemeentelijke verordening dat vereist. Partijen erkennen dat een dergelijke verordening in de gemeente Almere niet bestaat. De gemeente Almere is eigenaar van de openbare wegen en bewoners kunnen indien gewenst een aanvraag indienen voor een extra inrit. De gemeente toetst een dergelijke aanvraag aan de hand van een privaatrechtelijk toetsingskader wat de gevolgen zijn voor onder meer het parkeren en de verkeersveiligheid. Het is dus de bevoegdheid van de gemeente om al dan niet toestemming te verlenen voor het realiseren van een (extra) inrit. Het feit dat bij de beoordeling van een verzoek criteria worden gehanteerd die niet te onderscheiden zijn van de criteria die ook worden gebruikt bij het verlenen van vergunningen/ontheffingen maakt dit niet anders. Als de gemeente toestemming verleent voor het aanleggen van een inrit wordt een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten. Op dit moment is er geen overeenkomst voor een inrit om de rechter opstelplaats als zodanig te mogen gebruiken. Er mag dus volgens het bestemmingsplan wel op het perceel aan de voorzijde geparkeerd worden, maar een inrit ontbreekt. Ook dit betreft een privaatrechtelijke aangelegenheid waartegen het college niet bestuursrechtelijk kan optreden. Het parkeren en het geplaatste bord in de voortuin 18. Het in de voortuin geplaatste verbodsbord ‘niet parkeren’ is een particulier bord en heeft geen rechtskracht. Zoals hiervoor overwogen is aan de rechterzijde geen sprake van een officiële inrit. Dat betekent dat derden ter hoogte van dat rechterdeel mogen parkeren op de openbare weg. 19. Voor zover eisers erop wijzen dat er niet juist wordt geparkeerd in de straat en dat geparkeerd wordt met de wielen op de stoepen, is het college niet bevoegd om overtredingen op grond van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 te handhaven. Het handhaven van deze verkeersovertredingen is namelijk aan de politie en/of de Buitengewoon opsporingsambtenaren. De Leegstandswet 20. Verder voeren eisers aan dat het college handhavend zou moeten optreden tegen de eigenaar [bedrijf] vanwege het ontbreken van een vergunning in het kader van de Leegstandswet voor de verhuur van de buurwoning. 21. Artikel 15 van de Leegstandswet ziet op de bevoegdheid van het college om een vergunning te verlenen voor het tijdelijk verhuren van woonruimte zonder huurbescherming. Dat is bij de woning aan de [adres 2] en de andere door eisers genoemde niet verkochte woningen niet aan de orde. [bedrijf] mag verhuren en er is huurbescherming voor de huurders. Dit betekent dat anders dan eisers stellen geen sprake is van een overtreding van de Leegstandswet. Conclusie en gevolgen 22. De conclusie van de rechtbank is dat het college terecht heeft geconstateerd dat geen sprake is van een bestuursrechtelijke overtreding en dat hij daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden. Het handhavingsverzoek is terecht afgewezen. 23. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen geen gelijk. Dit betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft. 24. Vanwege het geconstateerde gebrek (punt 7) moet het college wel het griffierecht vergoeden. Van door eisers gemaakte proceskosten is niet gebleken. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - draagt het college op het griffierecht van € 184,- aan eisers te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2018:1365, r.o. 5. Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 144-145 en 147. Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2013:BY7987.