Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-03-13
ECLI:NL:RBLIM:2024:1238
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,029 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10607503 \ CV EXPL 23-2973
Vonnis van 13 maart 2024
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
wonend in [woonplaats 1] ,2. [eiser sub 2],
wonend in [woonplaats 2] ,3. [eiseres sub 3],
wonend in [woonplaats 2] ,4. [eiser sub 4],
wonend in [woonplaats 3] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. T.J. Wittendorp,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N [handelsnaam],
zaak doende in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. N. Kloth.
Eisers samen worden hierna [eisers] genoemd, en waar dat nodig is worden eisers afzonderlijk bij hun achternaam genoemd. Gedaagde wordt hierna steeds [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 27 juni 2023 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de beslissing (bij brief) waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van 27 november 2023 met een aanvullende productie van [gedaagde] ;
- het bericht van 28 november 2023 met aanvullende producties van [eisers] ;
- de mondelinge behandeling van 8 december 2023, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eisers] is eigenaar van acht (verhuurde) appartementen aan de [adres 1] in [plaats] .
2.2.
[eisers] heeft een geschil gehad met de huurder van [adres 2] , [naam huurder 1] , en met de huurder van [adres 3] , [naam huurder 2] .
2.3.
De heer [naam verhuurmakelaar] , verhuurmakelaar, heeft namens [eisers] , [gedaagde] opdracht gegeven om [eisers] van juridische bijstand te voorzien in deze geschillen. Met betrekking tot de zaak van huurder [naam huurder 1] is de opdracht gegeven per e-mail van
19 maart 2019 en met betrekking tot de zaak van huurder [naam huurder 2] is de opdracht verstrekt per e-mail van 17 oktober 2019.
2.4.
[eiser sub 4] heeft de opdrachtbevestiging en machtiging aan [gedaagde] in de zaak [naam huurder 1] ondertekend geretourneerd aan [gedaagde] . Tussen partijen werd blijkens deze opdrachtbevestiging overeengekomen dat het honorarium voor de zaak [naam huurder 1] eenderde van de door [gedaagde] ontvangen huurpenningen exclusief belaste en onbelaste verschotten en omzetbelasting bedroeg.
2.5.
[eiser sub 4] heeft eveneens een machtiging aan [naam verhuurmakelaar] ondertekend en geretourneerd aan [gedaagde] in de zaak [naam huurder 2] .
2.6.
[naam verhuurmakelaar] heeft vervolgens steeds met [gedaagde] gecommuniceerd, via e-mail en whatsapp, over de behandeling van deze geschillen.
2.7.
[gedaagde] heeft in beide zaken diverse juridische werkzaamheden verricht. In de zaak [naam huurder 2] werd door [gedaagde] een gerechtelijke procedure gevoerd tegen [naam huurder 2] . Deze procedure resulteerde in een verstekvonnis op 13 mei 2020. Het vonnis werd betekend aan [naam huurder 2] en het gehuurde werd ontruimd op 17 juni 2020.
2.8.
In het voorjaar van 2023 heeft [naam huurder 2] contact opgenomen met [gedaagde] en, na opgave daarvan door [gedaagde] , een bedrag van € 22.766,32 voldaan op haar kantoorrekening.
2.9.
Op 28 april 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser sub 2] (eiser sub 2) een creditfactuur doen toekomen voor een bedrag van € 13.973,10. In deze factuur heeft [gedaagde] op het door haar ontvangen bedrag van € 22.766,32 eenderde in mindering gebracht, evenals enkele kosten die reeds door [eiser sub 2] waren voldaan. Het resterende bedrag van € 13.973,10 heeft [gedaagde] vervolgens voldaan op de derdengeldrekening van de advocaat van [eisers] .
2.10.
[eisers] heeft [gedaagde] via zijn advocaat medegedeeld het niet eens te zijn met deze wijze van factureren en heeft haar gesommeerd om ook het resterende deel over te boeken op de derdengeldrekening van zijn advocaat. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
Geschil
3.1.
[eisers] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
- € 8.793,22 binnen zeven dagen na vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2023, althans vanaf de dag van dagvaarding, althans vanaf een datum die de kantonrechter geraden acht;
- € 627,26 binnen zeven dagen na vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, althans vanaf een datum die de kantonrechter geraden acht;
- € 985,74 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw binnen zeven dagen na vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, althans vanaf een datum die de kantonrechter geraden acht;
- 75% van hetgeen [eisers] aan kantoor LexQuire verschuldigd is, binnen zeven dagen na toezending, althans betekening, van het overzicht van hetgeen door [eisers] aan LexQuire verschuldigd is, althans [gedaagde] te veroordelen om een bedrag ex artikel 612 Rv nader op te maken bij staat te voldoen;
- de kosten voor het conservatoir beslag binnen zeven dagen na vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening;
- de proces- en nakosten binnen zeven dagen na vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening.
3.2.
[eisers] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] ten onrechte tot inhouding van het bedrag van € 8.793,22 is overgegaan. Er is tussen partijen geen succesfee van eenderde van het geïncasseerde bedrag overeengekomen, aldus [eisers] . Daarnaast stelt [eisers] zich op het standpunt dat [gedaagde] niet gehandeld heeft zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch dienstverlener mag worden verwacht en daardoor heeft [eisers] schade geleden. Die schade wordt begroot op € 627,26. Tot slot vordert [eisers] 75% van de kosten die hij verschuldigd zal zijn aan zijn advocaat voor behandeling van deze zaak, een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten, de kosten van het conservatoire beslag en de proces- en nakosten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de proces- en nakosten. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat partijen wel degelijk de afspraak van eenderde van de ontvangen vordering zijn overeengekomen. Zij heeft in deze zaak geheel correct gehandeld en bovendien een boven verwachting resultaat behaald, aldus [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Bevoegdheid
4.1.
Nu [eiser sub 1] en [eiser sub 4] in Duitsland wonen heeft de zaak deels een internationaal karakter. De regels van het internationaal bevoegdheidsrecht zijn van openbare orde. Dit betekent dat de kantonrechter, ook als partijen dit niet ter discussie stellen, moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van deze zaak. In deze zaak dient dat te worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012. In artikel 4 lid 1 van die verordening staat dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Nu [gedaagde] is gevestigd in Nederland is, ondanks dat [eiser sub 1] en [eiser sub 4] niet in Nederland woonachtig zijn, de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van dit geschil.
4.2.
Nu niet gebleken is dat partijen een rechtskeuze zijn overeengekomen, volgt uit artikel 4 lid 1 sub b van de Rome I-Verordening (Verordening (EG) nr. 593/2008) dat een overeenkomst inzake dienstverlening wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft. [gedaagde] is in [vestigingsplaats] gevestigd dus dat leidt ertoe dat het Nederlandse recht van toepassing is.
4.3.
Op grond van artikel 93 sub a Rv jo. artikel 99 Rv is meer in het bijzonder de kantonrechter van de rechtbank Limburg bevoegd om te oordelen over het onderhavige geschil.
Wat zijn partijen overeengekomen over de financiële afwikkeling van de zaak [eiser sub 2] / [naam huurder 2] ?
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisers] via zijn verhuurmakelaar [naam verhuurmakelaar] (in elk geval) in twee zaken, de zaak [naam huurder 1] en de zaak [naam huurder 2] , opdracht heeft verstrekt aan [gedaagde] om hem daarin juridisch bijstand te verlenen. Evenmin in geschil is dat partijen in de zaak [naam huurder 1] zijn overeengekomen dat het honorarium van [gedaagde] eenderde van de door [gedaagde] ontvangen huurpenningen exclusief belaste en onbelaste verschotten en omzetbelasting bedroeg. Als productie 9 en 10 bij dagvaarding zijn de door [eiser sub 4] - klaarblijkelijk ook namens de andere eigenaren - ondertekende opdrachtbevestiging en machtiging aan [gedaagde] in de zaak [naam huurder 1] overgelegd. De zaak [naam huurder 1] is vervolgens conform deze afspraak financieel afgehandeld. De geldigheid van deze opdrachtbevestiging en machtiging met de daarop vermelde handtekening is niet door [eisers] betwist.
4.5.
Partijen twisten in deze procedure vervolgens over het antwoord op de vraag wat zij zijn overeengekomen over de financiële afwikkeling van de opdracht van [eisers] aan [gedaagde] inzake het geschil met huurder [naam huurder 2] . [gedaagde] heeft erkend dat per abuis een onjuiste datum op de opdrachtbevestiging is vermeld maar dat doet naar het oordeel van de kantonrechter niet af aan de inhoud daarvan. De opdrachtbevestiging en machtiging heeft [gedaagde] aan [naam verhuurmakelaar] doen toekomen, [naam verhuurmakelaar] heeft deze laten ondertekenen door [eiser sub 4] - klaarblijkelijk weer namens de overige eigenaren - en op zijn beurt aan [gedaagde] overhandigd. Daar valt weinig op af te dingen en deze gang van zaken is feitelijk ook niet (voldoende) betwist door [eisers] . De omtrent de door [eisers] in de processtukken uitgesproken twijfel ( [eisers] kan zich “niet herinneren” dat de afspraak gemaakt werd, dat dergelijke afspraken schriftelijk werden vastgelegd kan [eisers] zich niet herinneren, en [eisers] kan zich “niet aan de indruk onttrekken” dat de opdrachtbevestiging pas later is opgemaakt) is onvoldoende om in rechte als betwisting van een andersluidend standpunt te worden aangemerkt, waaraan de rechter gevolgen zou moeten verbinden. Vast staat, alles overziend, dat [naam verhuurmakelaar] - aan wie [eisers] zelf een volmacht had afgegeven - [eisers] aan de (hem nu onwelgevallige) afspraak met [gedaagde] heeft gebonden.
Is de gemaakte afspraak in strijd met Richtlijn 93/13/EEG?
4.6.
In de opdrachtbevestiging zijn partijen als volgt overeengekomen:
“Het honorarium bedraagt 1/3 van de door u ontvangen vordering exclusief belaste en onbelaste verschotten en omzetbelasting. Verschotten zijn de voor u gedane uitgaven, zoals griffierecht, deurwaarderskosten, reis- en verblijfskosten en dergelijke.”
[eisers] stelt zich op het standpunt dat deze afspraak in strijd is met artikel 4 lid 2 van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13) omdat deze onvoldoende duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. [eisers] haalt daartoe een arrest aan van 12 januari 2023 van het Europese Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2023:14). In dat arrest heeft het HvJEU bepaald dat de enkele vermelding van een uurtarief, zonder nadere inschatting van de te verwachten tijdsbesteding, een consument niet in staat stelt en weloverwogen beslissing te nemen met betrekking tot het verstrekken van een opdracht omdat de economische consequenties in dat geval niet duidelijk zijn.
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat [eisers] als een consument kan worden aangemerkt nu uit vaste jurisprudentie van het HvJEU blijkt dat het begrip ‘consument’ ruim moet worden opgevat en dat alle natuurlijke personen die zich in een zwakkere onderhandelingspositie bevinden tegenover een professionele wederpartij daaronder kunnen vallen. Niet gesteld of gebleken is dat [eisers] enige juridische achtergrond is dus daarmee bevindt hij zich in een zwakkere positie ten opzichte van [gedaagde] , die een professioneel juridisch dienstverlener is.
4.8.
Een parallel met het door [eisers] aangehaalde arrest gaat hier echter niet op omdat in deze zaak geen sprake is van een uurtarief maar van een vaste prijs die afhankelijk is van de te ontvangen vordering maar onafhankelijk van het aantal uren dat [gedaagde] aan de zaak zou besteden. Aan de vereisten van artikel 6:230l BW is voldaan, omdat in de opdrachtbevestiging duidelijk is aangegeven dat een tarief van eenderde van de te ontvangen vordering als honorarium in rekening zou worden gebracht. Nu [eisers] zelf bekend was (of verondersteld mag worden te zijn) met de hoogte van de vordering op [naam huurder 2] , moest deze afspraak voldoende duidelijk en begrijpelijk voor hem zijn. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [eisers] of [naam verhuurmakelaar] na ondertekening en retournering van de opdrachtbevestiging aan [gedaagde] vragen heeft gesteld over de inhoud daarvan. Daarnaast speelt ook een rol dat [eisers] geen financieel risico liep met de gemaakte afspraak: als er niets geïncasseerd werd hoefde hij immers niets te betalen. Gelet op alle omstandigheden van het geval is de kantonrechter dan ook van oordeel dat de financiële afspraak tussen partijen geen oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13.
4.9.
Nu de vaste prijsafspraak uit de opdrachtbevestiging geldend is tussen partijen, valt op de factuur van [gedaagde] van 28 april 2023 aan [eiser sub 2] niets aan te merken. De vordering van € 8.793,22 zal dan ook worden afgewezen.
Heeft [gedaagde] gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch dienstverlener verwacht mag worden?
4.10.
[eisers] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch dienstverlener verwacht mag worden nu haar werkzaamheden beperkt zijn gebleven en zij een te afwachtende houding heeft ingenomen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot aan dit vonnis begroot op € 812,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2024.
LC