Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-04-18
ECLI:NL:RBLIM:2023:3181
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,572 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 18 april 2023
Zaaknummer: C/03/292906 / FA RK 21-2109
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
verzoekster, verder te noemen: de moeder,
wonend te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks, gevestigd te Kerkrade,
en:
[de vader] ,
wederpartij, verder te noemen: de vader,
wonend te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. H.N.H. Dresschers, gevestigd te Brunssum.
Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op
14 maart 2022 uitgesproken beschikking.
1Verder verloop van de procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het rapport van 29 december 2022 van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Limburg, locatie Maastricht (verder te noemen: de raad), ter griffie ontvangen op
10 januari 2023;
- het zogenoemde F-9 formulier van 23 januari 2023, met bijlage, van de vader;
- het F-9 formulier van 24 januari 2023 van de moeder;
- het F-9 formulier van 27 januari 2023 van de moeder;
- de ambtshalve bekende uitspraak van 23 februari 2023 van het Gerechtshof
’s-Hertogenbosch (zaaknummer: 200.311.247/01).
1.2.
Vervolgens is de uitspraakdatum bepaald op heden.
2Advies raad
2.1.
De raad heeft, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, geadviseerd te bepalen dat de moeder de vader elk kwartaal informeert over de ontwikkeling van de kinderen, waarbij zij eens per jaar een recente foto van de kinderen toevoegt. De vader zou de kinderen via de moeder elk kwartaal moeten informeren over hoe het met hem gaat, waarbij hij eens per jaar een recente foto toevoegt. De raad vreest dat de vader (opnieuw) uit het leven van de kinderen verdwijnt als er geen afspraken worden gemaakt over de informatievoorziening.
Daarnaast heeft de raad zijn visie gegeven ten aanzien van een contactregeling tussen de vader en de kinderen.
3Nadere standpunten
3.1.
De moeder is het eens met het advies van de raad. Zij oordeelt het advies van de raad omtrent de informatievoorziening “als maximaal aan te duiden”. In reactie op het hierna nader te noemen standpunt van de vader, heeft de moeder verzocht een (nadere) zitting te bepalen.
3.2.
De vader heeft zijn verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling ingetrokken. Het verzoek tot het vaststellen van een informatieregeling heeft de vader gehandhaafd. Aangezien de vader voorziet dat de moeder slechts de hoognodige informatie zal geven, verzoekt hij een concrete regeling vast te stellen in die zin dat de moeder de vader uiterlijk op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van elk jaar drie actuele foto’s van elk kind toezendt, evenals schoolrapporten en een beschrijving van de gezondheid toestand van elk kind en welke hobby’s en welke sporten elk kind verricht, alsmede overige informatie welke voor hem als vader van de kinderen van belang kan zijn. De vader is bereid verder het advies van de raad op te volgen en zal daarom ieder kwartaal aan de kinderen laten weten hoe het met hem gaat. Ook zal hij dan een foto van zichzelf aan de kinderen sturen.
4Verdere beoordeling
4.1.
De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist. In aansluiting daarop overweegt de rechtbank als volgt.
4.2.
In het kader van de voorliggende procedure zijn de moeder, de vader en [minderjarige 1] al bij de mondelinge behandeling ter zitting van 17 december 2021 in de gelegenheid gesteld hun stellingen nader toe te lichten en/of hun mening kenbaar te maken. Hun visie (en die van [minderjarige 2] ), komt verder naar voren uit hetgeen zij bij gelegenheid van het onderzoek door de raad hebben verteld. Zoals uit het navolgende blijkt, is de concrete vorm van de informatieregeling het enige dat de moeder en de vader nog verdeeld houdt. Met name over het aantal foto’s van de kinderen dat de moeder de vader zou horen toe te zenden, zijn de moeder en de vader het niet eens. In dat licht bezien, stelt de rechtbank vast dat het verzoek van de moeder om een (nadere) zitting te bepalen, niet is gemotiveerd. Bovendien acht de rechtbank de standpunten van de moeder en de vader ten aanzien van hetgeen hen nog verdeeld houdt, helder. In onderling verband en samenhang gezien, leidt het vorenstaande de rechtbank tot het oordeel dat een nadere mondelinge behandeling niet nodig is om hetgeen partijen nog verdeeld houdt goed te kunnen beoordelen. De rechtbank ziet er daarom van af partijen (nogmaals) in de gelegenheid te stellen hun standpunt mondeling uiteen te zetten, respectievelijk toe te lichten.
4.3.
Zorgregeling
De rechtbank stelt vast dat de vader het verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling heeft ingetrokken. De rechtbank acht in dit verband van belang op te merken dat de vader volgens de beschikbare informatie wel graag contact met de kinderen zou willen, maar dat hij dat niet wil afdwingen nu de kinderen kenbaar hebben gemaakt op dit moment geen contact te willen. Het contact dat in het kader van het raadsonderzoek tussen de kinderen en de vader heeft plaatsgevonden is wel goed verlopen en zinvol geweest.
Zolang de rechtbank geen beschikking heeft gegeven, kunnen partijen hun (neven)-verzoeken intrekken. De vader heeft zijn eerdere verzoek ten aanzien van de zorgregeling ingetrokken. De intrekking heeft tot gevolg dat dit verzoek niet meer kan worden onderzocht (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6482). De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
4.4.
Informatieregeling
4.4.1.
Voor wat het verzoek tot het bepalen van een informatieregeling betreft, is de rechtbank van oordeel dat het advies van de raad gevolgd dient te worden, met dien verstande dat de moeder de vader, naast informatie over belangrijke ontwikkelingen van en rond de kinderen, eens per zes maanden (derhalve twee keer per jaar) ten minste één goed gelijkende actuele foto van elk kind dient toe te zenden. Daarnaast zal de rechtbank de door de moeder aan de vader toe te zenden informatie over de kinderen naderen concretiseren in het dictum. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De vader maakt al enkele jaren ( [minderjarige 1] ), respectievelijk gedurende bijna het gehele leven ( [minderjarige 2] ), geen actief deel uit van het leven van de kinderen. Dat op zich is zorgelijk. In het kader van het raadsonderzoek hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wel contact gehad met de vader. Dit contact is goed verlopen en is zinvol geweest. Weliswaar hebben beide kinderen aangegeven dat zij nu geen contact met hun vader willen, maar uit de rapportage van de raad blijkt ook dat zij hebben aangegeven in de toekomst hierover misschien anders te denken. De vader heeft van zijn kant aangegeven dat hij, als de kinderen op enig moment wel contact willen, er voor ze wil zijn. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat voorkomen dient te worden dat de vader opnieuw geheel uit het leven van de kinderen verdwijnt. Het recht van een kind op omgang met beide ouders is immers een fundamenteel recht en het daaraan gekoppelde contact moet naar algemeen gangbare en breed aanvaarde opvattingen in beginsel van aanzienlijke betekenis worden geacht voor de persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling van het kind.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de moeder de vader elk kwartaal, namelijk op 1 januari, 1april, 1 juli en
1 oktober, dient te informeren over:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2009; en
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2013,
in die zin dat zij beschrijft hoe het met de kinderen gaat, hoe hun gezondheidssituatie is, welke sporten/hobby’s zij hebben en hoe het op school gaat,
waarbij de moeder telkens de schoolrapporten van elk kind en eens per zes maanden (ten minste) één goed gelijkende actuele foto van elk kind aan de vader dient toe te zenden;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
MvdV
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.