Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2022-01-07
ECLI:NL:RBLIM:2022:601
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,618 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/300355 / JE RK 21-2582 en C/03/300446 / JE RK 21-2602
Datum uitspraak: 7 januari 2022
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
hierna te noemen: de GI, gevestigd in Roermond,
betreffende de minderjarige
[minderjarige]
, hierna te noemen: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader] , hierna te noemen: de vader,
wonend in [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder]
, hierna te noemen: de moeder,
wonend in [woonplaats 2] .
Wederom gezien de stukken, waaronder ook de door de kinderrechter van deze rechtbank gegeven en op 28 december 2021 uitgesproken beschikking.
1Het (verdere) procesverloop
Bij voornoemde beschikking van 28 december 2021 is in de zaak met nummer C/03/300355 / JE RK 21-2582, zonder voorafgaand verhoor, met ingang van 28 december 2021 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs verleend voor de duur van twee weken, aldus tot 11 januari 2022. Iedere verdere beslissing is aangehouden in afwachting van het verhoor van de belanghebbenden.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI behorend bij de zaak met zaaknummer C/03/300446 / JE RK 21-2602, ingekomen bij de griffie op 30 december 2021;
- de aanvullende stukken van de GI, ingekomen bij de griffie op 4 januari 2022.
Ter mondelinge behandeling van 7 januari 2022 heeft de kinderrechter de zaken gezamenlijk, maar niet gevoegd, en met gesloten deuren behandeld, waar zijn gehoord: - [minderjarige] , die apart is gehoord; - de vader;
- de moeder;- twee vertegenwoordigsters van de GI.
2De nadere feiten
Tot aan het moment waarop de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing is verleend heeft [minderjarige] middels een gedoogconstructie bij de moeder verbleven. [minderjarige] staat nog steeds ingeschreven bij de moeder, maar verblijft momenteel feitelijk, middels een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing, bij Reflex van Xonar.
3Het standpunt van de verzoeker
3.1.
Het verzoek behorend bij de zaak met zaaknummer C/03/300355 / JE RK 21-2582
De GI heeft bij gelegenheid van het horen van de belanghebbenden het verzoek gehandhaafd voor de resterende termijn, aldus voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt tevens om dit verzoek uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de GI dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] of tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid. [minderjarige] heeft tot september 2021 bij de vader gewoond. Tussen [minderjarige] en de vader bestonden oplopende spanningen waardoor de situatie is geëscaleerd. De vader was niet meer in staat om [minderjarige] thuis te ontvangen zodat [minderjarige] in september 2021 bij de moeder is gaan wonen. Omdat de moeder geen gezag heeft over [minderjarige] is de verblijfplaats bij de moeder middels een gedoogconstructie en onder strikte voorwaarden toch mogelijk gemaakt. Een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder behoorde niet tot de mogelijkheden vanwege eerdere ervaringen met de moeder waarbij de moeder heeft laten zien rechten te verbinden aan de machtiging die destructief werken voor [minderjarige] . Een gedoogconstructie bij de moeder voor een korte periode was in het belang van [minderjarige] en was het meest wenselijk. Op deze manier was er ook meer zicht op [minderjarige] , kon er worden geprobeerd om met de moeder samen te werken en kon er in de tussentijd meer duidelijkheid worden verkregen over een mogelijke observatieplaatsing van [minderjarige] binnen de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Een uithuisplaatsing in een crisisopvang, wat ook tot de mogelijkheden behoorde, was destijds niet in het belang van [minderjarige] gelet op haar persoonlijke problematiek.
De voorwaarden die zijn gekoppeld aan de gedoogconstructie zijn noodzakelijk vanwege eerdere ervaringen met de moeder waarbij zij hulpverlening buiten de deur hield. In de eerste periode dat [minderjarige] bij de moeder woont, wordt gezien dat [minderjarige] meer opbloeit en haar persoonlijke verzorging verbetert. In de laatste weken voor indiening van het verzoekschrift zijn de zorgen over [minderjarige] echter weer toegenomen. Zo gaat [minderjarige] bijvoorbeeld al weken niet naar school, heeft zij zorgelijke uitlatingen gedaan rondom de dood en is zij niet meer bereikbaar voor de hulpverlening en de GI. Er zijn ook zorgen over haar gemoedstoestand waarbij [minderjarige] bijvoorbeeld zichzelf kan isoleren, geen sociale contacten heeft en zichzelf verwaarloost. Niet alleen over [minderjarige] maar ook over de moeder bestaan zorgen vanwege de persoonlijke problematiek van de moeder. Door de persoonlijke problematiek is de moeder bijvoorbeeld onvoorspelbaar in haar gedrag en kan zij haar emoties niet reguleren. Door alle toenemende zorgen is besloten om de gedoogplek bij de moeder met onmiddellijke ingang te beëindigen. Het is niet mogelijk om [minderjarige] terug bij de vader te laten wonen nu zij elkaar sinds september 2021 niet meer hebben gezien en de onderlinge relatie eerst moet worden hersteld. Zowel de vader als [minderjarige] vindt het nu geen goed idee dat [minderjarige] terug bij de vader gaat wonen zodat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is. Inmiddels is ook te zien dat [minderjarige] bij Reflex meer rust heeft gekregen waardoor het al een stuk beter met haar gaat.
3.2.
Het verzoek behorend bij de zaak met zaaknummer C/03/300446 / JE RK 21-2602
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van drie maanden in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De GI heeft haar verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van 3 maanden, behorend bij zaak met zaaknummer C/03/300446 / JE RK 21-2602 ingetrokken omdat er eerder een vergelijkbaar verzoek is ingediend in de zaak met zaaknummer C/03/300355 / JE RK 21-2582.
4Het standpunt van de belanghebbenden
4.1.
De vader stemt in met het verzoek. Hij vindt het moeilijk dat [minderjarige] niet bij hem kan wonen, maar een uithuisplaatsing is noodzakelijk vanwege de zorgen over [minderjarige] . De vader vindt het belangrijk dat er in een observatieperiode wordt gekeken naar de mogelijke behandeling of therapie voor [minderjarige] . Vanwege de depressie van [minderjarige] zakt zij steeds verder weg in haar eigen problematiek waardoor zij zich steeds meer isoleert van anderen. Zo praat zij nauwelijks met anderen, [minderjarige] kropt alles op en sluit zichzelf op haar kamer op. De vader heeft een tijd geleden ook ontdekt dat [minderjarige] zichzelf snijdt. De vader is van mening dat behandeling van [minderjarige] uiterst noodzakelijk is. Hij hoopt dat [minderjarige] in de weekenden bij hem kan zijn, maar als dat niet gaat vanwege plaatsing op een gesloten groep dan vindt de vader dat ook goed.
4.2.
De moeder stemt in met het verzoek.
Feiten
De verzochte maatregel leidt onmiskenbaar tot inmenging in het family life van de moeder en [minderjarige] . Dat family life tussen de moeder en [minderjarige] is in de maanden september – december 2021 verdiept en uitgebreid ten opzichte van de periode daarvoor, toen er sprake was van structurele en regelmatige omgang tussen moeder en dochter. Maar die uitbreiding was van tijdelijke aard, gebonden aan voorwaarden, beoogde de moeder juist geen recht op het, anders dan tijdelijk, verzorgen en opvoeden van [minderjarige] te geven en liet het bestaande recht op omgang van de moeder met [minderjarige] aldus in tact. Op basis hiervan komt de kinderrechter tot de conclusie dat de moeder door het verzoek en de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet rechtstreeks in haar belangen is of kan worden geraakt. Met andere woorden de moeder is geen belanghebbende in deze procedure en wordt als informant aangemerkt.
6.2.
De intrekking van het verzoek in de zaak met nummer C/03/300446 / JE RK 21-2602
De GI heeft het verzoek in deze zaak op de zitting ingetrokken. Zolang de rechtbank geen beschikking heeft gegeven, bestaat de mogelijkheid voor de GI om haar verzoek in te trekken. De intrekking heeft dan tot gevolg dat het verzoek niet meer verder kan worden onderzocht (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6482). Gelet daarop zal de kinderrechter het specifieke verzoek van de GI, wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden, afwijzen.
6.3.
De machtiging tot uithuisplaatsing (zaaknummer C/03/300355 / JE RK 21-2582)
De kinderrechter heeft de belanghebbenden gehoord naar aanleiding van de beschikking van 28 december 2021 en dient thans een beslissing te nemen over de resterende termijn van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Op grond van artikel 1:265b Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat er zorgen zijn over het welzijn van [minderjarige] . Zo heeft zij depressieve klachten, heeft [minderjarige] zorgwekkende uitlatingen gedaan over de dood en isoleert zij zichzelf van haar omgeving. De ouders hebben geprobeerd om de zorgen over [minderjarige] zelfstandig onder controle te krijgen, maar dat is niet gelukt. De gedoogconstructie van [minderjarige] bij de moeder heeft niet gewerkt omdat [minderjarige] en de moeder zich niet aan de gemaakte afspraken hebben gehouden waardoor de zorgen over [minderjarige] groter zijn geworden, terwijl niemand meer zicht op [minderjarige] had en er ook niets aan die zorgen werd gedaan. [minderjarige] heeft behandeling en/of therapie nodig voor haar depressieve klachten en haar relatie met de vader moet worden hersteld. Ook moet [minderjarige] kunnen toekomen aan haar eigen ontwikkeling. Het is belangrijk dat zij rust en tijd krijgt om aan zichzelf te werken. In de korte periode dat [minderjarige] bij Reflex verblijft, zien alle betrokkenen dat er sprake is van een kleine positieve ontwikkeling. [minderjarige] geeft zelf ook aan dat het sinds de uithuisplaatsing al iets beter met haar gaat en dat zij minder last heeft van haar depressieve klachten. Het is voor iedereen duidelijk dat beide ouders momenteel niet in staat zijn om voor [minderjarige] te zorgen ondanks de inspanningen die zij hebben geleverd. De ouders kunnen [minderjarige] op dit moment niet bieden wat [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] heeft ook verklaard dat het beter is om nu niet terug te gaan naar een van de ouders. Een uithuisplaatsing is dan ook onvermijdelijk.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs toewijzen aansluitend aan het einde van de termijn van de spoedmachtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling, aldus tot 17 mei 2022.
Dictum
De kinderrechter:
verleent, in de zaak met zaaknummer C/03/300355 / JE RK 21-2582, met ingang van 11 januari 2022 een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs voor de duur van de ondertoezichtstelling, aldus tot 17 mei 2022;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het verzoek van de GI in de zaak met zaaknummer C/03/300446 / JE RK 21-2602 af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, in tegenwoordigheid van
mr. D.C.L.L. Bosch, als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2022 en op schrift gesteld op 20 januari 2022.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.