Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-05-02
ECLI:NL:RBGEL:2025:11910
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,986 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:11910 text/xml public 2026-03-30T10:16:32 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-05-02 05.187896.24 05.079228.24 05.170532.24 05.289277.24 05/410481.24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11910 text/html public 2026-03-30T09:11:47 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:11910 Rechtbank Gelderland , 02-05-2025 / 05.187896.24 05.079228.24 05.170532.24 05.289277.24 05/410481.24 jeugdstrafrecht RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05/187896-24, 05/079228-24 (ttz.gevoegd), 05/170532-24 (ttz.gevoegd), 05/289277-24 (ttz.gevoegd), 05/410481-24 (ttz.gevoegd) Datum uitspraak : 2 mei 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats]. raadsman: mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat in Nijmegen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 april 2025 achter gesloten deuren. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Onder parketnummer 05/079228-24: hij op of omstreeks 13 februari 2024 te Wijchen, gemeente Wijchen, openlijk, te weten op het stationsplein te Wijchen, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 1], door die [aangever 1]: - een of meermalen tegen zijn lichaam te duwen en/of - een of meermalen tegen zijn gezicht en/of zijn rug, althans zijn lichaam, te slaan en/of te stompen en/of - een of meermalen tegen zijn benen en/of zijn bovenlichaam en/of zijn hoofd, althans zijn lichaam, te schoppen; Onder parketnummer 05/170532-24: hij op of omstreeks 13 mei 2024 te Zutphen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een blikje Fernades en/of een flesje Arizona icetea, ter waarde van 2,38 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, te Zutphen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Onder parketnummer 05/187896-24: hij, op of omstreeks 7 juni 2024 te Wijchen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een snor-/bromfiets (gekentekend [kenteken]), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] en/of de ouders/vader van die [aangever 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - achter die [aangever 2] aan gerend en/of gelopen en/of - voor voornoemde snor-/bromfiets waarop [aangever 2] zat gestaan en/of - die [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ga van die scooter af want die is van mijn vriend" en/of "Doe dat maar wel want ik heb een mes en/of wapen bij me" en/of "Doe dat maar wel anders steek ik je in je nek" en/of "Als je niet luistert dan haal ik een vriend en/of vrienden en/of een groep erbij met een pistool", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - die [aangever 2] bij zijn keel/nek, althans het lichaam, vastgehouden en/of vastgepakt en/of vastgegrepen en/of - de sleutel van voornoemde snor-/bromfiets gepakt en/of vastgehouden en/of uit het contact slot gehaald en/of - voornoemde snor-/bromfiets vastgepakt en/of vastgehouden en/of afgepakt en/of meegenomen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 7 juni 2024 te Wijchen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een snor-/bromfiets (gekentekend [kenteken]), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 2] en/of de ouders/vader van die [aangever 2] en/of een derde toebehoorde(n) immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - achter die [aangever 2] aan gerend en/of gelopen en/of - voor voornoemde snor-/bromfiets waarop [aangever 2] zat gestaan en/of - die [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ga van die scooter af want die is van mijn vriend" en/of "Doe dat maar wel want ik heb een mes en/of wapen bij me" en/of "Doe dat maar wel anders steek ik je in je nek" en/of "Als je niet luistert dan haal ik een vriend en/of vrienden en/of een groep erbij met een pistool", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of - die [aangever 2] bij zijn keel/nek, althans het lichaam, vastgehouden en/of vastgepakt en/of vastgegrepen en/of - de sleutel van voornoemde snor-/bromfiets gepakt en/of vastgehouden en/of uit het contact slot gehaald en/of - voornoemde snor-/bromfiets vastgepakt en/of vastgehouden en/of afgepakt en/of meegenomen; Onder parketnummer 05/289277-24: hij op of omstreeks 24 augustus 2024 te Voorst, een jas en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking; Onder parketnummer 05/410481-24: hij op of omstreeks 28 december 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever 4] (werkzaam als apirant bij de Eenheid Oost-Nederland), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een bromfiets en/of een scooter al snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of zonder te remmen is afgereden/ingereden op die [aangever 4], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 28 december 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, [aangever 4] (werkzaam als apirant bij de Eenheid Oost-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een bromfiets en/of een scooter al snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of zonder te remmen in te rijden en/of af te rijden op die [aangever 4]. Verdachte heeft meerdere dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt alle feiten op deze dagvaardingen gevoegd. 2 Ontvankelijkheid openbaar ministerie (parketnummer 05/410481-24) Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van verdachte in de zaak onder parketnummer 05/410481-24. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het geweld dat de politie tegen verdachte heeft toegepast onverantwoord was. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer onvoldoende onderbouwd is. De beoordeling door de rechtbank Vooropgesteld moet worden dat indien binnen de door art.
Volledig
359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, de rechter moet beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Van de verdediging mag worden verlangd, als zij een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van die bepaling vermelde factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. De eerste factor is “het belang dat het geschonden voorschrift dient”. De tweede factor is “de ernst van het verzuim”. De derde factor is “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt”. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533). De raadsman heeft weliswaar niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit maar heeft dit betoog niet gemotiveerd aan de hand van voormelde factoren. Het betoog van de raadsman blijft daarom verder onbesproken. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte. 3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen aangever [aangever 1] (parketnummer 05/079228-24). Ook de diefstal van twee drankjes uit een supermarkt kan bewezen worden, nu verdachte dit feit heeft bekend (parketnummer 05/170532-24). Ten aanzien van de diefstal van de scooter heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de diefstal met geweld kan worden bewezen, maar dat van medeplegen geen sprake is (parketnummer 05/187896-24). Verder kan bewezen worden dat verdachte met een ander geld heeft gestolen uit een auto (parketnummer 05/289277-24). Van de strafverzwarende omstandigheid dat de auto is opengebroken moet verdachte worden vrijgesproken, omdat de auto op een kier stond. Ten aanzien van parketnummer 05/410481-24 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit, de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, bewezen kan worden. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van de openlijke geweldpleging tegen aangever [aangever 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, waarbij hij wel de opmerking heeft gemaakt dat verdachte aangever niet in het gezicht heeft geschopt, dat aangever zou zijn begonnen met dreigen en dat aangever een medeverdachte heeft vastgepakt (parketnummer 05/079228-24). Ook ten aanzien van de diefstal uit de supermarkt (parketnummer 05/170532-24) en de diefstal van de scooter met geweld (parketnummer 05/187896-24) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de diefstal van het geld heeft de raadsman erop gewezen dat de verklaring van verdachte afwijkt van die van de medeverdachte en dat, afgaande op de verklaring van verdachte, verdachte eerder een heler is dan een steler. Nu dit niet ten laste is gelegd dient vrijspraak te volgen (parketnummer 05/289277-24). Tot slot heeft de raadsman vrijspraak bepleit van zowel de primair tenlastegelegde de poging tot zware mishandeling als de subsidiaire variant bedreiging (parketnummer 05/410481-24). De beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van parketnummers 05/079228-24 en 05/170532-24: Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen ten aanzien van parketnummer 05/079228-24: - het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 33-34; - het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] p. 38-39; - het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, p. 78; - het proces-verbaal van aanvullend verhoor minderjarige verdachte, p. 83. Verdachte heeft bekend dat hij en zijn medeverdachten geweld hebben gebruikt tegen aangever [aangever 1]. Hij heeft verklaard dat hij de aangever in het gezicht heeft geslagen. Verder heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij niet wil zeggen wie er tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. Ten aanzien van het schoppen tegen het hoofd overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Hoewel uit de bewijsmiddelen niet blijkt wie tegen het hoofd van aangever [aangever 1] heeft geschopt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in ieder geval door een van de leden van de groep tot wie verdachte behoorde tegen het hoofd van aangever is geschopt. Uit de bekennende verklaring van verdachte blijkt dat hij geweld heeft gebruikt tegen de aangever. Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij door te handelen als hiervoor vermeld, opzet heeft gehad op de tenlastegelegde geweldshandelingen, ook die waarvan niet kan worden vastgesteld door wie ze zijn begaan. Dat de aangever zou zijn begonnen door een van de medeverdachten vast te pakken en te dreigen met een mes, zoals door de verdediging betoogd, blijkt niet uit het dossier. De rechtbank schuift dit verweer terzijde. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Bewijsmiddelen ten aanzien van parketnummer 05/170532-24: - het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] namens de Albert Heijn te Zutphen, p. 6-7; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 april 2025. Ten aanzien van parketnummer 05/187896-24 : Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat hij op 7 juni 2024 in Wijchen met een vriend op de scooter van zijn vader reed. Er kwamen drie jongens op hen af. De jongens gingen voor hem staan en hielden hem tegen. Eén van die jongens zei: "ga van die scooter af want die is van mijn vriend". [aangever 2] zei dat hij dit niet ging doen, omdat de scooter van zijn vader was. Een van de jongens zegt vervolgens: “Doe dat maar wel want ik heb een mes bij me. Doe dat maar wel anders steek ik je in je nek”. Aangever [aangever 2] kent een medeverdachte uit de wijk. [aangever 2] heeft verklaard dat een medeverdachte hem bij zijn nek pakte. Een jongen pakte de sleutels uit het contactslot en zei dat hij de scooter ging testen en dat als aangever niet zou luisteren, hij een vriend erbij zou halen met een pistool. Vervolgens reed de jongen weg met de scooter. Aangever heeft verklaard dat verdachte, die hij herkent als de jongen met het zwarte trainingspak, het meeste deed. Verdachte pakte de sleutels uit de scooter. Hij dreigde veel. Hij dreigde ook dat hij een mes zou gebruiken. Hij heeft aangever vaak geduwd. Dit was de jongen die zijn scooter afpakte en ermee weg reed. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat verdachte de jongens op de scooter tegenhield. Toen ze niet van de scooter af wilden gaan, zei verdachte tegen de jongens: ‘ik heb een mes bij me’, ‘ik steek je in je nek’ en ‘ik haal een vriend erbij met een vuurwapen’. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij voor de scooter is gaan staan. Een medeverdachte zei tegen de jongens op de scooter dat ze af moesten stappen. De sleutel is uit het contact gehaald. Daarna is verdachte op de scooter weggereden. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld. Het geweld bestond onder meer uit het duwen van aangever, zodat hij van de scooter afstapte. Daarnaast is gedreigd met geweld door te dreigen met (het steken met) een mes en dat een vriend erbij zou worden gehaald die een vuurwapen heeft.
Volledig
Ten aanzien van parketnummer 05/289277-24: [aangever 3] heeft aangifte gedaan van diefstal van een vest en contant geld uit zijn auto. Op 24 augustus 2024 heeft hij zijn auto uitgeleend aan een collega, getuige [getuige 2], zodat die met verdachte en betrokkene [betrokkene], twee cliënten van de woongroep waar zij beide werkzaam zijn, naar een tankstation kon gaan. Op de grond aan de passagierszijde lag zijn vest met daarin 700 euro aan contant geld. Diezelfde dag, om 19.00 uur, ging het alarm van zijn auto af. Hij is met getuige [getuige 2] naar zijn auto gegaan en zag dat het vest weggenomen was. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij samen met verdachte en betrokkene [betrokkene] gebruik mocht maken van de auto van aangever [aangever 3]. Verdachte zat voorin als bijrijder, betrokkene [betrokkene] zat achter verdachte. Toen zij instapten lag er een jasje op de bijrijdersstoel. Verdachte heeft dit jasje op de grond gelegd, waarna hij is gaan zitten. Na een bezoek aan het tankstation zijn zij teruggegaan naar de woongroep. Rond 19.00 uur wilden verdachte en betrokkene [betrokkene] naar buiten. Op een gegeven moment ging het alarm van de auto van aangever [aangever 3] af. Getuige [getuige 2] is samen met aangever naar de auto gerend. Ze zagen dat het jasje was verdwenen. Getuige [getuige 3] is een bewoner van de woongroep, waar ook verdachte verblijft. Hij heeft verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat hij en betrokkene [betrokkene] in de auto zaten met een begeleider om sigaretten te halen. Verdachte zag het vest in de auto liggen en zag dat hier geld in zat. Toen zij terugkwamen op het terrein, liet verdachte de deur aan de bijrijderkant van de auto op een kier staan, zodat de deur niet op slot ging. Later ging verdachte en betrokkene [betrokkene] terug naar de auto en haalden het vest uit de auto. Toen ging het alarm af. Getuige [getuige 3] heeft gezien dat ze aan kwamen rennen en buiten adem waren. Later die avond lieten verdachte en betrokkene [betrokkene] het geld zien aan getuige [getuige 3]. Ze hadden allebei ongeveer 300 euro. Getuige [getuige 3] hoorde dat verdachte het geld in een sok in een luchtkanaal van de WC ruimte heeft verstopt. Getuige [getuige 3] heeft dit verteld aan de begeleiders. Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat er 200 euro is aangetroffen in het luchtkanaal van de wc. Betrokkene [betrokkene] is als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat verdachte via zijn telefoon via snapchat liet zien dat er geld in die jas zat. Verdachte had de autodeur open laten staan op een kiertje. Om 19.00 uur liepen ze naar de auto en pakten ze de jas uit de auto. Er zat ongeveer 600 euro in de jas. Ze hebben het geld onderling verdeeld. Verdachte heeft ontkend dat hij het geld heeft gestolen en verklaard dat betrokkene [betrokkene] dit heeft gedaan. Verdachte zou alleen 50 euro hebben gekregen in ruil voor zijn zwijgen. De rechtbank gaat niet mee in dit door de verdachte geschetste alternatieve scenario. Het was immers verdachte die op de bijrijderstoel van de auto zat en zodoende zicht had op de jas met het geld. Dit ondersteunt de verklaring van betrokkene [betrokkene] dat verdachte het initiatief voor de diefstal heeft genomen. De verklaring van getuige [getuige 3] wordt ondersteund door het aantreffen van (een deel van) de buit in het luchtkanaal. Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de jas met daarin 600 euro uit de auto heeft gestolen. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte hierbij de auto met braak of verbreking heeft opengemaakt, zodat verdachte van deze strafverzwarende omstandigheid zal worden vrijgesproken. Ten aanzien van parketnummer 05/410481-24: Aangever [aangever 4] heeft verklaard dat hij werkzaam was als politieagent toen hij op 28 december 2024 in Nijmegen een scooter zag rijden met daarop twee personen. De bijrijder had geen helm op. Aangever [aangever 4] wilde het voertuig stil houden, om een proces-verbaal aan te zeggen. De bestuurder stapte van de scooter af, waarna de bijrijder zichzelf naar voren schoof zodat hij de bromfiets kon besturen. De scooter reed weg van de aangever, maar keerde verderop om en reed terug in de richting van aangever. Aangever hoorde dat de motor van de scooter veel toeren maakte en vaart maakte. Aangever gaf vervolgens een stopteken, terwijl hij op het midden van de weg stond. Vervolgens maakte aangever zijdelingse verplaatsingen, maar de scooter volgde elke beweging. Hierop pakte aangever zijn taser, richtte deze op de bestuurder van de scooter en riep meerdere keren dat verdachte moest stoppen. Desalniettemin reed verdachte met een snelheid van 25 km per uur op aangever af. Aangever moest een grote sprong opzij maken om een aanrijding door de scooter te vermijden. Terwijl aangever opzij sprong drukte hij de taser af. Een collega-politieagent van aangever zat samen met aangever in een opvallend dienstvoertuig op het moment dat ze verdachte op de scooter zien rijden. Terwijl verdachte bij aangever wegreed, reed de politieambtenaar op een parallelweg met verdachte mee. De politieambtenaar zag dat verdachte omkeerde. Op het moment dat hij zijn eigen dienstvoertuig had gekeerd, zag hij dat aangever aan de kant moest springen, omdat verdachte recht op hem af kwam rijden. De politieambtenaar had sterk het vermoeden dat wanneer aangever niet aan de kant was gesprongen, verdachte hem had aangereden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust met zijn scooter in de richting van de politieagent is gereden. Dit leidt de rechtbank af uit de verklaring van aangever dat hij zich een aantal keer heeft verplaatst, maar dat verdachte hem bleef volgen. Uit het dossier volgt verder dat verdachte ook na het gegeven stopteken in de richting van aangever bleef rijden. Het is niet tot een aanrijding gekomen, omdat de politieagent op tijd is weggesprongen. Het verweer van verdachte dat dit niet aan zijn schuld is te wijten, omdat hij door het gebruik van het stroomstootwapen door de aangever geen controle meer had over het voertuig, verwerpt de rechtbank. Uit de aangifte blijkt dat de taser pas op het allerlaatste moment is ingezet. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling. Voor de beantwoording van deze vraag moet worden beoordeeld of sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de zware mishandeling, in die zin dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg (zwaar lichamelijk letsel) zal intreden. In het dossier bevinden zich onvoldoende gegevens of aanknopingspunten om het (voorwaardelijk) opzet uit af te kunnen leiden. Het enkele feit dat verdachte met zijn scooter, zonder vaart te minderen, op aangever afreed, is onvoldoende voor het aannemen van voorwaardelijk opzet omdat de rechtbank onvoldoende zicht heeft gekregen op de situatie ter plaatse. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling. Verdachte heeft door met een scooter recht op een persoon af te rijden zich zodanig gedragen dat bij aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte aangever ging aanrijden, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. 4 De bewezenverklaring De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.
Volledig
Bewezen kan worden dat: Onder parketnummer 05/079228-24: hij op of omstreeks 13 februari 2024 te Wijchen, gemeente Wijchen, openlijk, te weten op het stationsplein te Wijchen, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 1], door die [aangever 1]: - een of meermalen tegen zijn lichaam te duwen en /of - een of meermalen tegen zijn gezicht en /of zijn rug, althans zijn lichaam, te slaan en/of te stompen en /of - een of meermalen tegen zijn benen en /of zijn bovenlichaam en /of zijn hoofd , althans zijn lichaam, te schoppen; Onder parketnummer 05/170532-24: hij op of omstreeks 13 mei 2024 te Zutphen tezamen en in vereniging met een of meer ander en , althans alleen, een blikje Fernades en /of een flesje Arizona icetea, ter waarde van 2,38 euro, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan Albert Heijn, te Zutphen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde ( n ) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Onder parketnummer 05/187896-24, primair: hij, op of omstreeks 7 juni 2024 te Wijchen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een snor-/bromfiets (gekentekend [kenteken]), in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan [aangever 2] en/of de ouders /vader van die [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde (n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan , vergezeld en/of gevolgd van geweld en /of bedreiging met geweld tegen die [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - achter die [aangever 2] aan gerend en/of gelopen en /of - voor voornoemde snor-/bromfiets waarop [aangever 2] zat gestaan en /of - die [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ga van die scooter af want die is van mijn vriend" en /of "Doe dat maar wel want ik heb een mes en/of wapen bij me" en /of "Doe dat maar wel anders steek ik je in je nek" en /of "Als je niet luistert dan haal ik een vriend en/of vrienden en/of een groep erbij met een pistool" , althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en /of - die [aangever 2] bij zijn keel/nek, althans het lichaam, vastgehouden en/ of vastgepakt en/ of vastgegrepen en /of - de sleutel van voornoemde snor-/bromfiets gepakt en /of vastgehouden en /of uit het contact slot gehaald en /of - voornoemde snor-/bromfiets vastgepakt en /of vastgehouden en/of afgepakt en /of meegenomen; Onder parketnummer 05/289277-24: hij op of omstreeks 24 augustus 2024 te Voorst, een jas en /of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan [aangever 3], in elk geval aan een ander toebehoorde ( n ) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen , terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking ; Onder parketnummer 05/410481-24, subsidiair: hij op of omstreeks 28 december 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, [aangever 4] (werkzaam als apirant bij de Eenheid Oost-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een bromfiets en/of een scooter al snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of zonder te remmen in te rijden en /of af te rijden op die [aangever 4]. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Onder parketnummer 05/079228-24: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon; Onder parketnummer 05/170532-24: Diefstal door twee of meer verenigde personen; Onder parketnummer 05/187896-24, primair: Diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; Onder parketnummer 05/289277-24: Diefstal; Onder parketnummer 05/410481-24, subsidiair: Bedreiging met zware mishandeling. 6 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 7 De strafbaarheid van de verdachte Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar. 8 De motivering van de straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke jeugddetentie van 2 maanden gevorderd met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming zijn geadviseerd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een lagere straf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist, gelet op de door hem bepleite vrijspraken. De beoordeling door de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met het uittreksel Justitiële Documentatie van 14 maart 2025 (het strafblad) en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 4 april 2025. In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Samen met twee anderen heeft verdachte zonder aanleiding en in het openbaar geweld tegen een voor hem onbekende man gebruikt. Deze man had samen met zijn vriendin en andere familieleden carnaval gevierd. Door hun handelen hebben zij pijn en letsel bij de aangever veroorzaakt en zijn lichamelijke integriteit op grove wijze geschonden. De vriendin van aangever heeft van dit geweld getuige moeten zijn. Dergelijk zinloos geweld heeft in de eerste plaats op aangever, zijn vriendin maar ook op de rest van de samenleving impact en leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid. Verdachte heeft verder samen met een ander twee drankjes gestolen uit een supermarkt. Dat is - ook wanneer een dergelijke diefstal slechts een geringe waarde vertegenwoordigt - een delict dat overlast oplevert bij de benadeelde winkelier. Daarnaast heeft verdachte samen met een ander geld van zijn begeleider gestolen. Hij heeft met dit feit laten zien dat hij weinig respect heeft voor andermans goederen. Ook heeft verdachte in vereniging een scooter weggenomen, waarbij geweld is gebruikt en is gedreigd met geweld. Verdachte heeft daarin het voortouw genomen en het meeste geweld gebruikt. Dit is voor de aangever, die op dat moment 14 jaar oud was, en zijn nog jongere bijrijder een angstige gebeurtenis geweest. Tot slot is verdachte met een scooter recht op een politieagent ingereden. Hij heeft met zijn rijgedrag een politieambtenaar angst aangejaagd. Het feit dat het niet tot een aanrijding kwam, is een omstandigheid die niet aan verdachte te danken is, maar uitsluitend aan de reactie van de betreffende politieagent. Nog kwalijker is het dat de verdachte dit deed terwijl de betreffende agent hem een stopteken had gegeven en aldus bezig was met het uitoefenen van zijn publieke taak. Ook was verdachte op dat moment onder invloed van THC.
Volledig
Strafblad Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in 2021 veroordeeld is voor bedreiging en het voorhanden hebben van een steekwapen, waar hij een werkstraf voor heeft gekregen. De op te leggen straf Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming komt naar voren dat er een hoog recidiverisico is. Verdachte heeft een beperkt betrokken netwerk, heeft geen volledige en structurele daginvulling, heeft contact met antisociale jongeren, is beïnvloedbaar en er is sprake van veelvuldig drugsgebruik. Om het recidiverisico te verminderen moet onder andere worden ingezet op het aanleren van vaardigheden en het beter leren omgaan met emoties. De Raad vindt een intensieve begeleiding door de jeugdreclassering daarvoor aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het aantal en de ernst van de hierboven genoemde (gewelds)delicten de oplegging van (al dan niet gedeeltelijk) onvoorwaardelijke jeugddetentie. Verdachte heeft een aantal weken gedetineerd gezeten in het kader van de voorlopige hechtenis. Toch heeft verdachte de laatste twee delicten gepleegd tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis. Het feit dat verdachte ter zitting van 18 april 2025 in eerste instantie niet is verschenen en na het afgeven van een bevel medebrenging door de politie moest worden opgehaald, pleit ook niet in zijn voordeel. Dat verdachte na een onderbreking van de zitting uit eigen beweging terugkwam voor het restant is daarentegen hoopgevend. Het opleggen van onvoorwaardelijke jeugddetentie acht de rechtbank - mede gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de eis van de officier van justitie - niet passend. Om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van een strafbaar feit acht de rechtbank, naast een werkstraf van 120 uren, een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 weken met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. Aan deze voorwaardelijke straf zal de rechtbank het forse pakket bijzondere voorwaarden verbinden dat de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd. Verdachte heeft op de zitting verklaard bereid te zijn zich aan alle geadviseerde voorwaarden te houden. Hoewel er gelet op de persoon van de verdachte, tegen de achtergrond van zijn belaste voorgeschiedenis, rekening mee moet worden gehouden dat het traject met vallen en opstaan zal gaan, is het aan verdachte om te laten zien dat hij meent wat hij zegt door daadwerkelijk mee te werken aan de geboden hulp en begeleiding en niet langer met politie en justitie in aanraking te komen. De straf is lager dan door de officier van justitie geëist, nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van de poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en, in plaats daarvan, de bedreiging met zware mishandeling bewezen acht. 9 De beoordeling van de civiele vorderingen De vordering van benadeelde partij [aangever 1] De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1 onder parketnummer 05/079226-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook heeft hij hoofdelijke toewijzing gevorderd. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘eigen schuld’ in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. Wegens het ontbreken van een diagnose moet het gevorderde bedrag worden gematigd. De beoordeling door de rechtbank Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de immateriële schade die de benadeelde partij heeft geleden het gevolg is van het strafbare feit dat tegen hem was gericht. Benadeelde heeft lichamelijk letsel opgelopen, te weten hoofdpijn, blauwe plekken, concentratieproblemen en vermoeidheid, waardoor hij drie maanden niet heeft kunnen werken. Dit is aan verdachte en zijn medeverdachte(n) toe te rekenen. Van eigen schuld van benadeelde is niet gebleken. De rechtbank zal voor het vaststellen van de immateriële schade gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de immateriële schadevergoeding op een bedrag van € 900,00 vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank oordeelt dat het onwenselijk is dat verdachte kan worden aangesproken voor het gehele bedrag. In plaats van de door de officier van justitie gevorderde hoofdelijke veroordeling zal de rechtbank daarom de vordering tot een derde (de rechtbank gaat uit van twee medeverdachten) van bovengenoemd bedrag toewijzen en verdachte veroordelen tot het betalen van een derde van het toegewezen bedrag, te weten € 300,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024. Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. In verband met de leeftijd van verdachte zal geen gijzeling worden opgelegd. De vordering van benadeelde partij [aangever 2] De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met het feit onder parketnummer 05/187909-24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.452,- aan materiële schade, € 1.000,- aan smartengeld en € 3.000,- voor nader te onderbouwen schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een contactverbod verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de materiële schade en de stelpost. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd dat een bedrag van € 500,- kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook heeft hij hoofdelijke toewijzing gevorderd. De officier van justitie vindt een contactverbod met de benadeelde niet nodig. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen. Doordat de offerte van de schade pas veel later is opgemaakt, blijft onduidelijk wat er in de tussentijd met de scooter is gebeurd. Ook ten aanzien van de stelpost heeft de raadsman niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering bepleit. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De beoordeling door de rechtbank De benadeelde heeft gesteld dat er ten gevolge van de diefstal met geweld schade, bestaande uit lakschade, is ontstaan aan de scooter. Ter onderbouwing is een factuur/offerte overgelegd die dateert van ruim vijf maanden na het bewezenverklaarde. Uit het dossier blijkt niet dat op een eerder moment melding is gedaan van de schade. Ongeacht de redenen voor dit tijdsverloop kan hierdoor niet meer worden vastgesteld dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de onrechtmatige daad. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Volledig
De stelpost (nader te onderbouwen schade) ziet, blijkens de toelichting, op schade die nog niet is gevorderd, dan wel niet bekend, dan wel toekomstig is. Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij kan daarom ook ten aanzien van deze stelpost niet in de vordering worden ontvangen. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de diefstal met geweld en bedreiging met geweld is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 500,- vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Zoals hierboven overwogen, zal de rechtbank ook deze vordering niet hoofdelijk toewijzen. Ten aanzien van deze vordering zal de rechtbank de vordering tot de helft (de rechtbank gaat uit van een medeverdachte) van bovengenoemd bedrag toewijzen en verdachte veroordelen tot het betalen van de helft van het toegewezen bedrag, te weten € 250,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2024. Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. In verband met de leeftijd van verdachte zal geen gijzeling worden opgelegd. De benadeelde heeft verzocht om een contactverbod op te leggen. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. 10 De beoordeling van het beslag Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de scooter verbeurd wordt verklaard. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De beoordeling door de rechtbank In de zaak met parketnummer 05/410481-24 is de scooter in beslag genomen waarop verdachte reed toen en waarmee hij de bewezenverklaarde bedreiging beging. De rechtbank zal deze scooter (goednummer PL0600-2024606990-1512441), die aan verdachte toebehoort en met behulp waarvan voornoemd feit is begaan verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. 11 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 310, 311, 312, 285 van het Wetboek van Strafrecht. 12 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/410481-24 primair ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen; beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht twee uur in mindering wordt gebracht; veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) weken; bepaalt dat die jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd: - verblijft bij Admodum Zorg en zich houdt aan de aanwijzingen van Admodum Zorg (of soortgelijke instelling), indien en zolang de jeugdreclasseerder dit nodig acht; - een adequate vorm van dagbesteding zoekt en aangaat, indien en zolang de jeugdreclasseerder dit nodig acht; - meewerkt aan diagnostisch onderzoek en de daaruit volgende adviezen (ook met betrekking tot middelengebruik), indien en zolang de jeugdreclasseerder dit nodig acht; - meewerkt aan ambulante hulpverlening door TOP Groep of soortgelijke organisatie, indien en zolang de jeugdreclasseerder dit nodig acht; - meewerkt aan de begeleiding door jeugdreclassering, ook als dat een intensieve vorm zoals 'Straatkracht' inhoudt, indien en zolang de jeugdreclasseerder dit nodig acht; onder de voorwaarden dat verdachte : - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, waaronder de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen; geeft opdracht aan Jeugdbescherming Gelderland, afdeling Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan; heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis; veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald: Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente 1. [aangever 1] parketnummer 05/079226-24) € 300,- 13 februari 2024; 2. [aangever 2] parketnummer 05/187909-24) € 250,- 7 juni 2024. verklaart de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vorderingen; veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil; legt aan verdachte tevens de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de navolgende benadeelde partij(en) te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal jeugddetentie zal kunnen worden toegepast van na te melden duur zonder dat de betalingsverplichting vervalt. Benadeelde partijen Bedrag Gijzeling 1. [aangever 1] parketnummer 05/079226-24) € 300,- 0 dagen ; 2. [aangever 2] parketnummer 05/187909-24) € 250,- 0 dagen . Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen; verklaart verbeurd de snorfiets, merk Piaggio C38, goednummer PL0600-2024606990-1512441. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings, voorzitter tevens kinderrechter, mr. R. Raat en mr. M.C. Gerritsen, kinderrechters, en mr. W.