Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-06-12
ECLI:NL:RBGEL:2024:3540
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,119 tokens
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/424195 / HA ZA 23-384 / 1547
Vonnis van 12 juni 2024
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,2. [eiser 2],
te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. J.W.M. Soentjens te 's-Heerenberg,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] , 2. [gedaagde 2],
te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. K.W.A. Wools te Elst.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 december 2023,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 april 2024, waarin de zaak op verzoek van partijen is aangehouden,
- het rolbericht van 16 april 2024, waarin [gedaagden] vraagt om vonnis.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [eisers] is eigenaar van de woning aan de [adres 1] en [gedaagden] van de woning aan de [adres 2] , beide te [plaats 1] . Tussen de woningen ligt een grindpad dat vanaf de openbare weg (de [straatnaam] ) toegang geeft tot de achterzijde van de percelen van partijen en hun garages. Het grindpad loopt eerst over het smalle deel en wordt ongeveer halverwege breder. Onderstaande afbeelding toont de situatie ter plaatse (productie 5 bij de conclusie van antwoord in conventie). Daarop heeft [gedaagden] in rood arcering aangebracht, maar het grindpad beslaat de gehele ruimte tussen de zijgevels van de beide woningen, zoals ook te zien is onder r.o. 2.3.
Afbeelding 1
2.2.
Bij notariële akte van 14 juli 1995 is een recht van erfdienstbaarheid van uitweg gevestigd ‘om over en weer over een strook grond, gelegen tussen de percelen [adres 1] en [adres 2] , te komen van en te gaan naar de openbare weg “de [straatnaam] ” en de garages/carports’ onder de volgende voorwaarden:
1. De uitweg, die niet zonder schriftelijke toestemming van de eigenaren van het heersend en van het lijdend (dienstbaar) erf zal mogen worden verlegd, zal door de eigenaren en bevoegde gebruikers van het heersend erf mogen worden gebruikt niet alleen als voetpad voor mens en dier, doch tevens als rijweg voor wagens, auto’s, motoren, rijwielen en alle andere vervoermiddelen in de ruimste zin des woords.
De eigenaren en bevoegde gebruikers van het dienstbaar erf zullen zelf ook van de weg op deze wijze gebruik kunnen blijven maken.
2. (...)
3. De weg zal door de eigenaren van de beide erven alleen mogen worden gebruikt op de hierboven sub 1 aangegeven wijze; daarop zullen geen wagens of andere voertuigen of welke andere zaken ook mogen worden geplaatst anders dan voor het directe gebruik van de weg als zodanig, zodat dit gebruik door de eigenaren en bevoegde gebruikers van beide erven ongehinderd zal kunnen plaats hebben.
4. Uitdrukkelijk wordt bepaald dat de erfdienstbaarheid ongewijzigd zal blijven voortbestaan, ook al mocht het heersend erf verder bebouwd, verbouwd, gesplitst of van aard of bestemming worden veranderd, ongeacht de eventueel daardoor veroorzaakte verzwaring voor het dienstbaar erf.
5. Bij overtreding of toerekenbare tekortkoming in de nakoming (...) ten aanzien van een of meer der bepalingen 2 en 3 vermeld, wordt door de overtreder respectievelijk de nalatige ten behoeve van zijn tegenpartij te dier zake een terstond vorderbare boete verbeurd van eenhonderd gulden (...) voor iedere overtreding of niet-nakoming en voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding of niet-nakoming voortduurt. Deze boete zal verschuldigd zijn door het enkele feit der overtreding of niet-nakoming of door het enkel verloop van de bepaalde termijn, zonder dat enige ingebrekestelling zal zijn vereist (...).
2.3.
In 2022 heeft [gedaagden] een schutting geplaatst ter hoogte van de bestrating op het perceel van [eisers] , waardoor het aangezicht van de schutting van [gedaagden] en de garage van [eisers] vanaf de [straatnaam] bezien is zoals op onderstaande afbeelding is weergegeven (productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie):
Afbeelding 2
2.4.
Bij brief van 20 juli 2023 heeft [eisers] [gedaagden] verzocht geen auto’s of andere zaken te plaatsen op de oprit en gewezen op de boete uit de notariële akte, waardoor [eisers] op dat moment een vordering heeft op [gedaagden] ten bedrage van € 15.293,06. Bij e-mail van 27 juli 2023 heeft [gedaagden] geantwoord dat de erfdienstbaarheid niet verbiedt tot parkeren op de uitweg, dat geen sprake is van hinder en dat geen boete is verschuldigd.
2.5.
Partijen zijn niet tot een regeling gekomen, als gevolg waarvan [eisers] onderhavige procedure is gestart.
Geschil
in conventie
3.1.
[eisers] vordert in deze procedure, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat de uitweg door [gedaagden] alleen mag worden gebruikt als uitweg en dat daarop geen wagens of andere voertuigen of welke andere zaken ook mogen worden geparkeerd of anderszins geplaatst, en dat [gedaagden] door dit te doen handelt in strijd met de erfdienstbaarheid;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van verbeurde boetes van € 862,22;
III. [gedaagden] verbiedt na betekening van dit vonnis om wagens, andere voertuigen of welke andere zaken ook – zoals een schutting – te parkeren of anderszins te plaatsen of geplaatst te houden op de uitweg op straffe van een boete van € 500,00 per overtreding en per dag dat deze voortduurt, met een maximum van € 50.000,00;
IV. [gedaagden] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Aan zijn vordering legt [eisers] nakoming van de erfdienstbaarheid ten grondslag. Hij stelt dat [gedaagden] in strijd handelt met de erfdienstbaarheid door daarop auto’s te parkeren en een schutting te plaatsen. Als gevolg van deze overtredingen is [gedaagden] vanaf 20 juli 2023 een boete verschuldigd van € 45,38 per dag, tot aan de dag der dagvaarding opgeteld tot € 862,22.
3.3.
[gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. Hij betwist dat de erfdienstbaarheid hem verbiedt auto’s te parkeren en een schutting te plaatsen, dat hij overlast veroorzaakt en dat hij een boete is verschuldigd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagden] vordert in deze procedure, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
in voorwaardelijke reconventie
onder de voorwaarde en in het geval dat de rechtbank [eisers] volgt in zijn stelling dat [gedaagden] de eigen auto niet mag parkeren vlak voor de schutting aan het einde van het grindpad:
voor recht verklaart dat de uitweg door [eisers] alleen mag worden gebruikt als uitweg en dat daarop geen wagens of andere voertuigen of welke andere zaken ook mogen worden geparkeerd of anderszins geplaatst, en dat [eisers] door dit te doen handelt in strijd met de erfdienstbaarheid;
[eisers] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van verbeurde boetes van € 862,22;
[eisers] verbiedt na betekening van dit vonnis om wagens, andere voertuigen of welke andere zaken ook – zoals een schutting – te parkeren of anderszins te plaatsen of geplaatst te houden op de uitweg op straffe van een boete van € 500,00 per overtreding en per dag dat deze voortduurt, met een maximum van € 50.000,00;
in onvoorwaardelijke reconventie
4. voor recht verklaart dat de huidige houten schutting van [gedaagden] , zoals thans geplaatst aan het eind van het grindpad niet in strijd is met de erfdienstbaarheid;
5. [eisers] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.
3.6.
[gedaagden] stelt dat de erfdienstbaarheid slechts is gevestigd op het deel van de grond dat nodig is om het doel van de erfdienstbaarheid te bereiken, dus enkel op de grond van [gedaagden] die [eisers] nodig heeft om met zijn auto van de garage naar de straat te gaan en andersom. Hij heeft deze grond in rood gearceerd op de hierboven onder r.o. 2.1 weergegeven afbeelding, die spiegelbeeldig ook geldt voor de oprit van [eisers] Partijen hebben de oprit ook altijd zo gebruikt. Volgens [gedaagden] is het daarom toegestaan om de auto achteraan het grindpad te parkeren.
3.7.
[eisers] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Geschil
De uitleg van de erfdienstbaarheid
4.2.
Op grond van artikel 5:73 BW worden de inhoud en de wijze van uitoefening van een erfdienstbaarheid bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in de akte regels daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bestaat er ook dan nog twijfel, dan is beslissend de wijze waarop de erfdienstbaarheid geruime tijd te goeder trouw is uitgeoefend. Bij de uitleg van de akte van vestiging komt het aan op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Toepassing van deze maatstaf leidt tot het volgende.
4.3.
Uit de tekst van de akte blijkt dat een erfdienstbaarheid is gevestigd om te komen van de [straatnaam] naar de garages/carports en omgekeerd en dat deze uitweg loopt tussen de percelen [adres 1] en [adres 2] . Bij de akte is geen kaart gevoegd. Op overgelegde foto’s is te zien dat het grindpad tussen de woningen van partijen over het smalle deel doorloopt tot aan het einde van het brede deel. Aan de linkerkant begint daar de schutting van [gedaagden] , aan de rechterkant de bestrating voor de garage van [eisers] Links van de bestrating, tussen beide percelen in, staat een laag stenen muurtje dat doorloopt tot aan de schutting van [gedaagden] De schutting bevindt zich op gelijke hoogte als het begin van de bestrating, zo hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. Eveneens tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat de garage van [gedaagden] – vanaf de [straatnaam] bezien – achter de schutting is gelegen, volgens [eisers] zo’n vijfentwintig meter verder naar achteren. Deze garage grenst derhalve niet direct aan het grindpad dat tussen beide percelen door loopt. Ter hoogte van de schutting maakt [gedaagden] niet langer gebruik van de tussen beide percelen gelegen strook grond, maar van een eigen weg om zijn verderop gelegen garage te kunnen bereiken. Tussen partijen is niet in geschil dat het muurtje zich niet op de uitweg bevindt; daarvan is ook geen verwijdering gevraagd.
4.4.
Gelet op deze feitelijke situatie is de rechtbank van oordeel dat de erfdienstbaarheid die is gevestigd op het perceel betrekking heeft op het gehele grindpad vanaf de [straatnaam] tussen beide percelen en eindigt ter hoogte van het begin van de bestrating voor de garage van [eisers] en de schutting van [gedaagden] Op de strook grond na het grindpad, dus waarop aan de zijde van [gedaagden] de schutting staat en aan de zijde van [eisers] de bestrating ligt, heeft de erfdienstbaarheid geen betrekking, net zo min als op de eigen weg die [gedaagden] gebruikt om zijn garage te bereiken.
4.5.
In de akte staat dat de uitweg bedoeld is om te komen en gaan van de openbare weg naar de garages/carports en mag worden gebruikt als voetpad en rijweg (lid 1). Op grond van lid 3 mogen op de uitweg geen wagens, voertuigen of andere zaken worden geplaatst anders dan voor dit ‘directe gebruik’ van de weg. Naar het oordeel van de rechtbank impliceert dit dat de gehele uitweg zoals nader omschreven in r.o. 4.4 moet worden vrijgehouden, ook als dat inhoudt dat daarmee een stuk van de uitweg moet worden vrijgehouden waar de andere partij in de regel niet of nauwelijks gebruik van maakt voor het bereiken van diens eigen garage. Het gebruik dient immers ongehinderd plaats te vinden, zodat discussies als de onderhavige worden voorkomen.
4.6.
De uitleg van [gedaagden] , dat de erfdienstbaarheid zich slechts zou uitstrekken tot het punt waar het grindpad breder wordt en de woningen van partijen smaller, vindt aldus geen steun in de akte. [gedaagden] heeft onvoldoende onderbouwd dat het laatste stuk van het grindpad, daar waar het grindpad breder wordt, niet onder de erfdienstbaarheid zou vallen. In de akte is niets bepaald over minimaal benodigde afmetingen voor het maken van de bocht, zodat – anders dan [gedaagden] stelt – de tekst niet zo kan worden uitgelegd dat het parkeren van de auto mag, zolang er maar genoeg ruimte overblijft voor de andere partij. Deze door [gedaagden] gestelde uitzondering leest de rechtbank niet in lid 3. Uit de tekst leidt de rechtbank af dat de nadruk erop ligt dat het gebruik van de uitweg (dus het komen van en gaan naar de openbare weg) ongehinderd moet kunnen plaatsvinden. Deze uitzondering kan ook niet worden gelezen in lid 1, nu ‘in de ruimste zin des woords’ ziet op het type vervoermiddelen en niet op het gebruik van de uitweg voor parkeren. Dat laatste is bovendien expliciet verboden in de akte en kan ook niet anderszins worden ingelezen, zoals [gedaagden] lijkt te doen. De stelling van [gedaagden] , dat voorgaande bewoners van beide woningen ook altijd hun auto’s achteraan het pad hebben geparkeerd, is bovendien betwist door [eisers] [gedaagden] heeft zijn uitleg van de erfdienstbaarheid dan ook onvoldoende onderbouwd.
De vorderingen in conventie
4.7.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de vordering in conventie onder III. zal worden toegewezen, met dien verstande dat het verbod alleen geldt voor de strook grond waarop de uitweg is gelegen zoals nader omschreven in r.o. 4.4. Voor zover [eisers] hiermee ook bedoelt te vorderen dat [gedaagden] zijn schutting moet verwijderen zal de vordering worden afgewezen, nu de erfdienstbaarheid daarop geen betrekking heeft. Ook de door [eisers] gevorderde boete is niet toewijsbaar. In de akte is al een boetebepaling opgenomen van (omgerekend) € 45,38 per overtreding. Waarom dit bedrag zou moeten worden opgehoogd naar € 500,00 valt niet in te zien. Bovendien is niet gebleken dat [gedaagden] aan een veroordelend vonnis geen gehoor zal geven.
4.8.
De gevorderde verklaring voor recht van [eisers] onder I. zal worden afgewezen. Niet gebleken is welk belang hij nog heeft bij toewijzing van deze vordering nu het gevorderde verbod zoals hiervoor in r.o. 4.7 is overwogen zal worden toegewezen.
4.9.
De onder II. gevorderde boete zal ook worden afgewezen. Nog daargelaten dat niet onderbouwd is gesteld dat [gedaagden] vanaf 20 juli 2023 tot de dag van dagvaarding iedere dag de auto op het grindpad hebben geparkeerd, geldt dat [eisers] niet heeft betwist dat hij zelf ook (in elk geval meermaals) zijn auto voor zijn garage heeft geparkeerd. Waarom [gedaagden] jegens hem boetes verschuldigd zou zijn, is dan ook niet duidelijk. Ten tijde van de mondelinge behandeling heeft [eisers] bovendien herhaald dat het hem niet om de boete gaat, zodat hij geen belang heeft bij toewijzing van de daartoe ingestelde vordering.
De vorderingen in reconventie
4.10.
Met het toewijzen van de vordering onder III. in conventie is de voorwaarde voor de reconventionele vordering vervuld. Niet in geschil is dat de in de notariële akte gevestigde erfdienstbaarheid voor beide partijen geldt. [eisers] heeft tijdens de mondelinge behandeling daarnaast erkend dat hij zelf in het verleden ook meermaals zijn auto voor zijn garage parkeerde. Dit blijkt ook uit overgelegde foto’s. De reconventionele vordering onder 3 zal daarom worden toegewezen, met uitzondering van de daarin eveneens gevorderde boete. In de akte is al een boetebepaling opgenomen van (omgerekend) € 45,38 per overtreding. Waarom dit bedrag zou moeten worden opgehoogd naar € 500,00 valt niet in te zien. Bovendien is niet gebleken dat [eisers] aan een veroordelend vonnis geen gehoor zal geven.
4.11.
De gevorderde verklaring voor recht van [gedaagden] onder 1 zal worden afgewezen. Niet gebleken is welk zelfstandig belang hij nog heeft bij toewijzing van deze vordering nu het gevorderde verbod zoals hiervoor in r.o.
Conclusie
4.14.
De conclusie is dat het partijen niet is toegestaan auto’s op het grindpad te parkeren en dat de schutting kan blijven staan. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat partijen wel behoefte hebben aan het parkeren van hun auto’s op het grindpad en dat zij tot het ontstaan van dit geschil hun auto’s ook parkeerden tot aan de schutting respectievelijk de garage. Om die reden overweegt de rechtbank ten overvloede dat het partijen vrijstaat om, in weerwil van het bepaalde in de notariële akte, onderling afspraken te maken over het gebruik van het grindpad en indien gewenst de erfdienstbaarheid in die zin te wijzigen.
4.15.
Omdat partijen beide deels in het gelijk worden gesteld, zullen de proceskosten tussen hen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank
in conventie
5.1.
verbiedt [gedaagden] om na betekening van dit vonnis wagens, andere voertuigen of welke andere zaken dan ook te parkeren of anderszins te plaatsen of geplaatst te houden op de strook grond waarop de uitweg is gelegen zoals nader omschreven in r.o. 4.4,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
verbiedt [eisers] om na betekening van dit vonnis wagens, andere voertuigen of welke andere zaken dan ook te parkeren of anderszins te plaatsen of geplaatst te houden op de strook grond waarop de uitweg is gelegen zoals nader omschreven in r.o. 4.4,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.
Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511 en herhaald in Hoge Raad 1 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1423.