Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-02-08
ECLI:NL:RBGEL:2023:585
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,918 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/410272 / HA ZA 22-470
Vonnis in incident van 8 februari 2023
in de zaak van
[eiser in vrijw./eiser in inc.]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de vrijwaringszaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. R.J. Sark te Arnhem,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde in vrijw./verw. in inc.]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in de vrijwaringzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. A. Visser te Wierden.
Partijen zullen hierna [eiser in vrijw./eiser in inc.] en [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de vrijwaringsdagvaarding tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 843a Rv;
de conclusie van antwoord in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Feiten
2.1.
In 2012 hebben [eiser in vrijw./eiser in inc.] , de heer [naam 1] (hierna: ‘[naam 1]’) en de heer [naam 2] (hierna: ‘[naam 2]’) afspraken gemaakt over een samenwerking voor de ontwikkeling van de zogenoemde Multitooltrac: een deels elektrisch aangedreven tractor (hierna: het ‘project’).
2.2.
[eiser in vrijw./eiser in inc.] , [naam 1] en [naam 2] hebben voor het project op 13 mei 2014 een gezamenlijke onderneming opgericht: [gezamenlijke onderneming] (hierna: ‘[gezamenlijke onderneming]’). In 2015 heeft [naam 2] zich teruggetrokken uit de samenwerking en heeft hij de aandelen in [gezamenlijke onderneming] verkocht aan [naam bedrijf 1] voor € 16.044,42.
2.3.
Om alvast subsidies te kunnen verwerven, hebben [eiser in vrijw./eiser in inc.] , [naam 1] en [naam 2] voorafgaand aan de oprichting van [gezamenlijke onderneming] samengewerkt op basis van samenwerkingsovereenkomsten die zijn gesloten op 6 november 2012 en 8 mei 2013.
2.4.
Voor het project zijn vanaf 2012 subsidies aangevraagd:
bij het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (hierna: de ‘EFRO-subsidie’);
bij Interreg Europe (hierna: de ‘E&P-subsidie’);
via de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (hierna: de ‘WBSO-subsidie’).
2.5.
De EFRO-subsidie werd verstrekt aan vennootschappen van [eiser in vrijw./eiser in inc.] , [naam 1] en [naam 2] , waarbij [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] als penvoerder fungeerde. Van december 2012 tot en met december 2015 konden kosten worden gedeclareerd onder de EFRO-subsidie. De E&P-subsidie werd eind 2017 verstrekt aan [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] , die tevens de aanvrager was. Ook de WBSO-subsidie is toegekend aan [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] , die er van 2013 tot en met 2018 gebruik van heeft gemaakt.
Geschil
3.1.
Bij deze rechtbank is een procedure aanhangig tussen [naam bedrijf 1] en [gezamenlijke onderneming] als eisers (hierna: ‘[eisers]’) en [eiser in vrijw./eiser in inc.] als gedaagde. In die procedure (hierna: de ‘hoofdzaak’) heeft de rechtbank op 28 september 2022 een vonnis in incident gewezen, waarin de rechtbank [eiser in vrijw./eiser in inc.] heeft toegestaan om [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] in vrijwaring op te roepen.
3.2.
In de vrijwaringszaak vordert [eiser in vrijw./eiser in inc.] – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] zal veroordelen om aan [eiser in vrijw./eiser in inc.] te voldoen al hetgeen waartoe [eiser in vrijw./eiser in inc.] in de hoofdzaak wordt veroordeeld. Ook vordert [eiser in vrijw./eiser in inc.] dat [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] wordt veroordeeld in de proceskosten en de nakosten van de vrijwaringsprocedure, beide te vermeerderen met wettelijke rente.
3.3.
[gedaagde in vrijw./verw. in inc.] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in vrijw./eiser in inc.] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in vrijw./eiser in inc.] in de kosten van de vrijwaringsprocedure.
Geschil
4.1.
[eiser in vrijw./eiser in inc.] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] zal veroordelen tot het verstrekken aan [eiser in vrijw./eiser in inc.] of het in het geding brengen van afschriften van bepaalde bescheiden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor elke dag dat [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] in gebreke is om aan de veroordeling te voldoen.
4.2.
[gedaagde in vrijw./verw. in inc.] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in vrijw./eiser in inc.] in de kosten van het incident.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Waarom wil [eiser in vrijw./eiser in inc.] dat [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] bepaalde bescheiden overlegt?
5.1.
[eiser in vrijw./eiser in inc.] voert in de vrijwaringszaak aan dat [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hen gesloten overeenkomst(en) en/of dat [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] jegens [eiser in vrijw./eiser in inc.] onrechtmatig heeft gehandeld.
5.2.
Ter onderbouwing van zijn vorderingen in de vrijwaringszaak stelt [eiser in vrijw./eiser in inc.] dat [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] de subsidies voor andere doeleinden heeft aangewend dan waarvoor zij waren verstrekt. Volgens [eiser in vrijw./eiser in inc.] was het onrechtmatig aanwenden van subsidies een belangrijke reden voor hem om het vertrouwen in [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] te verliezen, waarna hij de samenwerking in het kader van het project heeft beëindigd. Dat laatste is voor [eisers] de aanleiding geweest om [eiser in vrijw./eiser in inc.] aan te spreken in de hoofdzaak.
5.3.
Omdat [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] volgens [eiser in vrijw./eiser in inc.] heeft geweigerd om informatie te verstrekken over de aanwending van de subsidies, vordert [eiser in vrijw./eiser in inc.] in het incident dat [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] de volgende bescheiden overlegt, voor zover die betrekking hebben op de periode van december 2012 tot en met 27 juni 2019:
1. alle mandagstaten en specificaties van de verrichte werkzaamheden van het door [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] in het kader van het project ingeschakelde personeel, waaronder in ieder geval:
a. [naam 3] ;
b. [naam 4] ;
c. [naam 5] ;
d. [naam 6] ;
e. [naam 7] ;
f. [naam 8] ;
g. [naam 9] ;
h. [naam 10] ;
i. [naam 11] ;
j. [naam 12] ;
k. [naam 13] ;
l. [naam 14] ;
m. [naam 15] ;
n. [naam 16] ;
o. [naam 17] ;
p. [naam 18] ;
q. [naam 19] ;
r. [naam 20] ;
s. [naam 21] .
2. de inkoopnota’s betreffende materiaal en onderdelen ten behoeve van het project, inclusief betaalbewijzen;
3. de doorbelastingsgrondslag en kostencomponenten die betrekking hebben op [naam 22] , [naam 23] en [naam 24] ;
4. een overzicht van het werk dat voor [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] is verdrongen door de werkzaamheden aan het project, inclusief bijbehorende offertes en afmeldingen door [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] aan betreffende (potentiële) klanten;
5. alle correspondentie en stukken met betrekking tot de toekenning van de WBSO-regeling, alsmede de specificaties en onderliggende bescheiden met betrekking tot alle door [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] ontvangen bedragen uit hoofde van de WBSO-regeling en de volledige salarisadministratie over die periode met betrekking tot het personeel van [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] ,
6. de toekenning van beide EFRO-subsidies alsmede een overzicht van de ontvangen gelden, met onderverdeling naar de in het project werkzame partners en de bewijzen van doorbetaling aan die partners;
7. een bankafschrift c.q. betaalbewijs waaruit blijkt dat voor de overname van de aandelen van [naam 2] in [gezamenlijke onderneming] BV. in 2015 daadwerkelijk € 16.000,00 aan [naam 2] is betaald.
Wat is het toetsingskader voor een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv?
5.4.
Bij de beoordeling van de incidentele vordering stelt de rechtbank voorop dat een vordering op grond van artikel 843a Rv slechts kan worden toegewezen indien voldaan is aan de in het eerste lid van dat artikel genoemde cumulatieve voorwaarden, te weten:
de eiser moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, afschrift of uittreksel;
de vordering moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden; en
de bescheiden dienen een rechtsbetrekking te betreffen waarin de eiser (of zijn rechtsvoorganger) partij is.
Bovendien is vereist dat degene van wie de bescheiden worden gevraagd, deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
5.5.
Ten aanzien van de eerste voorwaarde, het hebben van een rechtmatig belang, geldt dat een partij een direct en concreet belang moet hebben bij de gevraagde stukken. Het ligt op de weg van de partij die afschrift verlangt om voor elk van de gevorderde bescheiden voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit belang blijkt. Ook zullen voldoende feiten en omstandigheden moeten worden gesteld waaruit blijkt dat de bescheiden relevant zijn voor de rechtspositie van degene die om inzage verzoekt.
5.6.
De tweede voorwaarde houdt in dat voor toewijsbaarheid van een vordering op grond van artikel 843a Rv is vereist dat het verzoek betrekking heeft op bepaalde, met name genoemde bescheiden.
5.7.
Ten slotte moet het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden moeten stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat de onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan.
5.8.
De rechtbank stelt voorop dat de bovengenoemde vereisten in beginsel worden getoetst bij elk van de bescheiden die door [eiser in vrijw./eiser in inc.] worden opgevraagd. Een dergelijke methode waarborgt dat een verzoeker voldoende concreet moet aangeven om welke bescheiden het hem te doen is én dat getoetst kan worden of de verzoeker het vereiste rechtmatige belang heeft bij inzage in die bescheiden. Gelet op het voorgaande ligt het dus op de weg van [eiser in vrijw./eiser in inc.] om voor elk van de gevraagde bescheiden voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit naar normale ervaringsregels de mogelijkheid van aansprakelijkheid kan worden afgeleid.
Is voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv?
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat voor geen van de genoemde bescheiden is voldaan aan de hiervoor genoemde vereisten. [eiser in vrijw./eiser in inc.] heeft weliswaar in algemene zin gesteld dat [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] subsidies heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor de subsidies waren toegekend, maar hij heeft nagelaten om voor de gevraagde documenten gemotiveerd te stellen dat en in hoeverre is voldaan aan de vereisten van artikel 843 Rv zoals die hiervoor in randnummer 5.4 zijn opgesomd.
5.10.
De stellingen die [eiser in vrijw./eiser in inc.] wel heeft ingenomen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende met reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwd, terwijl [eiser in vrijw./eiser in inc.] het in de dagvaarding wel doet voorkomen dat hij over die bewijsmiddelen de beschikking zou hebben. De stukken die [eiser in vrijw./eiser in inc.] heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn stellingen hebben alleen betrekking op de besteding van de E&P-subsidie. [eiser in vrijw./eiser in inc.] heeft in dat verband een overzicht van de bestedingen van [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] per 31 december 2018 ingebracht en een e-mail van de broer van [eiser in vrijw./eiser in inc.] met kritiek op dat overzicht. In de dagvaarding heeft [eiser in vrijw./eiser in inc.] gesteld dat uit die stukken blijkt dat de E&P-subsidie die aan [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] was verstrekt al bijna was opgebruikt. [gedaagde in vrijw./verw.
Dictum
De rechtbank
in het incident ex artikel 843a Rv
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiser in vrijw./eiser in inc.] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in vrijw./verw. in inc.] tot dit vonnis vastgesteld op nihil,
in de vrijwaringszaak
6.3.
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
6.4.
bepaalt dat partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en op grond van de wet of op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is de partij te vertegenwoordigen,
6.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 februari 2023 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met oktober 2023, waarna dag en uur van mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
6.6.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
6.7.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
6.8.
is voornemens deze zaak gelijktijdig met de procedure in de hoofdzaak te behandelen,
6.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2023.
Zaaknummer: C/05/407235 / HA ZA 22-347
Rb. Gelderland 28 september 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5522.
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, rov. 3.1.3.