Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2016-10-13
ECLI:NL:RBGEL:2016:5554
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,640 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummers: AWB 14/3778 en 14/3780
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 oktober 2016
in de zaken tussen
[X] B.V., te [Z] , eiseres
(gemachtigde: mr. drs. [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft voor het tijdvak maart 2013 aangiften loonheffingen gedaan. Onder loonheffingennummer [000] .L.01 heeft zij een bedrag van € 963 pseudo-eindheffing hoog loon (hierna: crisisheffing) aangegeven en onder loonheffingennummer [000] .L.02 een bedrag van € 315.701. Zij heeft deze bedragen op 29 april 2013 afgedragen.
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 30 april 2014 de bezwaren afgewezen.
Eiseres heeft daartegen bij brief van 4 juni 2014, ontvangen door de rechtbank op 5 juni 2014, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Eiseres is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [A] , mr. [B] , drs. [C] en drs. [D] .
Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank.
Overwegingen
Feiten
Alle aandelen in eiseres worden volgens haar opgave gehouden door [E] U.A., waarmee zij voor de vennootschapsbelasting een fiscale eenheid vormt.
Voor de jaren 2010 tot en met 2013 bedragen het door eiseres onder loonheffingennummer [000] .L.01 aangegeven loon en de daarop ingehouden loonheffingen (bedragen in euro’s):
2010
2011
2012
2013
Loon
54.438.121
57.305.250
62.310.411
57.108.238
Loonheffingen
16.815.516
17.647.446
19.512.330
18.311.738
3. Voor de jaren 2010 tot en met 2013 bedragen het door eiseres onder loonheffingennummer [000] .L.02 aangegeven loon en de daarop ingehouden loonheffingen (bedragen in euro’s):
2010
2011
2012
2013
Loon
3.616.158
4.723.984
3.405.528
1.960.755
Loonheffingen
1.646.760
2.147.156
1.589.380
853.125
4. Eiseres heeft in de aangiften loonheffingen over het tijdvak maart 2013 op grond van artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013, hierna Wet LB) het loon in aanmerking genomen dat door de werknemers is genoten in 2012, voor zover dat meer bedraagt dan € 150.000 per werknemer. De over dit loon verschuldigde crisisheffing bedroeg € 963 respectievelijk € 315.701 en is door eiseres op aangifte afgedragen.
5. Uit de aangiften vennootschapsbelasting van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting blijkt onder meer het volgende (bedragen in euro’s):
Boekjaar
2010
2011
2012
Winstreserves
54.796.000
69.528.000
133.460.000
Netto omzet
189.857.000
212.038.000
232.037.000
Lonen en salarissen incl. sociale lasten en pensioen
78.681.000 -/-
78.375.000 -/-
91.991.000 -/-
Overige kosten
98.644.000 -/-
119.903.000 -/-
100.222.000 -/-
Saldo financiële baten en lasten
3.663.000 -/-
3.246.000 -/-
2.279.000 -/-
Resultaat
8.869.000
10.514.000
37.545.000
Buitengewone resultaten
10.000.000 +
Resultaat deelnemingen
6.344.000 +
14.423.000 +
11.154.000 +
Fiscale winst
25.213.000
24.937.000
48.699.000
6. De omzet exclusief omzetbelasting van de fiscale eenheid voor de omzetbelasting bedroeg volgens de aangiften omzetbelasting (bedragen in euro’s):
2010
2011
2012
2013
Omzet
286.486.762
355.918.087
351.667.413
375.026.248
Geschil
7. In geschil is of eiseres gehouden was de onderhavige crisisheffing af te dragen. Meer specifiek is in geschil:
of de crisisheffing mogelijk is op grond van de Wet LB;
of de crisisheffing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR);
of de crisisheffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP);
of de crisisheffing in strijd is met artikel 7 van het EVRM.
Overwegingen
Strijd met het wettelijke systeem
8. De crisisheffing kan volgens eiseres niet worden geheven, omdat hoofdstuk IV van de Wet LB geen bepaling bevat over de wijze van heffing. Artikel 32bd van de Wet LB is onverbindend omdat artikel 1 van de Wet LB niet toestaat dat ter zake van één en hetzelfde loonbestanddeel loonbelasting wordt geheven ten laste van werkgever en werknemer, aldus eiseres.
9. Artikel 1 van de Wet LB bepaalt, voor zover thans van belang, dat onder de naam “loonbelasting” van werknemers of hun inhoudingsplichtige een directe belasting wordt geheven.
10. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121 en ECLI:NL:HR:2016:124, over vergelijkbare stellingen geoordeeld als eiseres inneemt. Kort gezegd heeft de Hoge Raad in het laatstgenoemde arrest geoordeeld dat de tekst van artikel 32bd, eerste lid, van de Wet LB bepaalt dat de crisisheffing wordt geheven in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens de wet bepaalde. Klaarblijkelijk heeft de wetgever daarbij mede het oog gehad op het bepaalde in artikel 1 van de Wet LB, aldus de Hoge Raad. Naar het oordeel van de Hoge Raad is hiermee een voldoende basis in de wet opgenomen voor de crisisheffing. In het eerstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad ter zake van de stelling dat over een reeds in de heffing betrokken loonbestanddeel wordt geheven met een vergelijkbare overweging geoordeeld dat artikel 32bd van de Wet LB niet onverbindend is, nu de wetgever heeft bedoeld een regeling te treffen in afwijking van artikel 1 van die wet. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen en is van oordeel dat de crisisheffing niet in strijd is met het wettelijke systeem.
Strijd met artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR
11. Vervolgens heeft eiseres aangevoerd dat de crisisheffing in strijd is met artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR.
12. De Hoge Raad heeft in voormelde arresten van 29 januari 2016 geoordeeld dat de crisisheffing niet discriminerend is in de zin van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR. De stelling van eiseres op dit punt wordt dan ook evenzeer verworpen, nu zij geen andere argumenten heeft aangevoerd dan waren aangevoerd in de zaken waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld.
Strijd met artikel 1 EP
13. Eiseres heeft gesteld dat de crisisheffing terugwerkende kracht heeft en daarmee een ongeoorloofde inbreuk vormt op de rechtszekerheid. Ten tijde van het ontstaan van het object van de heffing was de ontneming van het eigendom niet bij wet voorzien en dus is deze niet “lawful”, aldus eiseres. Ook ontbreken valide doelen van algemeen belang. Er is geen sprake van een “fair balance” op wetgevingsniveau en ook is sprake van een individuele en buitensporige last, aldus eiseres.
14. De rechtbank stelt voorop dat belastingen in beginsel een inmenging vormen in het door artikel 1 EP gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. De tweede alinea van deze bepaling voorziet echter uitdrukkelijk in een algemene rechtvaardigingsgrond voor de inmenging die wordt veroorzaakt door de toepassing van fiscale maatregelen. Dit neemt niet weg dat ook op het terrein van de belastingen de inmenging volgens vaste rechtspraak van het EHRM “lawful” moet zijn en een “legitimate aim” moet dienen, en dat er een “fair balance” dient te bestaan tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang. Bij deze laatste toets is van belang dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge toekomt.
15. Dat de maatregel “lawful” is, is hiervoor reeds komen vast te staan. In voormelde arresten van 29 januari 2016 heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat wanneer wordt aangevoerd dat bij de invoering van de belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, dit dient te worden beoordeeld vanuit de vraag of de “fair balance” is geschonden. In de desbetreffende arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de crisisheffing op het niveau van de regelgeving niet heeft geleid tot schending van artikel 1 EP. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.
16. Het voorgaande laat de mogelijkheid open dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Eiseres heeft gesteld dat daarvan in haar geval sprake is. Zij heeft daartoe aangevoerd:
dat zij van overheidswege onnodig is blootgesteld aan onvoorziene risico’s;
dat beslissingen ten aanzien van het personeelsbestand anders zouden kunnen uitvallen, waarbij eiseres als voorbeeld wijst op vaststelling van bonussen en inwilligen van verzoek om uitbetaling van vakantiedagen in verband met ernstige ziekte van een werknemer;
dat het bedrag beschikbaar voor investeringen (in personeel) en bedrijfsprocessen sterk is gereduceerd, hetgeen van invloed is op concurrentieverhoudingen met het buitenland.
17. De rechtbank is van oordeel dat bij de toetsing of sprake is van een individuele buitensporige last, alle relevante feiten en omstandigheden van belang zijn. Beslissend is de mate waarin eiseres in de gegeven omstandigheden getroffen wordt door de desbetreffende verplichting (Hoge Raad 12 augustus 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR4868). De rechtbank neemt daarbij de onder 16. opgesomde omstandigheden en de hiervoor bij de feiten opgenomen cijfers in aanmerking. Zij kent daarbij, in navolging van A-G Wattel in zijn conclusie van 18 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:947, veel gewicht toe aan de verhouding tussen de hoogte van de crisisheffing in het concrete geval en de totale loonsom, aangezien de crisisheffing een loonkostenpost is voor de werkgever. De financiële situatie van eiseres wordt voorts bepaald door zowel de omvang van het eigen vermogen als de omvang van haar winsten. Bij de toets of sprake is van een individuele en buitensporige last moet niet alleen worden gekeken naar het jaar waarop de crisisheffing betrekking heeft, maar ook naar de daaropvolgende jaren, zodat de mogelijke gevolgen ervan voor de bedrijfsvoering en continuïteit van eiseres beoordeeld kunnen worden. De situatie in latere jaren kan aldus licht werpen op de vraag in hoeverre eiseres door de crisisheffing is getroffen (Gerechtshof Den Haag 16 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3780). Daarbij is tevens van belang dat de crisisheffing met ingang van 1 januari 2015 is afgeschaft.
18. Eiseres kan worden toegegeven dat zij (op beide loonheffingennummers tezamen) is geconfronteerd met een substantieel bedrag aan te betalen crisisheffing. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel niet doorslaggevend dat sprake is van een in absolute zin hoog bedrag (vergelijk Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1463 en Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121). Gelet op de hiervoor weergegeven cijfers bedroeg de crisisheffing van (in totaal) € 316.664 voor eiseres nog geen half procent van de totale loonsom over 2012. Het vermogen en het resultaat van eiseres boden voldoende ruimte om de crisisheffing te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij die toets terecht aangesloten bij de financiële positie van de fiscale eenheid. De stelling van eiseres dat het bedrag dat beschikbaar was voor investeringen (in personeel) en bedrijfsprocessen sterk is gereduceerd door de crisisheffing wordt in dat licht onvoldoende gestaafd door de cijfers. Dat eiseres, zoals zij daarbij ook heeft gesteld, voor bepaalde werkzaamheden noodzakelijkerwijs duur personeel met hoge technische kwalificaties dient in te schakelen maakt haar positie niet zodanig bijzonder dat de crisisheffing om die reden disproportioneel jegens haar dient te worden geacht. Dat zij dit personeel niet heeft kunnen aannemen of heeft moeten afstoten als gevolg van de crisisheffing is niet gesteld of anderszins aannemelijk geworden. Eiseres heeft haar stellingen ook niet getalsmatig onderbouwd.
19.
Conclusie
24. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
25. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. I. Linssen en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 oktober 2016
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.