Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2016-11-03
ECLI:NL:RBZWB:2016:6896
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,206 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, meervoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 14/3457
uitspraak van 3 november 2016
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende]
, gevestigd te [vestigingsplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 24 april 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar over het tijdvak maart 2013 opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen naar een bedrag van € 75.104 (aanslagnummer [aanslagnummer] ).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2016 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , en namens de inspecteur, [inspecteurs] .
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2Gronden
2.1.
Belanghebbende is een voetbalclub in de betaald-voetbalcompetitie van de KNVB.
2.2.
In 2012 heeft belanghebbende aan werknemers (ook voetbalspelers) een loon betaald van meer dan € 150.000. In verband met de in 2012 genoten lonen van deze werknemers heeft belanghebbende op grond van artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013) over het tijdvak maart 2013 € 75.104 pseudo-eindheffing hoog loon (hierna: crisisheffing) aangegeven. Voor het bedrag van de crisisheffing is uitstel van betaling verleend tot eind juli 2013.
2.3.
Met dagtekening 24 mei 2013 is over het tijdvak maart 2013 aan belanghebbende, conform de ingediende aangifte, een naheffingsaanslag loonheffingen van € 75.104 opgelegd vanwege het niet (tijdig) voldoen van de crisisheffing alsmede een verzuimboete van € 1.502 vanwege het niet (tijdig) betalen van dit bedrag.
2.4.
De inspecteur heeft de boete ambtshalve verminderd tot nihil. Bij de bestreden uitspraak heeft hij het bezwaar tegen de crisisheffing afgewezen. Daartegen richt zich het beroep.
2.5.
Belanghebbende heeft over 2012 een totaal loon uit dienstbetrekking aangegeven van € 5.362.840, waarop € 2.169.874 aan loonheffingen is ingehouden en afgedragen.
2.6.
[X] is 100% aandeelhouder van belanghebbende. Zij vormen samen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Uit de aangiften vennootschapsbelasting van de fiscale eenheid, blijkt onder meer het volgende:
2010/2011
2011/2012
2012/2013
Winstreserves
€ - 15.681.202
€ - 15.528.934
€ - 15.194.460
Totale ondernemingsvermogen
€ - 2.570.570
€ - 2.418.302
€ - 2.083.828
Bedrijfsopbrengsten
€ 13.428.964
€ 11.389.200
€ 11.012.700
Personeelskosten
€ 7.666.501
€ 6.762.671
€ 7.429.000
Afschrijvingen
€ 1.007.539
€ 435.558
€ 656.194
Overige bedrijfskosten
€ 5.096.510
€ 4.798.231
€ 3.818.960
Saldo financiële baten en lasten
€ - 63.129
€ - 124.242
€ - 38.895
Buitengewone resultaten
-
€ 883.250
€ 1.266.100
Saldo fiscale winstberekening
€ - 404.715
€ 151.748
€ 335.751
2.7.
In geschil is of terecht crisisheffing bij belanghebbende is nageheven.
2.8.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 januari 2016, nr. 15/00340, ECLI:NL:HR:2016:121 geoordeeld dat de crisisheffing een wettelijke grondslag in de Wet op de loonbelasting 1964 heeft en dat de crisisheffing op regelgevingsniveau niet in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: artikel 1 EP). Tevens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de crisisheffing niet discriminerend is in de zin van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR. Belanghebbendes stellingen dat de crisisheffing buiten toepassing dient te blijven wegens het ontbreken van een wettelijke basis in de Wet op de loonbelasting 1964, schending van artikel 1 van het EP op regelgevingsniveau of schending van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM kunnen dan ook niet slagen. Al hetgeen belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd als kritiek op de overwegingen die de Hoge Raad heeft gebezigd voor zijn oordeel dat de crisisheffing niet strijdig is met artikel 1 EP, geeft de rechtbank geen aanleiding het oordeel van de Hoge Raad niet te volgen.
Individuele buitensporige last
2.9.
De bewijslast dat sprake is van een individuele buitensporige last rust op belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een individuele buitensporige last. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
2.10.
Bij toetsing of sprake is van een individuele buitensporige last, zijn alle (relevante) feiten en omstandigheden van belang. Daarbij wordt, in navolging van A-G Wattel in zijn conclusie van 18 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:947, een bijzonder gewicht toegekend aan de verhouding tussen de hoogte van de crisisheffing in het concrete geval en de totale loonsom, aangezien de crisisheffing een kostenpost is voor de werkgever. De crisisheffing bedraagt in belanghebbendes geval 1,4% van de totale loonsom over 2012 (€ 75.104 / € 5.362.840 x 100%). Dit is op zichzelf genomen niet buitensporig. Voorts blijkt uit de aangiften vennootschapsbelasting dat belanghebbende in het boekjaar waarin de crisisheffing is (na)geheven alsmede in het daaraan voorafgaande boekjaar positieve resultaten heeft behaald. Dat de crisisheffing een negatief effect heeft gehad op de bedrijfsvoering en continuïteit van belanghebbende is niet aannemelijk gemaakt.
2.11.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling dat uit het overleg tussen de Belastingdienst en de KNVB blijkt dat sprake is van een individuele buitensporige last, laat staan dat door de Belastingdienst is toegezegd dat in belanghebbendes geval sprake is van een individuele buitensporige last. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, op wie hier de bewijslast rust, haar stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt.