Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:9878
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,702 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9878 text/xml public 2026-05-08T09:30:24 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-24 24/9869 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9878 text/html public 2026-05-04T15:02:20 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9878 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / 24/9869 "Wet hersteloperatie toeslagen" Verzoek herbeoordeling kinderopvangtoeslag te laat ingediend. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/9869 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. L.C. van Kasteren), en de Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. S.R. Busch). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om de situatie met de kinderopvangtoeslag opnieuw te laten bekijken. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij die afwijzing gebleven. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. Eiseres heeft schriftelijk op het verweerschrift gereageerd en aanvullende stukken ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde via een beeldverbinding en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres heeft zich op 25 april 2024 telefonisch bij verweerder aangemeld voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres zonder inhoudelijke beoordeling afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ingediend. Wat vindt eiseres in beroep? 3. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Volgens eiseres is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Het doenvermogen van eiseres was namelijk structureel beperkt door een uitzonderlijk samenstel van omstandigheden. Bij eiseres is sprake van ernstige psychische problematiek. Zij is doorlopend onder behandeling bij een psycholoog wegens angst- en depressieve klachten. Eiseres heeft traumatische gebeurtenissen meegemaakt in het verleden, namelijk huiselijk geweld en het overlijden van één van haar kinderen. Eiseres wordt nog steeds lastiggevallen door haar ex-man. Eiseres heeft verder een diepgewortelde wantrouwen jegens de Belastingdienst. Daarnaast heeft verweerder eiseres misleidend geïnformeerd. Eiseres is in 2022 of 2023 telefonisch door verweerder benaderd met de mededeling dat een fout was gemaakt en dat dit zou worden uitgezocht. Zij heeft ook een brief gekregen dat zij ‘op een lijst stond’ en ‘van die lijst was afgehaald’. Daarna heeft zij niets meer gehoord. Zij wist niet dat zij zich zelf moest aanmelden voor de herstelregeling. Het ontbrak ook aan adequate voorlichting over aanmeldtermijnen. Op 25 april 2024 heeft eiseres onverwijld gehandeld zodra zij daartoe in staat was. 3.1. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit geen redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten en de hardheidsclausule toe te passen. Daarnaast staat de afwijzing niet in verhouding tot het doel van de herstelregeling. Daarmee is sprake van een onevenredige belangenafweging. 3.2. Volgens eiseres heeft verweerder ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door geen zorgvuldig onderzoek te verrichten naar de bijzondere omstandigheden die hebben geleid tot de termijnoverschrijding. 3.3. Tot slotte stelt eiseres zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Uit de praktijk blijkt dat andere ouders in vergelijkbare omstandigheden wel zijn toegelaten tot de herstelregeling, ondanks termijnoverschrijding. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. Het beroep is naar het oordeel van de rechtbank ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Verweerder heeft de aanvraag tot herbeoordeling mogen afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) dient een aanvraag voor compensatie voor 1 januari 2024 te worden ingediend. De uiterste aanvraagdatum is door de wetgever dwingend geformuleerd. De wetgever heeft hierbij een statische deadline voor ogen gehad om rechtszoekenden rechtszekerheid te bieden, bij te dragen aan gelijke behandeling van gelijke gevallen en een democratische controle mogelijk te maken. Het kabinet achtte de termijn van ruim drie jaar redelijk en stelde dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt, onder andere omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten. 5.1. Dat laat volgens het kabinet onverlet dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden, waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 5.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend. Dat staat tussen partijen ook niet ter discussie. In geschil is of verweerder de termijnoverschrijding verschoonbaar had moeten achten. 5.3. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat toepassing van de aanmeldingsdeadline in haar geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard of dat sprake is van schrijnende omstandigheden. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, een ernstige medische omstandigheid of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Voor beantwoording van de vraag of er in deze zaak sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, beoordeelt de rechtbank of er sprake is van actuele, schrijnende omstandigheden ten tijde van de aanvraagperiode. 5.4. De rechtbank ziet dat de persoonlijke situatie van eiseres moeilijk moet zijn geweest en grote impact heeft (gehad) op haar leven. Het is naar het oordeel van de rechtbank echter niet aannemelijk gemaakt dat eiseres ten tijde van de aanvraagperiode zo persoonlijk ontwricht was dat zij daardoor niet in staat was zich tijdig aan te melden. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Eiseres heeft in bezwaar de volgende medische informatie verstrekt: - een brief van 11 oktober 2024 van [psycholoog], waarin staat dat eiseres sinds 2020 wegens angst- en depressieve klachten en in verband met een belast verleden bij hem in behandeling is; - een brief van 21 mei 2014 van [instantie] waarin staat dat eiseres daar vanaf medio mei 2013 in behandeling was; en - een brief van 5 maart 2012 waaruit volgt dat eiseres van maart tot en met november 2011 in behandeling is geweest bij [naam kliniek] psychologen. De rechtbank is het met verweerder eens dat uit deze medische informatie niet de conclusie kan worden getrokken dat er, ten tijde van de aanmeldperiode, sprake was van dermate ernstige psychische problematiek dat niet gevergd kon worden dat eiseres zich tijdig zou aanmelden. Dat er sprake was van psychische problematiek is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiseres zich daardoor niet kon aanmelden. Dat geldt ook voor de traumatische gebeurtenissen die eiseres in het verleden heeft meegemaakt en de omstandigheid dat zij nog steeds lastig wordt gevallen door haar ex-partner.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9878 text/xml public 2026-05-08T09:30:24 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-24 24/9869 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9878 text/html public 2026-05-04T15:02:20 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9878 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / 24/9869 "Wet hersteloperatie toeslagen" Verzoek herbeoordeling kinderopvangtoeslag te laat ingediend. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/9869 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. L.C. van Kasteren), en de Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. S.R. Busch). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om de situatie met de kinderopvangtoeslag opnieuw te laten bekijken. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij die afwijzing gebleven. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. Eiseres heeft schriftelijk op het verweerschrift gereageerd en aanvullende stukken ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde via een beeldverbinding en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres heeft zich op 25 april 2024 telefonisch bij verweerder aangemeld voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres zonder inhoudelijke beoordeling afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ingediend. Wat vindt eiseres in beroep? 3. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Volgens eiseres is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Het doenvermogen van eiseres was namelijk structureel beperkt door een uitzonderlijk samenstel van omstandigheden. Bij eiseres is sprake van ernstige psychische problematiek. Zij is doorlopend onder behandeling bij een psycholoog wegens angst- en depressieve klachten. Eiseres heeft traumatische gebeurtenissen meegemaakt in het verleden, namelijk huiselijk geweld en het overlijden van één van haar kinderen. Eiseres wordt nog steeds lastiggevallen door haar ex-man. Eiseres heeft verder een diepgewortelde wantrouwen jegens de Belastingdienst. Daarnaast heeft verweerder eiseres misleidend geïnformeerd. Eiseres is in 2022 of 2023 telefonisch door verweerder benaderd met de mededeling dat een fout was gemaakt en dat dit zou worden uitgezocht. Zij heeft ook een brief gekregen dat zij ‘op een lijst stond’ en ‘van die lijst was afgehaald’. Daarna heeft zij niets meer gehoord. Zij wist niet dat zij zich zelf moest aanmelden voor de herstelregeling. Het ontbrak ook aan adequate voorlichting over aanmeldtermijnen. Op 25 april 2024 heeft eiseres onverwijld gehandeld zodra zij daartoe in staat was. 3.1. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit geen redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten en de hardheidsclausule toe te passen. Daarnaast staat de afwijzing niet in verhouding tot het doel van de herstelregeling. Daarmee is sprake van een onevenredige belangenafweging. 3.2. Volgens eiseres heeft verweerder ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door geen zorgvuldig onderzoek te verrichten naar de bijzondere omstandigheden die hebben geleid tot de termijnoverschrijding. 3.3. Tot slotte stelt eiseres zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Uit de praktijk blijkt dat andere ouders in vergelijkbare omstandigheden wel zijn toegelaten tot de herstelregeling, ondanks termijnoverschrijding. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. Het beroep is naar het oordeel van de rechtbank ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Verweerder heeft de aanvraag tot herbeoordeling mogen afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) dient een aanvraag voor compensatie voor 1 januari 2024 te worden ingediend. De uiterste aanvraagdatum is door de wetgever dwingend geformuleerd. De wetgever heeft hierbij een statische deadline voor ogen gehad om rechtszoekenden rechtszekerheid te bieden, bij te dragen aan gelijke behandeling van gelijke gevallen en een democratische controle mogelijk te maken. Het kabinet achtte de termijn van ruim drie jaar redelijk en stelde dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt, onder andere omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten. 5.1. Dat laat volgens het kabinet onverlet dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden, waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 5.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend. Dat staat tussen partijen ook niet ter discussie. In geschil is of verweerder de termijnoverschrijding verschoonbaar had moeten achten. 5.3. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat toepassing van de aanmeldingsdeadline in haar geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard of dat sprake is van schrijnende omstandigheden. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, een ernstige medische omstandigheid of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Voor beantwoording van de vraag of er in deze zaak sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, beoordeelt de rechtbank of er sprake is van actuele, schrijnende omstandigheden ten tijde van de aanvraagperiode. 5.4. De rechtbank ziet dat de persoonlijke situatie van eiseres moeilijk moet zijn geweest en grote impact heeft (gehad) op haar leven. Het is naar het oordeel van de rechtbank echter niet aannemelijk gemaakt dat eiseres ten tijde van de aanvraagperiode zo persoonlijk ontwricht was dat zij daardoor niet in staat was zich tijdig aan te melden. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Eiseres heeft in bezwaar de volgende medische informatie verstrekt: - een brief van 11 oktober 2024 van [psycholoog], waarin staat dat eiseres sinds 2020 wegens angst- en depressieve klachten en in verband met een belast verleden bij hem in behandeling is; - een brief van 21 mei 2014 van [instantie] waarin staat dat eiseres daar vanaf medio mei 2013 in behandeling was; en - een brief van 5 maart 2012 waaruit volgt dat eiseres van maart tot en met november 2011 in behandeling is geweest bij [naam kliniek] psychologen. De rechtbank is het met verweerder eens dat uit deze medische informatie niet de conclusie kan worden getrokken dat er, ten tijde van de aanmeldperiode, sprake was van dermate ernstige psychische problematiek dat niet gevergd kon worden dat eiseres zich tijdig zou aanmelden. Dat er sprake was van psychische problematiek is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiseres zich daardoor niet kon aanmelden. Dat geldt ook voor de traumatische gebeurtenissen die eiseres in het verleden heeft meegemaakt en de omstandigheid dat zij nog steeds lastig wordt gevallen door haar ex-partner.
Volledig
Uit de meest recente medische informatie, de brief van [psycholoog], volgt dat eiseres daar sinds 2020 onder behandeling staat, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat eiseres in de aanmeldperiode (of in ieder geval in het laatste aanmeldjaar 2023) niet in staat was om zich aan te melden. Het is de rechtbank ook niet duidelijk geworden waarom eiseres in april 2024 wel in staat was om zich telefonisch te melden en waarin de situatie in april 2024 dan verschilde met de situatie in de aanmeldperiode. 5.5. Eiseres betoogt dat verweerder haar telefonisch heeft benaderd en haar misleidende informatie heeft gegeven, en dat zij een brief heeft gekregen van verweerder. Eiseres heeft geen stukken ingebracht ter onderbouwing. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat alle contacten met burgers worden vastgelegd in een systeem. In dit systeem staat niet dat er op enig moment contact is geweest met eiseres. Pas bij de aanvraag in 2024 is het eerste contact geweest. Voor de rechtbank is er daarom onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat verweerder misleidende informatie heeft verstrekt. Temeer omdat verweerder ook heeft toegelicht dat eiseres niet bij verweerder bekend was. Het betoog van eiseres dat verweerder de informatieplicht heeft geschonden, omdat zij niet persoonlijk is benaderd, slaagt dan ook niet. Eiseres is terecht niet persoonlijk benaderd, omdat zij niet bij verweerder bekend was. Het was dan ook niet aannemelijk dat eiseres behoorde tot de groep van ouders waarvan op grond van de beschikbare data al kon worden geconcludeerd dat er een grote kans was dat zij gedupeerd was. Dat eiseres niet op de hoogte zou zijn van de herstelregeling en de noodzaak tot aanmelding, behoort tot haar eigen verantwoordelijkheid. Verweerder hoeft, anders dan eiseres stelt, geen individuele bekendheid met de herstelregeling aan te tonen. De hersteloperatie en de daarvoor geldende termijn zijn veelvuldig in het nieuws geweest en hierover is ook bericht op sociale media. Eiseres had zich op een laagdrempelige manier kunnen laten informeren. 5.6. Van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verweerder heeft de ter beschikking staande informatie en de door eiseres aangevoerde omstandigheden bij zijn beoordeling betrokken en is daarop genoegzaam ingegaan in het bestreden besluit. Ook is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De wetgever heeft, zoals hiervoor reeds overwogen, bewust gekozen voor een uiterlijke aanmelddatum. Er is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever . 5.7. Voor zover eiseres stelt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, slaagt dat betoog ook niet. Eiseres heeft niet onderbouwd dat sprake is van gelijke gevallen die door verweerder ongelijk zijn behandeld. De enkele verwijzing naar jurisprudentie en het overzicht van verweerder met de stand van zaken over te late aanmeldingen is hiervoor onvoldoende. De beoordeling is immers heel casuïstisch en eiseres heeft niet onderbouwd – en het is de rechtbank ook niet gebleken – dat sprake is van gelijke gevallen. 5.8. De rechtbank is concluderend van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres haar aanvraag niet voor het einde van de aanmeldtermijn kon indienen. Daarmee is geen sprake van een bijzondere situatie die verweerder aanleiding had moeten geven de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten en de hardheidsclausule toe te passen. 6. Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat verweerder in deze procedure naar voren heeft gebracht dat hem niet is gebleken dat eiseres op enig moment kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag mocht afwijzen. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Brief van de Staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023, kenmerk 2023-0000266331, pagina 3. Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456. Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852.
Volledig
Uit de meest recente medische informatie, de brief van [psycholoog], volgt dat eiseres daar sinds 2020 onder behandeling staat, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat eiseres in de aanmeldperiode (of in ieder geval in het laatste aanmeldjaar 2023) niet in staat was om zich aan te melden. Het is de rechtbank ook niet duidelijk geworden waarom eiseres in april 2024 wel in staat was om zich telefonisch te melden en waarin de situatie in april 2024 dan verschilde met de situatie in de aanmeldperiode. 5.5. Eiseres betoogt dat verweerder haar telefonisch heeft benaderd en haar misleidende informatie heeft gegeven, en dat zij een brief heeft gekregen van verweerder. Eiseres heeft geen stukken ingebracht ter onderbouwing. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat alle contacten met burgers worden vastgelegd in een systeem. In dit systeem staat niet dat er op enig moment contact is geweest met eiseres. Pas bij de aanvraag in 2024 is het eerste contact geweest. Voor de rechtbank is er daarom onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat verweerder misleidende informatie heeft verstrekt. Temeer omdat verweerder ook heeft toegelicht dat eiseres niet bij verweerder bekend was. Het betoog van eiseres dat verweerder de informatieplicht heeft geschonden, omdat zij niet persoonlijk is benaderd, slaagt dan ook niet. Eiseres is terecht niet persoonlijk benaderd, omdat zij niet bij verweerder bekend was. Het was dan ook niet aannemelijk dat eiseres behoorde tot de groep van ouders waarvan op grond van de beschikbare data al kon worden geconcludeerd dat er een grote kans was dat zij gedupeerd was. Dat eiseres niet op de hoogte zou zijn van de herstelregeling en de noodzaak tot aanmelding, behoort tot haar eigen verantwoordelijkheid. Verweerder hoeft, anders dan eiseres stelt, geen individuele bekendheid met de herstelregeling aan te tonen. De hersteloperatie en de daarvoor geldende termijn zijn veelvuldig in het nieuws geweest en hierover is ook bericht op sociale media. Eiseres had zich op een laagdrempelige manier kunnen laten informeren. 5.6. Van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verweerder heeft de ter beschikking staande informatie en de door eiseres aangevoerde omstandigheden bij zijn beoordeling betrokken en is daarop genoegzaam ingegaan in het bestreden besluit. Ook is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De wetgever heeft, zoals hiervoor reeds overwogen, bewust gekozen voor een uiterlijke aanmelddatum. Er is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever . 5.7. Voor zover eiseres stelt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, slaagt dat betoog ook niet. Eiseres heeft niet onderbouwd dat sprake is van gelijke gevallen die door verweerder ongelijk zijn behandeld. De enkele verwijzing naar jurisprudentie en het overzicht van verweerder met de stand van zaken over te late aanmeldingen is hiervoor onvoldoende. De beoordeling is immers heel casuïstisch en eiseres heeft niet onderbouwd – en het is de rechtbank ook niet gebleken – dat sprake is van gelijke gevallen. 5.8. De rechtbank is concluderend van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres haar aanvraag niet voor het einde van de aanmeldtermijn kon indienen. Daarmee is geen sprake van een bijzondere situatie die verweerder aanleiding had moeten geven de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten en de hardheidsclausule toe te passen. 6. Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat verweerder in deze procedure naar voren heeft gebracht dat hem niet is gebleken dat eiseres op enig moment kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag mocht afwijzen. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Brief van de Staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023, kenmerk 2023-0000266331, pagina 3. Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456. Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852.