Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:980
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,856 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3937
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van huur- en zorgtoeslag.
1.1.
Verweerder heeft eisers aanvraag van huur-en zorgtoeslag over 2018 en 2019 bij besluiten van 23 maart 2023 afgewezen. Bij besluiten van 19 mei 2023 op de bezwaren van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 15 december 2022 heeft eiser verzocht om herziening van zorgtoeslag en huurtoeslag over de jaren 2018 en 2019. Omdat verweerder geen eerdere aanvraag om zorgtoeslag en huurtoeslag over die jaren had ontvangen, is het verzoek aangemerkt als een eerste aanvraag om toekenning van deze toeslagen. Verweerder heeft beslist tot afwijzing, omdat de aanvraag te laat is ontvangen.
Wat stelt eiser in beroep?
3. Verweerder had de aanvragen niet mogen afwijzen. Nadat eiser failliet is verklaard en dakloos raakte, werd een postblokkade opgelegd. Daardoor was hij niet in staat om de toeslagen tijdig aan te vragen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Zorgtoeslag en huurtoeslag zijn tegemoetkomingen waarop de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing is. In artikel 15, eerste lid van de Awir is bepaald, dat een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar, tot 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar kan worden ingediend. Als een belastingplichtige is uitgenodigd tot het doen van aangifte en daarvoor een termijn is vastgesteld die op een later moment verloopt, kan de tegemoetkoming tot dat latere moment worden aangevraagd.
4.1.
Voor het jaar 2018 kon eiser tot 1 september 2019 toeslagen aanvragen. Door verleend uitstel kon dat voor het jaar 2019 tot 1 mei 2021. Voor beide jaren is de aanvraagtermijn zeer ruim overschreden.
4.2.
Eisers betoog komt erop neer, dat van de wettelijke aanvraagtermijn moet worden afgeweken. Dat is niet mogelijk. De tekst van artikel 15, eerste lid, van de Awir is dwingend geformuleerd en laat geen ruimte om daarvan af te wijken.
Voor zover eiser met zijn verwijzingen naar de toeslagenaffaire heeft bedoeld, dat de rechtbank met toepassing van het evenredigheidsbeginsel van de aanvraagtermijn moet afwijken, ziet de rechtbank daarvoor geen mogelijkheid. Afwijking van een wet in formele zin is alleen mogelijk bij bijzondere omstandigheden, die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die meebrengen dat de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. De situatie waarin eiser verkeert, voldoet daar niet aan. De wetgever heeft er namelijk bewust en uitdrukkelijk voor gekozen, dat een tegemoetkoming niet meer kan worden verleend als na een lange periode sinds het verstrijken van de aanvraagtermijn alsnog een aanvraag wordt ingediend. Het karakter van inkomensafhankelijke tegemoetkomingen laat volgens de wetgever geen andere uitkomst toe.
4.3.
Hoewel de rechtbank ziet dat eiser kampte met ingrijpende persoonlijke omstandigheden, kon verweerder niet tot een andere beslissing komen dan eisers aanvragen af te wijzen en zijn bezwaren ongegrond te verklaren.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:852.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3070.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3937
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van huur- en zorgtoeslag.
1.1.
Verweerder heeft eisers aanvraag van huur-en zorgtoeslag over 2018 en 2019 bij besluiten van 23 maart 2023 afgewezen. Bij besluiten van 19 mei 2023 op de bezwaren van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 15 december 2022 heeft eiser verzocht om herziening van zorgtoeslag en huurtoeslag over de jaren 2018 en 2019. Omdat verweerder geen eerdere aanvraag om zorgtoeslag en huurtoeslag over die jaren had ontvangen, is het verzoek aangemerkt als een eerste aanvraag om toekenning van deze toeslagen. Verweerder heeft beslist tot afwijzing, omdat de aanvraag te laat is ontvangen.
Wat stelt eiser in beroep?
3. Verweerder had de aanvragen niet mogen afwijzen. Nadat eiser failliet is verklaard en dakloos raakte, werd een postblokkade opgelegd. Daardoor was hij niet in staat om de toeslagen tijdig aan te vragen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Zorgtoeslag en huurtoeslag zijn tegemoetkomingen waarop de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing is. In artikel 15, eerste lid van de Awir is bepaald, dat een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar, tot 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar kan worden ingediend. Als een belastingplichtige is uitgenodigd tot het doen van aangifte en daarvoor een termijn is vastgesteld die op een later moment verloopt, kan de tegemoetkoming tot dat latere moment worden aangevraagd.
4.1.
Voor het jaar 2018 kon eiser tot 1 september 2019 toeslagen aanvragen. Door verleend uitstel kon dat voor het jaar 2019 tot 1 mei 2021. Voor beide jaren is de aanvraagtermijn zeer ruim overschreden.
4.2.
Eisers betoog komt erop neer, dat van de wettelijke aanvraagtermijn moet worden afgeweken. Dat is niet mogelijk. De tekst van artikel 15, eerste lid, van de Awir is dwingend geformuleerd en laat geen ruimte om daarvan af te wijken.
Voor zover eiser met zijn verwijzingen naar de toeslagenaffaire heeft bedoeld, dat de rechtbank met toepassing van het evenredigheidsbeginsel van de aanvraagtermijn moet afwijken, ziet de rechtbank daarvoor geen mogelijkheid. Afwijking van een wet in formele zin is alleen mogelijk bij bijzondere omstandigheden, die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die meebrengen dat de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. De situatie waarin eiser verkeert, voldoet daar niet aan. De wetgever heeft er namelijk bewust en uitdrukkelijk voor gekozen, dat een tegemoetkoming niet meer kan worden verleend als na een lange periode sinds het verstrijken van de aanvraagtermijn alsnog een aanvraag wordt ingediend. Het karakter van inkomensafhankelijke tegemoetkomingen laat volgens de wetgever geen andere uitkomst toe.
4.3.
Hoewel de rechtbank ziet dat eiser kampte met ingrijpende persoonlijke omstandigheden, kon verweerder niet tot een andere beslissing komen dan eisers aanvragen af te wijzen en zijn bezwaren ongegrond te verklaren.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:852.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3070.