Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:9798
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,071 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9798 text/xml public 2026-05-01T12:13:17 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-23 25/8454 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9798 text/html public 2026-05-01T12:12:56 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9798 Rechtbank Den Haag , 23-01-2026 / 25/8454 Vovo. Verweerder mocht de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afwijzen en hoefde geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Verzoek afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/8454 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. Y. Seyran), en het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder (gemachtigde: mr. I. Simons). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het besluit van 18 november 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. Verweerder heeft op het ingediende verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde, H. Rida (tolk van verzoeker) en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 3. Verzoeker staat met zijn ouders, twee broertjes en twee zusjes ingeschreven aan de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Op 23 oktober 2025 heeft hij bij verweerder een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Hierin geeft hij aan dat zijn huidige woonsituatie psychisch zeer belastend voor hem is. Zo lijdt hij aan een depressieve-stemmingsstoornis, waarvoor hij sinds 29 augustus 2025 in behandeling is bij de GGZ. Ook is in het verleden de diagnose PTSS bij hem gesteld. Zijn behandelaar geeft aan dat een veilige en stabiele woonomgeving onmisbaar is voor herstel, echter is daarvan bij hem geenszins sprake. Zo wordt hij in de woning voortdurend vernederd door zijn vader. Ook moet hij een kleine kamer delen met zijn minderjarige broertje, wat gelet op zijn medicijngebruik geen ideale situatie is. Op dit moment is de situatie dusdanig geëscaleerd dat zijn vader hem niet meer toestaat om in de woning te verblijven. Hierdoor is verzoeker genoodzaakt om in zijn auto te slapen. Wat heeft verweerder besloten? 4. Verweerder heeft de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen omdat er meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn. Zo is er geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem , is verzoeker niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien en woont hij in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is. Verder ziet verweerder in de situatie van verzoeker geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Wat vindt verzoeker? 5. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Hij betwist op zichzelf niet dat de door verweerder tegengeworpen weigeringsgronden van toepassing zijn, echter had verweerder in zijn medische situatie aanleiding moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen. Uit de verklaring van zijn behandelaar van 22 september 2025 volgt namelijk onder meer dat gezien de ernst en de impact van de huidige woonsituatie een noodzaak bestaat voor zelfstandige huisvesting. Verweerder had op basis van die verklaring op zijn minst een nader medisch onderzoek moeten instellen. Verder moet bij het beroep op de hardheidsclausule nog worden meegewogen dat er voor verzoeker geen reële andere opties zijn, nu hij door zijn korte inschrijfduur niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning en hij over onvoldoende inkomsten beschikt om een woning te huren in de particuliere sector. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 6. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient daarom eerst te kijken of er voldoende spoedeisend belang is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. 6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker momenteel in zijn auto slaapt, terwijl hij kampt met psychische klachten. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat de hoorzitting voor de bezwaarschriftencommissie op 10 februari a.s. plaatsvindt, waarna uiterlijk zes weken later de beslissing op het door verzoeker ingestelde bezwaar volgt. Als er geen voorziening wordt getroffen, dan betekent dit dus dat er rekening mee moet worden gehouden dat de hiervoor geschetste situatie in ieder geval tot dat moment zal voortduren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan een spoedeisend belang daarom redelijkerwijs niet aan verzoeker worden ontzegd. Mocht verweerder de aanvraag om een urgentieverklaring afwijzen? 7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij het toekennen van een urgentieverklaring beoordelingsruimte en beleidsvrijheid toekomt. Daarom moet de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend toetsen. Het restrictieve beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen heeft als doel de verdeling van de schaarse woningvoorraad onder de vele woningzoekenden op een zo rechtvaardig mogelijke manier te regelen. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat andere woningzoekenden langer op een woning moeten wachten. 7.1. Dit restrictieve beleid wordt, in aanmerking genomen het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is, door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk geacht. Indien één van de weigeringsgronden van artikel 4:5 van de Huisvestingsverordening van toepassing is wordt een aanvraag om een urgentieverklaring in beginsel afgewezen. 7.2. Tussen partijen staat niet ter discussie dat in deze zaak meerdere weigeringsgronden zijn. Dat betekent dus dat verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring in beginsel mocht afwijzen. Had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen? 8. Verweerder kan bepalingen uit de Huisvestingsverordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken op grond van de hardheidsclausule. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen heeft het bestuursorgaan bij het al dan niet toepassen van een hardheidsclausule ook beoordelingsruimte. Het gebruik van deze ruimte moet door de rechter eveneens terughoudend worden getoetst. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts indien verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen. De hardheidsclausule wordt slechts toegepast in gevallen waarin het niet toekennen van een urgentieverklaring leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. 8.1. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met de door hem ingediende stukken onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dergelijke situatie.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9798 text/xml public 2026-05-01T12:13:17 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-23 25/8454 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9798 text/html public 2026-05-01T12:12:56 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9798 Rechtbank Den Haag , 23-01-2026 / 25/8454 Vovo. Verweerder mocht de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afwijzen en hoefde geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Verzoek afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/8454 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. Y. Seyran), en het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder (gemachtigde: mr. I. Simons). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het besluit van 18 november 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. Verweerder heeft op het ingediende verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde, H. Rida (tolk van verzoeker) en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 3. Verzoeker staat met zijn ouders, twee broertjes en twee zusjes ingeschreven aan de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Op 23 oktober 2025 heeft hij bij verweerder een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Hierin geeft hij aan dat zijn huidige woonsituatie psychisch zeer belastend voor hem is. Zo lijdt hij aan een depressieve-stemmingsstoornis, waarvoor hij sinds 29 augustus 2025 in behandeling is bij de GGZ. Ook is in het verleden de diagnose PTSS bij hem gesteld. Zijn behandelaar geeft aan dat een veilige en stabiele woonomgeving onmisbaar is voor herstel, echter is daarvan bij hem geenszins sprake. Zo wordt hij in de woning voortdurend vernederd door zijn vader. Ook moet hij een kleine kamer delen met zijn minderjarige broertje, wat gelet op zijn medicijngebruik geen ideale situatie is. Op dit moment is de situatie dusdanig geëscaleerd dat zijn vader hem niet meer toestaat om in de woning te verblijven. Hierdoor is verzoeker genoodzaakt om in zijn auto te slapen. Wat heeft verweerder besloten? 4. Verweerder heeft de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen omdat er meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn. Zo is er geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem , is verzoeker niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien en woont hij in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is. Verder ziet verweerder in de situatie van verzoeker geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Wat vindt verzoeker? 5. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Hij betwist op zichzelf niet dat de door verweerder tegengeworpen weigeringsgronden van toepassing zijn, echter had verweerder in zijn medische situatie aanleiding moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen. Uit de verklaring van zijn behandelaar van 22 september 2025 volgt namelijk onder meer dat gezien de ernst en de impact van de huidige woonsituatie een noodzaak bestaat voor zelfstandige huisvesting. Verweerder had op basis van die verklaring op zijn minst een nader medisch onderzoek moeten instellen. Verder moet bij het beroep op de hardheidsclausule nog worden meegewogen dat er voor verzoeker geen reële andere opties zijn, nu hij door zijn korte inschrijfduur niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning en hij over onvoldoende inkomsten beschikt om een woning te huren in de particuliere sector. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 6. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient daarom eerst te kijken of er voldoende spoedeisend belang is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. 6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker momenteel in zijn auto slaapt, terwijl hij kampt met psychische klachten. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat de hoorzitting voor de bezwaarschriftencommissie op 10 februari a.s. plaatsvindt, waarna uiterlijk zes weken later de beslissing op het door verzoeker ingestelde bezwaar volgt. Als er geen voorziening wordt getroffen, dan betekent dit dus dat er rekening mee moet worden gehouden dat de hiervoor geschetste situatie in ieder geval tot dat moment zal voortduren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan een spoedeisend belang daarom redelijkerwijs niet aan verzoeker worden ontzegd. Mocht verweerder de aanvraag om een urgentieverklaring afwijzen? 7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij het toekennen van een urgentieverklaring beoordelingsruimte en beleidsvrijheid toekomt. Daarom moet de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend toetsen. Het restrictieve beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen heeft als doel de verdeling van de schaarse woningvoorraad onder de vele woningzoekenden op een zo rechtvaardig mogelijke manier te regelen. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat andere woningzoekenden langer op een woning moeten wachten. 7.1. Dit restrictieve beleid wordt, in aanmerking genomen het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is, door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk geacht. Indien één van de weigeringsgronden van artikel 4:5 van de Huisvestingsverordening van toepassing is wordt een aanvraag om een urgentieverklaring in beginsel afgewezen. 7.2. Tussen partijen staat niet ter discussie dat in deze zaak meerdere weigeringsgronden zijn. Dat betekent dus dat verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring in beginsel mocht afwijzen. Had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen? 8. Verweerder kan bepalingen uit de Huisvestingsverordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken op grond van de hardheidsclausule. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen heeft het bestuursorgaan bij het al dan niet toepassen van een hardheidsclausule ook beoordelingsruimte. Het gebruik van deze ruimte moet door de rechter eveneens terughoudend worden getoetst. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts indien verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen. De hardheidsclausule wordt slechts toegepast in gevallen waarin het niet toekennen van een urgentieverklaring leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. 8.1. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met de door hem ingediende stukken onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dergelijke situatie.