Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:8020
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,005 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:8020 text/xml public 2026-04-08T08:40:45 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-25 NL26.12427 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8020 text/html public 2026-04-08T08:40:17 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:8020 Rechtbank Den Haag , 25-03-2026 / NL26.12427 Bewaring art. 59 Vw. Arrest Aroja, bewaringsbesluit kan in dit geval niet mede worden gezien als verlengingsbesluit, is niet aangekondigd en niet als zodanig aan eiser kenbaar gemaakt. De minister had daarom een apart verlengingsbesluit moeten nemen, gelet op eerdere periode van bewaring van 5,5 maand in 2024. Beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12427 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , [V Nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot). Procesverloop De minister heeft op 23 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft de maatregel van bewaring op 11 maart 2026 opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Zowel eiser als de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Ghanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1993. 2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Bij uitspraak van 20 januari 2026 (in de zaak NL26.101) heeft de rechtbank geoordeeld dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek – 15 januari 2025 – dat aan die uitspraak ten grondslag ligt rechtmatig was. 4. Onder verwijzing naar het arrest [naam] betoogt eiser dat de minister ten onrechte geen verlengingsbesluit heeft genomen, nu de totale duur van de periodes dat eiser in bewaring verbleef op 4 januari 2026 bij elkaar opgeteld zes maanden bedroeg. Eiser heeft immers van 26 juni 2024 tot en met 9 december 2024 al op grond van het terugkeerbesluit van 6 januari 2023 in bewaring gezeten. 4.1. In artikel 59, vijfde lid, van de Vw is bepaald dat de bewaring (in beginsel) niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 is vervolgens bepaald dat die bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat uit het arrest [naam] voortvloeit dat de minister een verlengingsbesluit moet nemen wanneer de duur van de verschillende periodes van bewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld zes maanden bedraagt. De minister stelt zich in dat verband op het standpunt dat eiser bij aanvang van deze bewaring al 167 van de 180 dagen in bewaring had gezeten, zodat de maatregel van bewaring van 23 december 2025 ook moet worden gezien als een verlengingsbesluit. In de maatregel heeft de minister immers overwogen dat nog geen documentatie voorhanden is waarmee eiser kan worden uitgezet en ook dat eiser nog steeds niet meewerkt aan zijn uitzetting. Aan de voorwaarden voor verlenging van de bewaring is dus voldaan en dat blijkt ook duidelijk uit het besluit. Het voortduren van de bewaring was daarom niet onrechtmatig, aldus de minister. 4.3. Uit het beleid van de minister, zoals vastgelegd in paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000, volgt dat de DT&V de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden bewaring van de verlenging met een verlengingsbesluit op de hoogte moet stellen, als er redenen zijn om de bewaring met een termijn van maximaal twaalf maanden te verlengen. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit. In het verlengingsbesluit wordt nagegaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. 4.4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt niet dat eiser op de hoogte is gebracht van het voornemen om de bewaring met ten hoogste twaalf maanden te verlengen en derhalve evenmin dat hij en zijn advocaat in de gelegenheid zijn gesteld om op dat voornemen te reageren. Ook blijkt uit het bewaringsbesluit van 23 december 2025 niet dat het (mede) om een verlengingsbesluit gaat. Weliswaar is overwogen dat er nog documentatie ontbreekt en dat eiser nog steeds niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, maar daarbij is niet aan eiser kenbaar gemaakt dat die omstandigheden, alle belangen afwegend, aanleiding hebben gegeven om zijn bewaring met ten hoogste twaalf maanden te verlengen. Dat uit het bestreden besluit blijkt dat aan de materiële voorwaarden voor verlenging van de bewaring is voldaan maakt in dit geval dan ook niet dat sprake is van een rechtmatig verlengingsbesluit. De rechtbank volgt de minister in deze procedure dus niet in zijn standpunt dat het bewaringsbesluit ook kan worden gezien als verlengingsbesluit. Eiser verbleef op 4 januari 2026 180 dagen in bewaring, zodat de minister uiterlijk op die datum (alsnog) een verlengingsbesluit had moeten nemen. 5. Het beroep is gegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring was, gelet op het ontbreken van het vereiste verlengingsbesluit, onrechtmatig sinds de dag waarop dat besluit uiterlijk had moeten worden genomen, te weten op 4 januari 2026. Dat betekent dat eiser in ieder geval recht heeft op schadevergoeding vanaf de dag dat het onderzoek in de vorige beroepsprocedure is gesloten, te weten vanaf 16 januari 2026 (zie r.o. 3). 6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser echter ook recht op schadevergoeding over de periode van 5 tot en met 15 januari 2026. De rechtbank vat eisers ter zitting gedane verzoek tot schadevergoeding over die periode op als een verzoek tot herziening van de uitspraak van 20 januari 2026. Op grond van artikel 8:119 van de Awb is herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak kort gezegd mogelijk op grond van feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de uitspraak, die toen niet bekend waren, maar die wel tot een andere uitspraak geleid zouden kunnen hebben. Weliswaar is het arrest [naam] van 5 maart 2026, en dus van een latere datum dan de uitspraak van 20 januari 2026, maar het Hof van Justitie heeft in dit arrest het geldende recht uitgelegd. Deze uitleg moet volgens vaste jurisprudentie van datzelfde Hof van Justitie geacht worden altijd al te hebben gegolden. Dat betekent dat de in het arrest van het Hof van Justitie gegeven uitleg van het recht dus een feit of omstandigheid is die zich heeft voorgedaan vóór de uitspraak van 20 januari 2026 en, ware dit gegeven destijds bij de behandeling van het beroep destijds meegenomen, tot een gegrondverklaring van dat beroep had geleid. 7.