Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:11891
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,773 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11891 text/xml public 2026-05-18T17:00:12 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-13 NL26.24701 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11891 text/html public 2026-05-15T09:57:39 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11891 Rechtbank Den Haag , 13-05-2026 / NL26.24701 Bewaring, arrest Aroja, gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24701 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E. Özel). Procesverloop Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. G. Dorsman, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het arrest Aroja 1. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen verlengingsbesluit heeft genomen. Eiser is met het bestreden besluit voor de derde keer eerder in bewaring gesteld ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit (van 20 november 2023). De totale duur van de perioden dat eiser in bewaring verbleef is bij elkaar opgeteld meer dan zes maanden. Eiser verwijst naar het arrest Aroja , waaruit volgt dat vóór het verstrijken van de (gecumuleerde) maximale termijn van zes maanden een besluit tot verlenging moet zijn genomen. 1.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de termijn van zes maanden op het moment van het nemen van de bewaringsmaatregel van 23 april 2026 (het bestreden besluit) weliswaar was verstreken, maar dat in die bewaringsmaatregel een verlengingsbesluit als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 kan worden gelezen. In de maatregel heeft de minister immers overwogen dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Aan de voorwaarden voor verlenging van de bewaring is dus voldaan en dat blijkt ook duidelijk uit het bestreden besluit. Het voortduren van de bewaring was daarom niet onrechtmatig. De minister heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 12 maart 2026. 1.2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de totale duur van de aan eiser opgelegde maatregelen van bewaring ter uitvoering van het terugkeerbesluit van 20 november 2023 langer is dan zes maanden. 1.3. In artikel 59, vijfde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de bewaring (in beginsel) niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 is vervolgens bepaald dat die bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt. 1.4. Uit het arrest Aroja volgt onder meer dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen. Daarbij moeten alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, bij elkaar worden opgeteld. Daarnaast kan uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (gecumuleerde) oorspronkelijke maximale termijn van zes maanden een besluit tot verlenging moet zijn genomen. 1.5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling blijkt niet dat eiser op de hoogte is gebracht van het voornemen om de bewaring met ten hoogste twaalf maanden te verlengen en derhalve evenmin dat hij en zijn advocaat in de gelegenheid zijn gesteld om op dat voornemen te reageren. Ook blijkt uit de huidige maatregel van bewaring niet dat het (mede) om een verlengingsbesluit gaat. Uit artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 en het arrest Mahdi volgt dat de minister expliciet moet motiveren dat aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan. Een dergelijk verlengingsbesluit dient schriftelijk te worden genomen en moet de feitelijke en juridische gronden vermelden. Weliswaar is in de maatregel bij het tegenwerpen van zware grond 3d overwogen dat eiser onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, waarmee hij onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Maar daarbij is niet aan eiser kenbaar gemaakt dat die omstandigheden, alle belangen afwegend, aanleiding hebben gegeven om zijn bewaring met ten hoogste twaalf maanden te verlengen. De rechtbank volgt de minister in deze procedure dus niet in zijn standpunt dat de bewaringsmaatregel ook kan worden gezien als verlengingsbesluit. De rechtbank ziet in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 2026 , waar de minister naar verwezen heeft, geen reden om anders te oordelen. 1.6. Nu er geen verlengingsbesluit lag, mocht de minister de maatregel van bewaring niet aan eiser opleggen. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 2. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan op 23 april 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 mei 2026. 3. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 21 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 21 x 120 (verblijf detentiecentrum) = € 2.520. 4. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 mei 2026; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.520 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. ECLI:EU:C:2026:148. ECLI:NL:RBDHA:2026:5087. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320. ECLI:NL:RBDHA:2026:5087.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11891 text/xml public 2026-05-18T17:00:12 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-13 NL26.24701 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11891 text/html public 2026-05-15T09:57:39 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11891 Rechtbank Den Haag , 13-05-2026 / NL26.24701 Bewaring, arrest Aroja, gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24701 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E. Özel). Procesverloop Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. G. Dorsman, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het arrest Aroja 1. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen verlengingsbesluit heeft genomen. Eiser is met het bestreden besluit voor de derde keer eerder in bewaring gesteld ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit (van 20 november 2023). De totale duur van de perioden dat eiser in bewaring verbleef is bij elkaar opgeteld meer dan zes maanden. Eiser verwijst naar het arrest Aroja , waaruit volgt dat vóór het verstrijken van de (gecumuleerde) maximale termijn van zes maanden een besluit tot verlenging moet zijn genomen. 1.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de termijn van zes maanden op het moment van het nemen van de bewaringsmaatregel van 23 april 2026 (het bestreden besluit) weliswaar was verstreken, maar dat in die bewaringsmaatregel een verlengingsbesluit als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 kan worden gelezen. In de maatregel heeft de minister immers overwogen dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Aan de voorwaarden voor verlenging van de bewaring is dus voldaan en dat blijkt ook duidelijk uit het bestreden besluit. Het voortduren van de bewaring was daarom niet onrechtmatig. De minister heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 12 maart 2026. 1.2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de totale duur van de aan eiser opgelegde maatregelen van bewaring ter uitvoering van het terugkeerbesluit van 20 november 2023 langer is dan zes maanden. 1.3. In artikel 59, vijfde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de bewaring (in beginsel) niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 is vervolgens bepaald dat die bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt. 1.4. Uit het arrest Aroja volgt onder meer dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen. Daarbij moeten alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, bij elkaar worden opgeteld. Daarnaast kan uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (gecumuleerde) oorspronkelijke maximale termijn van zes maanden een besluit tot verlenging moet zijn genomen. 1.5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling blijkt niet dat eiser op de hoogte is gebracht van het voornemen om de bewaring met ten hoogste twaalf maanden te verlengen en derhalve evenmin dat hij en zijn advocaat in de gelegenheid zijn gesteld om op dat voornemen te reageren. Ook blijkt uit de huidige maatregel van bewaring niet dat het (mede) om een verlengingsbesluit gaat. Uit artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 en het arrest Mahdi volgt dat de minister expliciet moet motiveren dat aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan. Een dergelijk verlengingsbesluit dient schriftelijk te worden genomen en moet de feitelijke en juridische gronden vermelden. Weliswaar is in de maatregel bij het tegenwerpen van zware grond 3d overwogen dat eiser onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, waarmee hij onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Maar daarbij is niet aan eiser kenbaar gemaakt dat die omstandigheden, alle belangen afwegend, aanleiding hebben gegeven om zijn bewaring met ten hoogste twaalf maanden te verlengen. De rechtbank volgt de minister in deze procedure dus niet in zijn standpunt dat de bewaringsmaatregel ook kan worden gezien als verlengingsbesluit. De rechtbank ziet in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 2026 , waar de minister naar verwezen heeft, geen reden om anders te oordelen. 1.6. Nu er geen verlengingsbesluit lag, mocht de minister de maatregel van bewaring niet aan eiser opleggen. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 2. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan op 23 april 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 mei 2026. 3. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 21 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 21 x 120 (verblijf detentiecentrum) = € 2.520. 4. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 mei 2026; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.520 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. ECLI:EU:C:2026:148. ECLI:NL:RBDHA:2026:5087. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320. ECLI:NL:RBDHA:2026:5087.