Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:7094
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,989 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:7094 text/xml public 2026-03-30T09:40:34 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-25 NL24.7462 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7094 text/html public 2026-03-30T09:40:01 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7094 Rechtbank Den Haag , 25-03-2026 / NL24.7462 derdelander Oekraïne; ongegrond; PKV toegewezen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.7462 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat zij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar haar land van herkomst. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742. Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843). Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 10 december 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren. Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. 2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiseres rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na haar vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft zij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. 3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiseres die nog een lopende procedure hebben. In het vervangende besluit van 10 december 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiseres binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten. 4. Eiseres is het niet eens met het besluit van 10 december 2025. Zij voert aan dat verweerder haar tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiseres handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel door terug te komen op de bevriezingsmaatregel, en handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. Verder beroept eiseres zich op het recht op familie- en privéleven zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM. Daarnaast stelt eiseres dat haar tijdelijke bescherming nog doorloopt op grond van het Verlengingsbesluit en dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen. Ook heeft verweerder haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende betrokken, waardoor het besluit onvoldoende is gemotiveerd. 5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiseres op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangende terugkeerbesluit rechtmatig is. Zij had op dat moment ook geen verblijfsvergunning of lopende verblijfsrechtelijke aanvraag. De bevriezingsmaatregel heeft niet te gelden als rechtmatig verblijf en staat dus niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg. Dat eiseres gedurende haar tijdelijke verblijf banden met Nederland heeft opgebouwd betekent niet dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op familie- of privéleven. Eiseres heeft immers vanwege het tijdelijke karakter van haar verblijfsrecht altijd rekening moeten houden met terugkeer. De rechtbank oordeelt als volgt. 6. In het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiseres na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiseres op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat zij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangende besluit vermeldt dat zij binnen vier weken moet terugkeren naar Marokko. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). 7. De rechtbank ziet geen grond om het oordeel van de Afdeling onjuist te achten. De Afdeling is gemotiveerd tot haar oordeel gekomen en de rechtbank kan deze motivering volgen. In deze motivering is betrokken dat verweerder op grond van een facultatieve bepaling heeft besloten om het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 ook toe te passen op een groep personen die door de Raad van de Europese Unie niet is aangewezen als groep die tijdelijke bescherming moest krijgen. Bij het facultatieve karakter van deze bepaling hoort de bevoegdheid om de tijdelijke bescherming van de desbetreffende groep te beëindigen. De door eiseres aangehaalde voetnoot in het voorstel van de Europese Commissie van 19 september 2023, COM(2023)546, is geen dragend onderdeel van deze motivering. Dat het op 24 oktober 2023 gepubliceerde uitvoeringsbesluit 2023/2409 van de Raad van de Europese Unie na de zitting bij de Afdeling is verschenen is geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat dit niet wezenlijk afwijkt van het voorstel dat ten tijde van de procedure bij de Afdeling al bekend was. 8. Eiseres kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in haar stelling dat het vervangende besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Haar tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en zij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar haar land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen. 9. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel.