Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:10288
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,035 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10288 text/xml public 2026-05-01T08:55:47 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL24.13997 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10288 text/html public 2026-05-01T08:55:22 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10288 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL24.13997 Derdelanders Oekraïne – beroep ongegrond - proceskostenveroordeling RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.13997 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. K. Kanters). Procesverloop In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming , en dat zij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar haar land van herkomst. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742. Het Hof heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843). Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 14 augustus 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren. Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld, dit op verzoek van eiseres en haar gemachtigde. Zij zijn vervolgens niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. 2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiseres rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na haar vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft zij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. 3. In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. In het aanvullende besluit van 14 augustus 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiseres binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten. 4. Eiseres is het niet eens met de besluiten van 21 februari 2024 en 14 augustus 2025. Zij voert, kort weergegeven, aan dat de rechten uit de RTB nog altijd van kracht zijn, ondanks de bevriezingsmaatregel. De beëindiging van de bescherming is in strijd met het nuttig effect van de RTB. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om te onderzoeken of eiser in aanmerking komt voor toelating op grond van arbeid of artikel 8 van het EVRM. Dit is in strijd met de doelstellingen van de Richtlijn. Eiseres betoogt verder om verschillende redenen dat sprake is van een onrechtmatige registratie van het terugkeerbesluit in het SIS. Een dergelijke registratie kan (reputatie)schade veroorzaken. De registratie is ook prematuur, omdat nog sprake is van een lopend beroep tegen het terugkeerbesluit. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. De rechtbank stelt vast dat het beroep niet tijdig is ingediend en ziet zich voor de vraag gesteld of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 , de verschillende oordelen van verschillende zittingsplaatsen nadien en de prejudiciële vragen die nadien zijn gesteld, de termijnoverschrijding verschoonbaar is. 6. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het beëindigen van haar tijdelijke bescherming in strijd is met het doel en nuttig effect van de richtlijn. Uit het arrest [naam 1] en [naam 2] volgt dat de intrekking van de facultatieve tijdelijke bescherming geen afbreuk mag doen aan het doel en het nuttig effect van de RTB en daarbij moeten de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. De Afdeling heeft geoordeeld dat er geen sprake is van schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel. De Afdeling overweegt in de uitspraak van 23 april 2025, onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024, dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Eiseres heeft niet geconcretiseerd of nader toegelicht waarom het in haar geval wel in strijd met het nuttig effect van de RTB of algemene beginselen van het Unierecht zou zijn en welke beginselen dan zouden zijn geschonden. De rechtbank ziet dan ook in dit geval geen reden om tot een ander oordeel te komen. 7. De rechtbank volgt eiseres ook niet in har standpunt dat sprake is van een onrechtmatig terugkeerbesluit omdat zij nog rechtmatig verblijf op grond van de RTB had vanwege de bevriezingsmaatregel. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 6 overwogen, is de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 geëindigd. Eiseres had vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. Dat het eiseres door middel van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat het terugkeerbesluit van 14 augustus 2025 prematuur is opgelegd en daarmee onrechtmatig is. 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met betrekking tot het beroep van eiseres op schadevergoeding en rechtsherstel op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres geenszins heeft aangetoond en onderbouwd wat de omvang van de schade is. De rechtbank kan derhalve dit verzoek niet toewijzen. 9. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar betoog dat verweerder had moeten toetsen of eiseres in aanmerking komt voor toelating op basis van arbeid of artikel 8 van het EVRM. Verweerder stelt terecht vast dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid omstandigheden aan te dragen die tot een verblijfsvergunning zouden kunnen leiden. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat als eiseres vindt dat zij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 8 van het EVRM dan wel in het kader van arbeid in loondienst of als zelfstandige, dat zij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen. 10. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat er geen reden bestaat om eiseres geen terugkeerbesluit op te leggen of af te zien van de SIS-registratie. Iedere vreemdeling met een terugkeerbesluit, ongeacht of hij de regels heeft overtreden, wordt in het SIS geregistreerd en de lidstaat verwijdert deze SIS-registratie nadat is voldaan aan de terugkeerverplichting die op de vreemdeling rust.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10288 text/xml public 2026-05-01T08:55:47 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL24.13997 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10288 text/html public 2026-05-01T08:55:22 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10288 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL24.13997 Derdelanders Oekraïne – beroep ongegrond - proceskostenveroordeling RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.13997 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. K. Kanters). Procesverloop In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming , en dat zij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar haar land van herkomst. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742. Het Hof heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843). Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 14 augustus 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren. Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld, dit op verzoek van eiseres en haar gemachtigde. Zij zijn vervolgens niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. 2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiseres rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na haar vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft zij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. 3. In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. In het aanvullende besluit van 14 augustus 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiseres binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten. 4. Eiseres is het niet eens met de besluiten van 21 februari 2024 en 14 augustus 2025. Zij voert, kort weergegeven, aan dat de rechten uit de RTB nog altijd van kracht zijn, ondanks de bevriezingsmaatregel. De beëindiging van de bescherming is in strijd met het nuttig effect van de RTB. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om te onderzoeken of eiser in aanmerking komt voor toelating op grond van arbeid of artikel 8 van het EVRM. Dit is in strijd met de doelstellingen van de Richtlijn. Eiseres betoogt verder om verschillende redenen dat sprake is van een onrechtmatige registratie van het terugkeerbesluit in het SIS. Een dergelijke registratie kan (reputatie)schade veroorzaken. De registratie is ook prematuur, omdat nog sprake is van een lopend beroep tegen het terugkeerbesluit. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. De rechtbank stelt vast dat het beroep niet tijdig is ingediend en ziet zich voor de vraag gesteld of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 , de verschillende oordelen van verschillende zittingsplaatsen nadien en de prejudiciële vragen die nadien zijn gesteld, de termijnoverschrijding verschoonbaar is. 6. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het beëindigen van haar tijdelijke bescherming in strijd is met het doel en nuttig effect van de richtlijn. Uit het arrest [naam 1] en [naam 2] volgt dat de intrekking van de facultatieve tijdelijke bescherming geen afbreuk mag doen aan het doel en het nuttig effect van de RTB en daarbij moeten de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. De Afdeling heeft geoordeeld dat er geen sprake is van schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel. De Afdeling overweegt in de uitspraak van 23 april 2025, onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024, dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Eiseres heeft niet geconcretiseerd of nader toegelicht waarom het in haar geval wel in strijd met het nuttig effect van de RTB of algemene beginselen van het Unierecht zou zijn en welke beginselen dan zouden zijn geschonden. De rechtbank ziet dan ook in dit geval geen reden om tot een ander oordeel te komen. 7. De rechtbank volgt eiseres ook niet in har standpunt dat sprake is van een onrechtmatig terugkeerbesluit omdat zij nog rechtmatig verblijf op grond van de RTB had vanwege de bevriezingsmaatregel. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 6 overwogen, is de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 geëindigd. Eiseres had vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. Dat het eiseres door middel van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat het terugkeerbesluit van 14 augustus 2025 prematuur is opgelegd en daarmee onrechtmatig is. 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met betrekking tot het beroep van eiseres op schadevergoeding en rechtsherstel op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres geenszins heeft aangetoond en onderbouwd wat de omvang van de schade is. De rechtbank kan derhalve dit verzoek niet toewijzen. 9. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar betoog dat verweerder had moeten toetsen of eiseres in aanmerking komt voor toelating op basis van arbeid of artikel 8 van het EVRM. Verweerder stelt terecht vast dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid omstandigheden aan te dragen die tot een verblijfsvergunning zouden kunnen leiden. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat als eiseres vindt dat zij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 8 van het EVRM dan wel in het kader van arbeid in loondienst of als zelfstandige, dat zij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen. 10. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat er geen reden bestaat om eiseres geen terugkeerbesluit op te leggen of af te zien van de SIS-registratie. Iedere vreemdeling met een terugkeerbesluit, ongeacht of hij de regels heeft overtreden, wordt in het SIS geregistreerd en de lidstaat verwijdert deze SIS-registratie nadat is voldaan aan de terugkeerverplichting die op de vreemdeling rust.