Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:5464
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,777 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:5464 text/xml public 2026-03-19T13:24:26 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-13 NL26.7518 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5464 text/html public 2026-03-16T10:12:32 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5464 Rechtbank Den Haag , 13-02-2026 / NL26.7518 Vervolgberoep grensdetentie art. 6 lid 3 Vw. Kans nihil dat binnen de in de jp vastgestelde termijn van 13 weken uitspraak zal worden gedaan op asielberoep, gelet op planning. Grensdetentie daarom niet langer evenredig. Beroep buiten zitting gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7518 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister. Procesverloop De minister heeft op 27 november 2025 aan eiseres de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiseres heeft tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiseres heeft de Togolese nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedag] 1996. 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze vrijheidsontnemende maatregel al eerder heeft getoetst. Uit de (mondelinge) uitspraak van 30 december 2025 (in de zaak NL25.62153) volgt dat de vrijheidsontnemende maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2025 volgt dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw zo kort mogelijk moet duren. Niet iedere langere duur van grensdetentie levert per definitie strijd op met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Maar dit neemt niet weg dat artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, dat de grondrechten van vreemdelingen beoogt te waarborgen, vereist dat de grensdetentie zo kort mogelijk duurt. Als door organisatorische problemen bij de rechtbank de behandeling van het asielberoep, dan wel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zeer lang op zich laat wachten, kan dit leiden tot de conclusie dat de grensdetentie niet zo kort mogelijk duurt. De Afdeling heeft daarom een maximaal toegestane duur voor grensdetentie bepaald, ook al kan dat betekenen dat de minister het grensbewakingsbelang moet prijsgeven. De Afdeling heeft artikel 9, eerst lid, van de Opvangrichtlijn zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in ieder geval te lang voortduurt na dertien weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. 4. In dit geval is de asielaanvraag ingediend op 27 november 2025, op welke dag ook de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. De minister heeft op 24 december 2025 een besluit op de asielaanvraag genomen. Op 30 december 2025 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het asielbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Het asielberoep en de voorlopige voorziening zijn op 7 april 2026 op zitting gepland bij deze rechtbank en zittingsplaats. Om (niet aan partijen te wijten) organisatorische redenen lukt het de rechtbank op dit moment niet het asielberoep op een eerdere zitting te plannen. De kans dat dit alsnog wel gaat lukken is dermate verwaarloosbaar dat ervan uit moet worden gegaan dat de behandeling van het beroep van eiseres pas op 7 april 2026 zal plaatsvinden. 5. Bij deze stand van zaken moet er dus van worden uitgegaan dat eiseres op het moment van de geplande behandeling van haar asielberoep meer dan dertien weken op deze grondslag in grensdetentie zal verblijven en de vrijheidsontneming alsdan niet zo kort als mogelijk zal hebben geduurd als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Een verdere voortduring van de grensdetentie zal daarvoor evenmin voldoen aan het vereiste van te goeder trouw als bedoeld in artikel 5, eerst lid aanhef en onder f, van het EVRM. 6. Deze voorzienbare schending van beide artikelen is een belangrijke omstandigheid die de rechtbank bij de vraag naar de evenredigheid van de maatregel reeds nu in ogenschouw dient te nemen. De rechter moet (ambtshalve) immers alle relevante feiten en omstandigheden betrekken bij de vraag naar de rechtmatigheid van (het voortduren van) de vrijheidsontneming. Zou de rechtbank deze omstandigheid niet in haar beoordeling (kunnen) meenemen, dan biedt de rechter ook geen effectieve rechtsbescherming. 7. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang niet zo zwaar weegt dat daarmee de voorziene te lange duur van grensdetentie kan worden gerechtvaardigd. Het voortduren van de bestreden maatregel is daarom met ingang van heden niet langer evenredig en daardoor onrechtmatig. 8. Het beroep is gegrond en de vrijheidsontnemende maatregel is vanaf vandaag onrechtmatig. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bestreden maatregel al op een eerder moment onrechtmatig te achten. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag. 9. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseres schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. 10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,00. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RVS:2025:2925. ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903, rechtsoverweging 67. ECLI:EU:C:2022:858, rechtsoverweging 87.