Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:4895
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,341 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:4895 text/xml public 2026-03-12T17:00:07 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-10 NL26.10998 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4895 text/html public 2026-03-10T15:15:45 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4895 Rechtbank Den Haag , 10-03-2026 / NL26.10998 Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.10998 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de minister van Asiel en Migratie Procesverloop De minister heeft op 25 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 15 december 2025. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 22 januari 2026. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 6 maart 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 1.1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 15 januari 2026. Ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn? 2. Eiser voert aan dat er geen concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Voorzienbaar is dat ondanks een maandenlange inbewaringstelling, geen laissez-passer (lp) zal worden afgegeven. Eiser heeft bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) aangegeven dat hij zijn medewerking verleent aan elk land waar ze hem willen presenteren. Voorzienbaar is dat er geen lp zal worden afgegeven. 2.1. De rechtbank stelt voorop dat het zich op uitzetting naar zowel Algerije als Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Dat nog geen lp is afgegeven, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat er in eisers geval geen zicht op uitzetting bestaat. Er zijn door eiser ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het lp-traject bij de Algerijnse of Marokkaanse autoriteiten op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. Eisers betoog dat hij bij de DTenV heeft aangegeven medewerking te verlenen aan ieder land waar ze hem aan willen presenteren, maakt dit oordeel niet anders. Op eiser rust immers de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet gebleken is dat eiser op enige wijze actief invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Dit volgt ook uit het verslag van het vertrekgesprek van 9 februari 2026. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb. Den Haag, zp. Arnhem 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24125. Rb. Den Haag, zp. Arnhem 22 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1434. Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000. ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ABRvS 15 juli 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2842. ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.