Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:6679
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,156 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6679 text/xml public 2026-03-27T09:10:36 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3180 Rechtbank Den Haag 2026-03-16 NL26.11035 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6679 text/html public 2026-03-26T13:58:44 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6679 Rechtbank Den Haag , 16-03-2026 / NL26.11035 Refoulementbeoordeling zoals bedoeld in het arrest Adrar. Recente asielbeschikking en uitspraak in de asielprocedure. Geen gewijzigde omstandigheden of nieuwe elementen. Verwijzing naar eerdere refoulementbeoordeling in asielprocedure volstaat. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.11035 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W.M. Blaauw), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Juriaans). Procesverloop Bij besluit van 30 januari 2026 is aan eiser op grond van artikel 6, eerste, tweede en zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is ook een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.K. van Middelkoop, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W.J.K. Kennedid. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [datum] 2004. Is de maatregel onevenredig bezwarend? 2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is vanwege de medische problemen die hij ondervindt. Hij heeft hartproblemen, pijn in zijn rechteroog en is geopereerd aan zijn teelbal. 3. De rechtbank overweegt dat verweerder deze medische problemen heeft onderkend en heeft kunnen overwegen dat dit geen aanleiding vormt om af te zien van het opleggen van de maatregel. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat er in het detentiecentrum een medische dienst is. Niet is gebleken dat eiser zich niet tot de medische dienst in het detentiecentrum kan wenden, of dat de aangeboden zorg voor hem ontoereikend is. De rechtbank volgt eiser daarom niet in het standpunt dat de maatregel onevenredig bezwarend is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ontbreekt het zicht op uitzetting? 4. De rechtbank heeft ambtshalve ter zitting de vraag opgeworpen of, gelet op het arrest Adrar en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2026, is beoordeeld of het risico op refoulement zich tegen eisers uitzetting verzet, nu deze beoordeling in de maatregel ontbreekt. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen risico op refoulement is, onder verwijzing naar de recente asielbeschikking en de uitspraak van 28 januari 2026 op het daartegen ingestelde beroep, waarin deze rechtbank en zittingsplaats heeft vastgesteld dat er geen risico op refoulement is. Eiser heeft ter zitting verklaard dit standpunt van verweerder te volgen. 4.1. Nu eiser eerder een asielprocedure heeft doorlopen, en niet is gebleken dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden of nieuwe elementen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder kan volstaan met een verwijzing naar de eerdere asielprocedure waarin al een refoulementbeoordeling is gemaakt. De rechtbank concludeert daarom dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. 5. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647. BRS.25.000423, op www.raadvanstate.nl. Zaaknummers NL25.57361 en NL25.57362, niet gepubliceerd.