Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:3578
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,290 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:3578 text/xml public 2026-03-05T08:33:16 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-19 NL26.6903 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3578 text/html public 2026-03-05T08:28:44 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3578 Rechtbank Den Haag , 19-02-2026 / NL26.6903 Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.6903 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. B. Pattiata). Procesverloop 1. Bij besluit van 7 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. 1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 1.2. Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 12 februari 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 17 februari 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 18 februari 2026 het onderzoek gesloten. Overwegingen 2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3. Eiser voert aan dat verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel. Eiser heeft aangegeven bereid te zijn Nederland te verlaten. Daarbij heeft hij ook aangegeven dat zijn zus hem kan helpen met de aanschaf van een reisticket. Verweerder had op zijn minst deze mogelijkheid nader moeten onderzoeken. Daarnaast heeft eiser last van zijn wervelkolom. Verweerder heeft dat onvoldoende bij de beoordeling betrokken. 4. De rechtbank overweegt als volgt. 5. De rechtbank stelt vast dat de zware en lichte gronden niet zijn bestreden. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om het risico op onttrekking en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure aanwezig te achten. 6. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel op te leggen. De stelling van eiser dat hij terug wil keren naar Polen hoefde voor verweerder geen reden te zijn om van het opleggen van de maatregel af te zien. Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt, kort samengevat, dat eiser zijn vertrekwens moet concretiseren om voor waar aangenomen te worden. Dat eisers zus hem bij zijn vertrek zou kunnen helpen, is daarvoor onvoldoende, omdat eiser daarmee slechts een mogelijkheid oppert. Bovendien heeft eiser tot op heden nog steeds geen op naam gesteld reisticket overgelegd. Verder zijn eisers medische klachten kenbaar meegenomen in de beoordeling en niet is gebleken dat eiser niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terecht kan voor hulp. 7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7395. Zie bladzijde 3 van het bestreden besluit. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.