Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:12733
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,116 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12733 text/xml public 2026-05-20T13:54:30 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-17 NL26.3675 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12733 text/html public 2026-05-20T13:54:12 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12733 Rechtbank Den Haag , 17-04-2026 / NL26.3675 asiel. beroep gegrond - geen gegronde vrees voor vervolging vanwege rekrutering en geen reëel risico op ernstige schade door de problemen vanwege stammenwraak - voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Deir ez-Zor - onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM gelet op arrest Sufi en Elmi. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3675 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (mr. N. Rijerkerk). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 23 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond . Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk was aanwezig H. Rida. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is gevlucht vanwege de oorlog in Syrië. Bij terugkeer vreest hij voor de algemene situatie vanwege de slapende cellen van IS en voor rekrutering door de SDF . Ook vreest hij voor de wraakactie van een andere stam. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; en problemen vanwege de stammenwraak. 3.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De geloofwaardigheid van de problemen vanwege de stammenwraak laat verweerder in het midden omdat eisers verklaringen hierover op voorhand onvoldoende zijn om tot een gegronde vrees te komen. Ook op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft eiser volgens verweerder geen gegronde vrees heeft voor vervolging en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst heeft verweerder de problemen vanwege de stammenwraak ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld op geloofwaardigheid. Daarnaast had verweerder de vrees voor IS-slapende cellen en de vrees voor de SDF elk als apart asielmotief moeten aanmerken en beoordelen. 4.1. Daarnaast loopt eiser bij terugkeer naar Syrië, anders dan verweerder stelt, wel een reëel risico op ernstige schade. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat in Syrië op dit moment sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2025. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026, die niet bij de beoordeling is betrokken, volgt dat de veiligheidssituatie ernstig, fragiel en onstabiel is, met veel geweldsincidenten, vooral in de regio Deir ez-Zor waar eiser vandaan komt. Bovendien woont hij vlakbij het hoofdkwartier van de SDF, waar sluipschutters op het gebouw zitten en wat vaak wordt beschoten. Eiser stelt hierdoor een verhoogd risico te lopen om slachtoffer van willekeurig geweld te worden. Daarbij komt ook dat de humanitaire situatie ernstig is verslechterd. Deze humanitaire omstandigheden, die door handelen van actoren in het verleden zijn veroorzaakt, hadden ook moeten worden meegenomen bij de bepaling van de gradatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Tot slot wijst eiser op beperkte controle door veiligheidsdiensten en onvoldoende bescherming. Eiser betoogt dat verweerder, ook gezien het nieuwe ambtsbericht van begin 2026, de beschikking en zijn beleid ten aanzien van Syrië moet herzien. Eiser stelt dat hij bij terugkeer, vanwege de erbarmelijke humanitaire omstandigheden in Syrië, een reel risico loopt op ernstige schade. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Afdoening op zwaarwegendheid 6. Bij uitspraak van 17 augustus 2022 heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat de destijds als pilot toegepaste werkwijze waarbij verweerder de geloofwaardigheid van de relevante elementen van het asielrelaas van een vreemdeling uitdrukkelijk in het midden laat en in het besluit alleen een standpunt inneemt over de zwaarwegendheid daarvan, in zijn algemeenheid niet in strijd is met een wettelijke bepaling of nationale en Unierechtelijke standaarden, zoals de samenwerkingsplicht. Wel moet verweerder bij het toepassen van deze werkwijze bepaalde waarborgen in acht nemen om ervoor te zorgen dat concrete besluiten die volgens de pilotwerkwijze zijn genomen zorgvuldig worden voorbereid en deugdelijk worden gemotiveerd. 7. Naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraak heeft verweerder de pilotwerkwijze geïmplementeerd in beleid. Dit beleid is neergelegd in IB 2022/102 en paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vc. In het IB zijn de in de Afdelingsuitspraak genoemde waarborgen die verweerder bij de toepassing van de pilotwerkwijze in acht moet nemen uitgewerkt. Zo moet onder meer het onderzoek naar de feiten en omstandigheden ter staving van het asielrelaas volledig zijn en moeten bij de zwaarwegendheidsbeoordeling alle verklaringen van eiser als uitgangspunt worden genomen. 8. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de geloofwaardigheid van de problemen vanwege de stammenwraak niet verder wordt getoetst, omdat de vrees van eiser bij terugkeer vanwege deze problemen niet aannemelijk is. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser door het hanteren van deze werkwijze is benadeeld of in zijn belangen is geschaad, of dat verweerder de in de uitspraak genoemde waarborgen niet in acht zou hebben genomen. Verweerder heeft bij de zwaarwegendheidsbeoordeling alle feiten en omstandigheden ter onderbouwing van het asielrelaas van eiser betrokken en alle verklaring van eiser als uitgangspunt genomen. Ook heeft eiser niet anderszins geconcretiseerd waarom de door verweerder gehanteerde werkwijze tekortschiet. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vrees voor slapende cellen van IS en vrees voor rekrutering door SDF 9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de vrees voor slapende cellen van IS en de vrees voor rekrutering door de SDF niet als aparte asielmotieven hoeven aanmerken. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij hier eerder problemen door heeft ondervonden. Verweerder heeft deze vrees dan ook terecht als toekomstige vrees beoordeeld in het kader van de zwaarwegendheid. Nu uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij van zijn 16e tot zijn 28e in Syrië heeft gewoond zonder ooit te dienen en in deze periode ook niet is benaderd voor rekrutering door welke partij dan ook, heeft verweerder terecht gesteld dat niet valt in te zien dat dit in de toekomst anders zal zijn. Verweerder heeft er ook op gewezen dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij gewetensbezwaren heeft.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12733 text/xml public 2026-05-20T13:54:30 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-17 NL26.3675 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12733 text/html public 2026-05-20T13:54:12 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12733 Rechtbank Den Haag , 17-04-2026 / NL26.3675 asiel. beroep gegrond - geen gegronde vrees voor vervolging vanwege rekrutering en geen reëel risico op ernstige schade door de problemen vanwege stammenwraak - voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Deir ez-Zor - onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM gelet op arrest Sufi en Elmi. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3675 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (mr. N. Rijerkerk). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 23 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond . Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk was aanwezig H. Rida. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is gevlucht vanwege de oorlog in Syrië. Bij terugkeer vreest hij voor de algemene situatie vanwege de slapende cellen van IS en voor rekrutering door de SDF . Ook vreest hij voor de wraakactie van een andere stam. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; en problemen vanwege de stammenwraak. 3.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De geloofwaardigheid van de problemen vanwege de stammenwraak laat verweerder in het midden omdat eisers verklaringen hierover op voorhand onvoldoende zijn om tot een gegronde vrees te komen. Ook op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft eiser volgens verweerder geen gegronde vrees heeft voor vervolging en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst heeft verweerder de problemen vanwege de stammenwraak ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld op geloofwaardigheid. Daarnaast had verweerder de vrees voor IS-slapende cellen en de vrees voor de SDF elk als apart asielmotief moeten aanmerken en beoordelen. 4.1. Daarnaast loopt eiser bij terugkeer naar Syrië, anders dan verweerder stelt, wel een reëel risico op ernstige schade. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat in Syrië op dit moment sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2025. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026, die niet bij de beoordeling is betrokken, volgt dat de veiligheidssituatie ernstig, fragiel en onstabiel is, met veel geweldsincidenten, vooral in de regio Deir ez-Zor waar eiser vandaan komt. Bovendien woont hij vlakbij het hoofdkwartier van de SDF, waar sluipschutters op het gebouw zitten en wat vaak wordt beschoten. Eiser stelt hierdoor een verhoogd risico te lopen om slachtoffer van willekeurig geweld te worden. Daarbij komt ook dat de humanitaire situatie ernstig is verslechterd. Deze humanitaire omstandigheden, die door handelen van actoren in het verleden zijn veroorzaakt, hadden ook moeten worden meegenomen bij de bepaling van de gradatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Tot slot wijst eiser op beperkte controle door veiligheidsdiensten en onvoldoende bescherming. Eiser betoogt dat verweerder, ook gezien het nieuwe ambtsbericht van begin 2026, de beschikking en zijn beleid ten aanzien van Syrië moet herzien. Eiser stelt dat hij bij terugkeer, vanwege de erbarmelijke humanitaire omstandigheden in Syrië, een reel risico loopt op ernstige schade. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Afdoening op zwaarwegendheid 6. Bij uitspraak van 17 augustus 2022 heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat de destijds als pilot toegepaste werkwijze waarbij verweerder de geloofwaardigheid van de relevante elementen van het asielrelaas van een vreemdeling uitdrukkelijk in het midden laat en in het besluit alleen een standpunt inneemt over de zwaarwegendheid daarvan, in zijn algemeenheid niet in strijd is met een wettelijke bepaling of nationale en Unierechtelijke standaarden, zoals de samenwerkingsplicht. Wel moet verweerder bij het toepassen van deze werkwijze bepaalde waarborgen in acht nemen om ervoor te zorgen dat concrete besluiten die volgens de pilotwerkwijze zijn genomen zorgvuldig worden voorbereid en deugdelijk worden gemotiveerd. 7. Naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraak heeft verweerder de pilotwerkwijze geïmplementeerd in beleid. Dit beleid is neergelegd in IB 2022/102 en paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vc. In het IB zijn de in de Afdelingsuitspraak genoemde waarborgen die verweerder bij de toepassing van de pilotwerkwijze in acht moet nemen uitgewerkt. Zo moet onder meer het onderzoek naar de feiten en omstandigheden ter staving van het asielrelaas volledig zijn en moeten bij de zwaarwegendheidsbeoordeling alle verklaringen van eiser als uitgangspunt worden genomen. 8. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de geloofwaardigheid van de problemen vanwege de stammenwraak niet verder wordt getoetst, omdat de vrees van eiser bij terugkeer vanwege deze problemen niet aannemelijk is. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser door het hanteren van deze werkwijze is benadeeld of in zijn belangen is geschaad, of dat verweerder de in de uitspraak genoemde waarborgen niet in acht zou hebben genomen. Verweerder heeft bij de zwaarwegendheidsbeoordeling alle feiten en omstandigheden ter onderbouwing van het asielrelaas van eiser betrokken en alle verklaring van eiser als uitgangspunt genomen. Ook heeft eiser niet anderszins geconcretiseerd waarom de door verweerder gehanteerde werkwijze tekortschiet. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vrees voor slapende cellen van IS en vrees voor rekrutering door SDF 9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de vrees voor slapende cellen van IS en de vrees voor rekrutering door de SDF niet als aparte asielmotieven hoeven aanmerken. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij hier eerder problemen door heeft ondervonden. Verweerder heeft deze vrees dan ook terecht als toekomstige vrees beoordeeld in het kader van de zwaarwegendheid. Nu uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij van zijn 16e tot zijn 28e in Syrië heeft gewoond zonder ooit te dienen en in deze periode ook niet is benaderd voor rekrutering door welke partij dan ook, heeft verweerder terecht gesteld dat niet valt in te zien dat dit in de toekomst anders zal zijn. Verweerder heeft er ook op gewezen dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij gewetensbezwaren heeft.
Volledig
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de vrees van eiser voor rekrutering terecht niet aannemelijk geacht. Reëel risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld 10. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. 10.1. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Deir ez-Zor, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Deir ez-Zor onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 64 (december 2025) en 103 (augustus 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Deir ez-Zor. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Deir ez-Zor, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 84.577 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Deir ez-Zor. 10.1.1. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en in Deir ez-Zor in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. 10.2. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Deir ez-Zor. 10.3. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om bij terugkeer het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt door rekrutering en zijn vrees voor stammenwraak, maar deze omstandigheden houden verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft onder 8 en 9 al overwogen dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege rekrutering en ook geen reëel risico loopt op ernstige schade door de problemen vanwege de stammenwraak. Eiser heeft in het gehoor echter verklaard dat zijn huis vlakbij het hoofdkwartier van de SDF staat en dat er sluipschutters op het gebouw zijn. In de zienswijze heeft eiser ook aangevoerd dat hij en zijn gezin dichtbij het hoofdkwartier van de SDF wonen, dat dit gebouw regelmatig wordt beschoten en dat ook vanaf en vanuit het gebouw regelmatig wordt geschoten, waardoor zij meer risico lopen. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit gesteld dat dit de risico inschatting niet anders maakt, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank kan deze motivering niet volgen. Eiser heeft hiermee namelijk wel individuele omstandigheden, namelijk de plek waar zijn huis staat, naar voren gebracht waarmee hij stelt een verhoogd risico te lopen om bij terugkeer het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Terugkeerbesluit 11. Eiser heeft aangevoerd dat hij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade vanwege de erbarmelijke humanitaire omstandigheden in Syrië. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
Volledig
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de vrees van eiser voor rekrutering terecht niet aannemelijk geacht. Reëel risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld 10. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. 10.1. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Deir ez-Zor, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Deir ez-Zor onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 64 (december 2025) en 103 (augustus 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Deir ez-Zor. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Deir ez-Zor, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 84.577 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Deir ez-Zor. 10.1.1. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en in Deir ez-Zor in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. 10.2. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Deir ez-Zor. 10.3. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om bij terugkeer het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt door rekrutering en zijn vrees voor stammenwraak, maar deze omstandigheden houden verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft onder 8 en 9 al overwogen dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege rekrutering en ook geen reëel risico loopt op ernstige schade door de problemen vanwege de stammenwraak. Eiser heeft in het gehoor echter verklaard dat zijn huis vlakbij het hoofdkwartier van de SDF staat en dat er sluipschutters op het gebouw zijn. In de zienswijze heeft eiser ook aangevoerd dat hij en zijn gezin dichtbij het hoofdkwartier van de SDF wonen, dat dit gebouw regelmatig wordt beschoten en dat ook vanaf en vanuit het gebouw regelmatig wordt geschoten, waardoor zij meer risico lopen. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit gesteld dat dit de risico inschatting niet anders maakt, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank kan deze motivering niet volgen. Eiser heeft hiermee namelijk wel individuele omstandigheden, namelijk de plek waar zijn huis staat, naar voren gebracht waarmee hij stelt een verhoogd risico te lopen om bij terugkeer het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Terugkeerbesluit 11. Eiser heeft aangevoerd dat hij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade vanwege de erbarmelijke humanitaire omstandigheden in Syrië. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
Volledig
Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. 11.1. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. - In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. 11.2. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie. 11.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift onvoldoende hersteld. Ten eerste heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 van het EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 van het EVRM autonoom plaatsvinden. Ten tweede heeft verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan.. Eiser heeft verklaard dat hij nog familieleden heeft wonen in het gebied waar hij vandaan komt, maar verweerder heeft nagelaten om eiser in het nader gehoor te bevragen over de situatie voor hem bij terugkeer. Bovendien staat in het verweerschrift ook dat voor het gouvernement Deir ez-Zor geldt dat 81% van de bevolking behoort tot de categorie ‘people in need’, en dat die groep uit mensen bestaat waarvoor geldt dat hun fysieke veiligheid, basisrechten, waardigheid, levensomstandigheden of bestaansmiddelen worden bedreigd of verstoord en waarvan de huidige toegang tot basisdiensten, goederen en sociale bescherming ontoereikend is om tijdig en zonder aanvullende hulp weer normale levensomstandigheden te kunnen opbouwen met de middelen die zij gewend zijn. Dit had verweerder ook moeten betrekken bij zijn beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer naar Deir ez-Zor in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De enkele verwijzing naar het opheffen van de voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man door het EHRM, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Het EHRM heeft de voorziening opgeheven omdat niet is aangetoond dat de Syrische man, gelet op de huidige veiligheidssituatie in Syrië en de individuele omstandigheden van de zaak, bij terugkeer naar Syrië een reëel en onmiddellijk risico zou lopen op onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd door de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het EHRM heeft echter niet nader gemotiveerd waarom het in die zaak tot dit oordeel is gekomen en welke individuele omstandigheden er speelden. Verweerder moet zelf een individuele beoordeling maken van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van motiveringsgebreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op eisers aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met de overwegingen van deze uitspraak. 13. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- . Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Islamic State . Syrian Democratic Forces . Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). ECLI:NL:RBDHA:2025:23822. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2022:2333. Informatiebericht 2022/102. Vreemdelingencirculaire 2000. Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 ( X en Y ). Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 ( CF en DN ). Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153. Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2. Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025.
Volledig
Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. 11.1. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. - In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. 11.2. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie. 11.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift onvoldoende hersteld. Ten eerste heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 van het EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 van het EVRM autonoom plaatsvinden. Ten tweede heeft verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan.. Eiser heeft verklaard dat hij nog familieleden heeft wonen in het gebied waar hij vandaan komt, maar verweerder heeft nagelaten om eiser in het nader gehoor te bevragen over de situatie voor hem bij terugkeer. Bovendien staat in het verweerschrift ook dat voor het gouvernement Deir ez-Zor geldt dat 81% van de bevolking behoort tot de categorie ‘people in need’, en dat die groep uit mensen bestaat waarvoor geldt dat hun fysieke veiligheid, basisrechten, waardigheid, levensomstandigheden of bestaansmiddelen worden bedreigd of verstoord en waarvan de huidige toegang tot basisdiensten, goederen en sociale bescherming ontoereikend is om tijdig en zonder aanvullende hulp weer normale levensomstandigheden te kunnen opbouwen met de middelen die zij gewend zijn. Dit had verweerder ook moeten betrekken bij zijn beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer naar Deir ez-Zor in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De enkele verwijzing naar het opheffen van de voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man door het EHRM, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Het EHRM heeft de voorziening opgeheven omdat niet is aangetoond dat de Syrische man, gelet op de huidige veiligheidssituatie in Syrië en de individuele omstandigheden van de zaak, bij terugkeer naar Syrië een reëel en onmiddellijk risico zou lopen op onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd door de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het EHRM heeft echter niet nader gemotiveerd waarom het in die zaak tot dit oordeel is gekomen en welke individuele omstandigheden er speelden. Verweerder moet zelf een individuele beoordeling maken van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van motiveringsgebreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op eisers aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met de overwegingen van deze uitspraak. 13. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- . Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Islamic State . Syrian Democratic Forces . Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). ECLI:NL:RBDHA:2025:23822. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2022:2333. Informatiebericht 2022/102. Vreemdelingencirculaire 2000. Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 ( X en Y ). Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 ( CF en DN ). Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153. Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2. Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025.