Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-19
ECLI:NL:RBDHA:2026:12595
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
24,216 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12595 text/xml public 2026-05-19T15:35:30 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-19 NL25.40448 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12595 text/html public 2026-05-19T15:35:11 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12595 Rechtbank Den Haag , 19-05-2026 / NL25.40448 15c Kwalificatierichtlijn, Syrië, Damascus, humanitaire omstanidgheden. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40448 uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigden: mr. J. Kennis en mr. A. Al-Edani). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar Damascus in Syrië. Eiser is het niet eens met dit besluit. 1.1. De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Syrië, zoals vastgesteld in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/13, en de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in Damascus een relatief lager niveau van willekeurig geweld voordoet, houdbaar is. Hierbij betrekt de rechtbank ook recentere landeninformatie, zoals het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Syrië (ambtsbericht) van januari 2026 en het rapport van de European Union Agency for Asylum (EUAA) van december 2025. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is, maar ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister heeft in het besluit ten onrechte niet gemotiveerd waarom artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag niet op eiser van toepassing is als staatloze Palestijn. Dit gebrek heeft de minister in beroep alsnog hersteld. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de positie van Palestijnen in Syrië geen aanleiding vormt om eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Ook was de minister niet gehouden om eiser, naar aanleiding van het ambtsbericht van mei 2025 en het gewijzigde beleid over Syrië, aanvullend te horen. In dat beleid mag de minister als uitgangspunt hanteren dat in Damascus sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In dat kader hoefde de minister niet méér betekenis toe te kennen aan de humanitaire omstandigheden in Syrië. Eiser heeft niet op basis van zijn persoonlijke omstandigheden en individuele situatie aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Damascus een verhoogd risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de humanitaire situatie in Syrië niet zodanig ernstig is dat terugkeer hierom al leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 1.3. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). Daarna bespreekt de rechtbank het betoog van eiser over artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag (5), de situatie van Palestijnen in Syrië (6) en de verplichting om aanvullend te horen (7). Vervolgens gaat de rechtbank in op de betekenis van humanitaire omstandigheden bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, waaronder humanitaire omstandigheden die voortvloeien uit het handelen of nalaten van een eerdere actor van ernstige schade (8-10), en sluit de rechtbank af met een tussenconclusie (11). De rechtbank bespreekt vervolgens onder 12 of de minister de humanitaire omstandigheden voldoende in zijn beleid heeft betrokken. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of eiser in Syrië een risico loopt als gevolg van willekeurig geweld: de rechtbank beantwoordt de vraag of de minister voor Damascus terecht niet een hogere gradatie van willekeurig geweld heeft aangenomen (13) en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser (14). Onder 15 gaat de rechtbank in op de vraag of de humanitaire situatie in Damascus de minister aanleiding had moeten geven om eiser, gelet op artikel 3 van het EVRM, een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (16). Procesverloop 2. Eiser heeft op 5 november 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 29 juli 2025 afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 26 september 2025 en 12 januari 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 19 januari 2026 een verweerschrift ingediend. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen. Het onderzoek is op zitting gesloten. 2.3. Op 25 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om partijen de gelegenheid te geven te reageren op het op 30 januari 2026 verschenen ambtsbericht. Eiser heeft op 20 maart 2026 zijn reactie toegezonden. Hierop heeft de minister op 2 april 2026 gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Daarna is het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser komt uit de stad Damascus in Syrië en is van Palestijnse afkomst. Hij heeft Syrië op 20 mei 2021 verlaten om de militaire dienst te ontlopen. Eiser heeft van mei 2013 tot 1 augustus 2017 voor het Palestijnse bevrijdingsleger (PLA) gediend en vreest opgeroepen te worden als reservist. Ook heeft hij problemen met militairen ondervonden bij controleposten, omdat hij afgezwaaid was terwijl zij nog (moesten) dienen. Verder heeft hij aangevoerd dat hij in Syrië ongelijk werd behandeld door de autoriteiten wegens zijn Palestijnse afkomst. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat de medische voorzieningen in Syrië tekortschieten, waardoor hij twee kinderen heeft verloren. Ook stelt hij te vrezen voor willekeurige ontvoeringen en wetteloosheid. Deze vrees baseert hij op informatie die hij via social media en familie/bekenden uit Syrië heeft verkregen. Tot slot heeft eiser gewezen op de onzekere algemene veiligheidssituatie in Syrië en gesteld dat onduidelijk is hoe de situatie zich onder de huidige machthebbers zal ontwikkelen. Het bestreden besluit 4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ten aanzien van de door eiser gestelde vrees voor militaire (reservisten)dienst en voor de mogelijk streng-religieuze overheid heeft de minister de beoordeling van de geloofwaardigheid in het midden gelaten en zich op het standpunt gesteld dat eiser op grond hiervan geen verdragsvluchteling is. Eiser heeft zijn vrees voor militaire dienst gebaseerd op de situatie in Syrië onder het regime van Bashar al-Assad (Assad). Niet aannemelijk is dat eiser onder het huidige regime van interim-president Ahmad al-Sharaa daarvoor heeft te vrezen. Uit algemene bronnen volgt namelijk dat het huidige regime geen verplichte militaire dienst voorschrijft en geen sprake is van verplichte rekrutering. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen zal ondervinden van streng-religieuze autoriteiten. Ten aanzien van de door eiser gestelde vrees voor willekeurig geweld stelt de minister zich op het standpunt dat in Damascus, de laatste woon- en verblijfplaats van eiser in Syrië, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van omstandigheden die het risico op het willekeurig geweld verhogen. De humanitaire omstandigheden in Syrië zijn niet van een zodanige aard dat terugkeer naar Syrië alleen daarom al zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag 5.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12595 text/xml public 2026-05-19T15:35:30 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-19 NL25.40448 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12595 text/html public 2026-05-19T15:35:11 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12595 Rechtbank Den Haag , 19-05-2026 / NL25.40448 15c Kwalificatierichtlijn, Syrië, Damascus, humanitaire omstanidgheden. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40448 uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigden: mr. J. Kennis en mr. A. Al-Edani). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar Damascus in Syrië. Eiser is het niet eens met dit besluit. 1.1. De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Syrië, zoals vastgesteld in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/13, en de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in Damascus een relatief lager niveau van willekeurig geweld voordoet, houdbaar is. Hierbij betrekt de rechtbank ook recentere landeninformatie, zoals het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Syrië (ambtsbericht) van januari 2026 en het rapport van de European Union Agency for Asylum (EUAA) van december 2025. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is, maar ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister heeft in het besluit ten onrechte niet gemotiveerd waarom artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag niet op eiser van toepassing is als staatloze Palestijn. Dit gebrek heeft de minister in beroep alsnog hersteld. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de positie van Palestijnen in Syrië geen aanleiding vormt om eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Ook was de minister niet gehouden om eiser, naar aanleiding van het ambtsbericht van mei 2025 en het gewijzigde beleid over Syrië, aanvullend te horen. In dat beleid mag de minister als uitgangspunt hanteren dat in Damascus sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In dat kader hoefde de minister niet méér betekenis toe te kennen aan de humanitaire omstandigheden in Syrië. Eiser heeft niet op basis van zijn persoonlijke omstandigheden en individuele situatie aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Damascus een verhoogd risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de humanitaire situatie in Syrië niet zodanig ernstig is dat terugkeer hierom al leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 1.3. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). Daarna bespreekt de rechtbank het betoog van eiser over artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag (5), de situatie van Palestijnen in Syrië (6) en de verplichting om aanvullend te horen (7). Vervolgens gaat de rechtbank in op de betekenis van humanitaire omstandigheden bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, waaronder humanitaire omstandigheden die voortvloeien uit het handelen of nalaten van een eerdere actor van ernstige schade (8-10), en sluit de rechtbank af met een tussenconclusie (11). De rechtbank bespreekt vervolgens onder 12 of de minister de humanitaire omstandigheden voldoende in zijn beleid heeft betrokken. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of eiser in Syrië een risico loopt als gevolg van willekeurig geweld: de rechtbank beantwoordt de vraag of de minister voor Damascus terecht niet een hogere gradatie van willekeurig geweld heeft aangenomen (13) en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser (14). Onder 15 gaat de rechtbank in op de vraag of de humanitaire situatie in Damascus de minister aanleiding had moeten geven om eiser, gelet op artikel 3 van het EVRM, een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (16). Procesverloop 2. Eiser heeft op 5 november 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 29 juli 2025 afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 26 september 2025 en 12 januari 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 19 januari 2026 een verweerschrift ingediend. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen. Het onderzoek is op zitting gesloten. 2.3. Op 25 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om partijen de gelegenheid te geven te reageren op het op 30 januari 2026 verschenen ambtsbericht. Eiser heeft op 20 maart 2026 zijn reactie toegezonden. Hierop heeft de minister op 2 april 2026 gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Daarna is het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser komt uit de stad Damascus in Syrië en is van Palestijnse afkomst. Hij heeft Syrië op 20 mei 2021 verlaten om de militaire dienst te ontlopen. Eiser heeft van mei 2013 tot 1 augustus 2017 voor het Palestijnse bevrijdingsleger (PLA) gediend en vreest opgeroepen te worden als reservist. Ook heeft hij problemen met militairen ondervonden bij controleposten, omdat hij afgezwaaid was terwijl zij nog (moesten) dienen. Verder heeft hij aangevoerd dat hij in Syrië ongelijk werd behandeld door de autoriteiten wegens zijn Palestijnse afkomst. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat de medische voorzieningen in Syrië tekortschieten, waardoor hij twee kinderen heeft verloren. Ook stelt hij te vrezen voor willekeurige ontvoeringen en wetteloosheid. Deze vrees baseert hij op informatie die hij via social media en familie/bekenden uit Syrië heeft verkregen. Tot slot heeft eiser gewezen op de onzekere algemene veiligheidssituatie in Syrië en gesteld dat onduidelijk is hoe de situatie zich onder de huidige machthebbers zal ontwikkelen. Het bestreden besluit 4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ten aanzien van de door eiser gestelde vrees voor militaire (reservisten)dienst en voor de mogelijk streng-religieuze overheid heeft de minister de beoordeling van de geloofwaardigheid in het midden gelaten en zich op het standpunt gesteld dat eiser op grond hiervan geen verdragsvluchteling is. Eiser heeft zijn vrees voor militaire dienst gebaseerd op de situatie in Syrië onder het regime van Bashar al-Assad (Assad). Niet aannemelijk is dat eiser onder het huidige regime van interim-president Ahmad al-Sharaa daarvoor heeft te vrezen. Uit algemene bronnen volgt namelijk dat het huidige regime geen verplichte militaire dienst voorschrijft en geen sprake is van verplichte rekrutering. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen zal ondervinden van streng-religieuze autoriteiten. Ten aanzien van de door eiser gestelde vrees voor willekeurig geweld stelt de minister zich op het standpunt dat in Damascus, de laatste woon- en verblijfplaats van eiser in Syrië, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van omstandigheden die het risico op het willekeurig geweld verhogen. De humanitaire omstandigheden in Syrië zijn niet van een zodanige aard dat terugkeer naar Syrië alleen daarom al zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag 5.
Volledig
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen beoordeling heeft gemaakt van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser had als staatloze Palestijn tot kort voor zijn vertrek bescherming van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA). Daarom moet hem automatisch de vluchtelingenstatus worden toegekend. 5.1. Eiser heeft in de zienswijze naar voren gebracht dat de minister in het voornemen niet bij de beoordeling heeft betrokken dat hij behoort tot de groep van (staatloze) Palestijnen. Hij heeft in dat kader gewezen op artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en het EUAA-rapport ‘Interim Country Guidance: Syria’ van juni 2025, waarin is vermeld dat aan Palestijnen die eerder in Syrië gebruik hebben gemaakt van de bescherming of hulp van UNRWA, automatisch de vluchtelingenstatus moet worden toegekend. Hoewel de minister in het bestreden besluit is ingegaan op de algemene situatie van Palestijnen in Syrië, voert eiser terecht aan dat de minister zijn specifieke betoog over artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag onbesproken heeft gelaten. Daarmee schiet de motivering tekort. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank onderzoekt hierna, onder 5.2, of op dit punt de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in beroep terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij voldoende heeft onderzocht of eiser onder de reikwijdte van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag valt en alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat deze bepaling niet op eiser van toepassing is. Tijdens het aanmeldgehoor is aan eiser gevraagd of hij ooit bijstand of bescherming van de UNRWA had ingeroepen. Eiser heeft die vraag ontkennend beantwoord. Deze verklaring heeft hij niet gecorrigeerd in zijn correcties en aanvullingen van 10 maart 2025. Ook is hij niet op dit antwoord teruggekomen tijdens het nader gehoor van 27 maart 2025 of in de daaropvolgende correcties en aanvullingen. In de zienswijze en in het aanvullend beroepschrift van 26 september 2025 en 12 januari 2026 heeft eiser ook niet gesteld dat hij daadwerkelijk bijstand of hulp van de UNRWA heeft ontvangen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de pas op zitting naar voren gebrachte verklaring, die ook na heropening niet is toegelicht of onderbouwd, dat eiser van UNRWA voedselpakketten en een financiële toelage kreeg. Hierbij betrekt de rechtbank ook de eerdere verklaringen van eiser dat hij in de negen jaar voorafgaand aan zijn vertrek uit Syrië in een woning in [naam wijk] woonde, een universitaire opleiding volgde en ten tijde van zijn vertrek in de airco-industrie werkzaam was. Hieruit blijkt niet dat eiser zodanig kwetsbaar was dat hij aangewezen was op de gestelde hulp. Positie Palestijnen in Syrië 6. Eiser betoogt dat uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de situatie voor Palestijnse vluchtelingen sterk is verslechterd. In 2025 was meer dan 95% van hen afhankelijk van hulp van UNRWA, maar door geldtekorten is die hulp grotendeels stopgezet of verminderd (zoals financiële steun, voedsel en zorg). Eiser verwijst ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 23 februari 2026 , waarin is overwogen dat de overheid een onderzoeks- en samenwerkingsplicht heeft bij zaken over Palestijnen die UNRWA-steun kregen. 6.1. Voor zover eiser met deze beroepsgrond stelt dat eiser, als Palestijn, behoort tot een groep die in Syrië te vrezen heeft voor vervolging of systematisch blootgesteld wordt aan een reëel risico op ernstige schade, en dat daarom aanleiding bestaat tot wijziging van het landenbeleid, volgt de rechtbank hem daarin niet. De minister heeft zich in het bestreden besluit onweersproken op het standpunt gesteld dat uit het ambtsbericht van mei 2025 blijkt dat Palestijnse vluchtelingen wettelijk gezien bijna dezelfde rechten hebben als Syrische staatsburgers en dat niet is gebleken van algemene, ernstige discriminatie. De minister heeft in de inhoud van het ambtsbericht van januari 2026 terecht geen aanleiding gezien voor een ander standpunt. Dat ambtsbericht schetst in essentie hetzelfde beeld. Dat daarin niet expliciet wordt herhaald dat Palestijnen vrijwel gelijke rechten hebben en geen algemene discriminatie ondervinden, betekent niet dat de situatie is gewijzigd. Het ambtsbericht van januari 2026 bevestigt dat Palestijnen na registratie een werkvergunning en een reisdocument kunnen krijgen, waarmee zij toegang hebben tot basisvoorzieningen, zoals onderwijs en gezondheidszorg. Verder blijkt uit dit ambtsbericht dat zij onder gelijke zware economische omstandigheden als de rest van de Syrische bevolking leefden, zoals ook volgt uit het ambtsbericht van mei 2025. Hoewel voedselonzekerheid onder Palestijnse vluchtelingen in de verslagperiode van het ambtsbericht van januari 2026 verder is toegenomen en ook de door UNRWA geleverde hulp in de verslagperiode van het ambtsbericht vanwege grote financieringstekorten niet op alle onderdelen even adequaat is, leverde UNRWA financiële ondersteuning, voedselhulp, ondersteuning voor de reparatie van onderkomens, basisgezondheidszorg, mogelijkheden om onderwijs te volgen op UNRWA-scholen en juridische ondersteuning. Verder is het percentage van ontheemde Palestijnse vluchtelingen in beide ambtsberichten gelijk. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Aanvullend horen 7. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd hoe hij in het gehoor op het ambtsbericht van mei 2025 en WBV 2025/13 heeft geanticipeerd en hoe deze zijn betrokken in de besluitvorming. Het had voor de hand gelegen om eiser opnieuw te horen. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het met eiser gehouden nader gehoor heeft na de val van het regime van president Assad plaatsgevonden. Eiser heeft toen niet alleen verklaard over de redenen van zijn vertrek, maar ook over zijn vrees bij terugkeer onder het huidige regime. Tijdens het gehoor is expliciet gevraagd wat hem bij terugkeer naar Syrië te wachten zou staan. Daarnaast is gevraagd naar zijn mening over het huidige regime en over Hayat Tahrir al-Sham (HTS). Dat het ambtsbericht van mei 2025 en de wijziging van het beleid niet in dat gehoor zijn genoemd ligt voor de hand, want deze zijn van latere datum. Eiser heeft ook niet duidelijk gemaakt op welke punten hij onvoldoende is gehoord en wat hij in een volgend gehoor nog naar voren zou willen brengen. Daarmee verschilt de situatie van eiser ook van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 13 augustus 2025 , waarnaar eiser verwijst. In die zaak vonden het asielgehoor en de besluitvorming plaats vóór de val van het oude regime. De betrokkene in die zaak had in beroep aangevoerd dat zijn situatie door de machtsovername was verslechterd. Hij stelde dat hij bij terugkeer risico liep op ernstige schade, omdat hij zijn militaire dienstplicht had vervuld bij de veiligheidsdienst van Assad. Ook had hij gewezen op nieuwe problemen, waaronder de aanhouding en ondervraging van zijn zoon over zijn werkzaamheden. Daarnaast hadden meerdere familieleden voor de autoriteiten gewerkt en was zijn achternaam in Syrië bekend. Tegen die achtergrond oordeelde de rechtbank dat een aanvullend gehoor noodzakelijk was. In het geval van eiser is hiervan geen sprake. Anders dan eiser aanvoert, heeft de minister de gewijzigde situatie ook voldoende in de besluitvorming betrokken. In het besluit is verwezen naar actuele, openbare bronnen over Syrië, in het bijzonder over Damascus. Ook is gemotiveerd gereageerd op de stelling van eiser dat HTS represailles uitvoert en personen die onder het vorige regime hun militaire dienstplicht hebben vervuld, gedwongen rekruteert. De minister heeft toegelicht waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hiervoor moet vrezen. Tot slot is de minister, zoals hiervoor al is overwogen, onder verwijzing naar het ambtsbericht van mei 2025, ook ingegaan op de positie van (staatloze) Palestijnen in Syrië.
Volledig
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen beoordeling heeft gemaakt van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser had als staatloze Palestijn tot kort voor zijn vertrek bescherming van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA). Daarom moet hem automatisch de vluchtelingenstatus worden toegekend. 5.1. Eiser heeft in de zienswijze naar voren gebracht dat de minister in het voornemen niet bij de beoordeling heeft betrokken dat hij behoort tot de groep van (staatloze) Palestijnen. Hij heeft in dat kader gewezen op artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en het EUAA-rapport ‘Interim Country Guidance: Syria’ van juni 2025, waarin is vermeld dat aan Palestijnen die eerder in Syrië gebruik hebben gemaakt van de bescherming of hulp van UNRWA, automatisch de vluchtelingenstatus moet worden toegekend. Hoewel de minister in het bestreden besluit is ingegaan op de algemene situatie van Palestijnen in Syrië, voert eiser terecht aan dat de minister zijn specifieke betoog over artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag onbesproken heeft gelaten. Daarmee schiet de motivering tekort. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank onderzoekt hierna, onder 5.2, of op dit punt de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in beroep terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij voldoende heeft onderzocht of eiser onder de reikwijdte van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag valt en alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat deze bepaling niet op eiser van toepassing is. Tijdens het aanmeldgehoor is aan eiser gevraagd of hij ooit bijstand of bescherming van de UNRWA had ingeroepen. Eiser heeft die vraag ontkennend beantwoord. Deze verklaring heeft hij niet gecorrigeerd in zijn correcties en aanvullingen van 10 maart 2025. Ook is hij niet op dit antwoord teruggekomen tijdens het nader gehoor van 27 maart 2025 of in de daaropvolgende correcties en aanvullingen. In de zienswijze en in het aanvullend beroepschrift van 26 september 2025 en 12 januari 2026 heeft eiser ook niet gesteld dat hij daadwerkelijk bijstand of hulp van de UNRWA heeft ontvangen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de pas op zitting naar voren gebrachte verklaring, die ook na heropening niet is toegelicht of onderbouwd, dat eiser van UNRWA voedselpakketten en een financiële toelage kreeg. Hierbij betrekt de rechtbank ook de eerdere verklaringen van eiser dat hij in de negen jaar voorafgaand aan zijn vertrek uit Syrië in een woning in [naam wijk] woonde, een universitaire opleiding volgde en ten tijde van zijn vertrek in de airco-industrie werkzaam was. Hieruit blijkt niet dat eiser zodanig kwetsbaar was dat hij aangewezen was op de gestelde hulp. Positie Palestijnen in Syrië 6. Eiser betoogt dat uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de situatie voor Palestijnse vluchtelingen sterk is verslechterd. In 2025 was meer dan 95% van hen afhankelijk van hulp van UNRWA, maar door geldtekorten is die hulp grotendeels stopgezet of verminderd (zoals financiële steun, voedsel en zorg). Eiser verwijst ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 23 februari 2026 , waarin is overwogen dat de overheid een onderzoeks- en samenwerkingsplicht heeft bij zaken over Palestijnen die UNRWA-steun kregen. 6.1. Voor zover eiser met deze beroepsgrond stelt dat eiser, als Palestijn, behoort tot een groep die in Syrië te vrezen heeft voor vervolging of systematisch blootgesteld wordt aan een reëel risico op ernstige schade, en dat daarom aanleiding bestaat tot wijziging van het landenbeleid, volgt de rechtbank hem daarin niet. De minister heeft zich in het bestreden besluit onweersproken op het standpunt gesteld dat uit het ambtsbericht van mei 2025 blijkt dat Palestijnse vluchtelingen wettelijk gezien bijna dezelfde rechten hebben als Syrische staatsburgers en dat niet is gebleken van algemene, ernstige discriminatie. De minister heeft in de inhoud van het ambtsbericht van januari 2026 terecht geen aanleiding gezien voor een ander standpunt. Dat ambtsbericht schetst in essentie hetzelfde beeld. Dat daarin niet expliciet wordt herhaald dat Palestijnen vrijwel gelijke rechten hebben en geen algemene discriminatie ondervinden, betekent niet dat de situatie is gewijzigd. Het ambtsbericht van januari 2026 bevestigt dat Palestijnen na registratie een werkvergunning en een reisdocument kunnen krijgen, waarmee zij toegang hebben tot basisvoorzieningen, zoals onderwijs en gezondheidszorg. Verder blijkt uit dit ambtsbericht dat zij onder gelijke zware economische omstandigheden als de rest van de Syrische bevolking leefden, zoals ook volgt uit het ambtsbericht van mei 2025. Hoewel voedselonzekerheid onder Palestijnse vluchtelingen in de verslagperiode van het ambtsbericht van januari 2026 verder is toegenomen en ook de door UNRWA geleverde hulp in de verslagperiode van het ambtsbericht vanwege grote financieringstekorten niet op alle onderdelen even adequaat is, leverde UNRWA financiële ondersteuning, voedselhulp, ondersteuning voor de reparatie van onderkomens, basisgezondheidszorg, mogelijkheden om onderwijs te volgen op UNRWA-scholen en juridische ondersteuning. Verder is het percentage van ontheemde Palestijnse vluchtelingen in beide ambtsberichten gelijk. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Aanvullend horen 7. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd hoe hij in het gehoor op het ambtsbericht van mei 2025 en WBV 2025/13 heeft geanticipeerd en hoe deze zijn betrokken in de besluitvorming. Het had voor de hand gelegen om eiser opnieuw te horen. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het met eiser gehouden nader gehoor heeft na de val van het regime van president Assad plaatsgevonden. Eiser heeft toen niet alleen verklaard over de redenen van zijn vertrek, maar ook over zijn vrees bij terugkeer onder het huidige regime. Tijdens het gehoor is expliciet gevraagd wat hem bij terugkeer naar Syrië te wachten zou staan. Daarnaast is gevraagd naar zijn mening over het huidige regime en over Hayat Tahrir al-Sham (HTS). Dat het ambtsbericht van mei 2025 en de wijziging van het beleid niet in dat gehoor zijn genoemd ligt voor de hand, want deze zijn van latere datum. Eiser heeft ook niet duidelijk gemaakt op welke punten hij onvoldoende is gehoord en wat hij in een volgend gehoor nog naar voren zou willen brengen. Daarmee verschilt de situatie van eiser ook van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 13 augustus 2025 , waarnaar eiser verwijst. In die zaak vonden het asielgehoor en de besluitvorming plaats vóór de val van het oude regime. De betrokkene in die zaak had in beroep aangevoerd dat zijn situatie door de machtsovername was verslechterd. Hij stelde dat hij bij terugkeer risico liep op ernstige schade, omdat hij zijn militaire dienstplicht had vervuld bij de veiligheidsdienst van Assad. Ook had hij gewezen op nieuwe problemen, waaronder de aanhouding en ondervraging van zijn zoon over zijn werkzaamheden. Daarnaast hadden meerdere familieleden voor de autoriteiten gewerkt en was zijn achternaam in Syrië bekend. Tegen die achtergrond oordeelde de rechtbank dat een aanvullend gehoor noodzakelijk was. In het geval van eiser is hiervan geen sprake. Anders dan eiser aanvoert, heeft de minister de gewijzigde situatie ook voldoende in de besluitvorming betrokken. In het besluit is verwezen naar actuele, openbare bronnen over Syrië, in het bijzonder over Damascus. Ook is gemotiveerd gereageerd op de stelling van eiser dat HTS represailles uitvoert en personen die onder het vorige regime hun militaire dienstplicht hebben vervuld, gedwongen rekruteert. De minister heeft toegelicht waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hiervoor moet vrezen. Tot slot is de minister, zoals hiervoor al is overwogen, onder verwijzing naar het ambtsbericht van mei 2025, ook ingegaan op de positie van (staatloze) Palestijnen in Syrië.
Volledig
Betekenis van humanitaire omstandigheden bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn 8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade in verband met het willekeurig geweld in Syrië. De minister heeft volgens hem niet deugdelijk gemotiveerd waarom in Damascus sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld. Volgens eiser moeten de humanitaire omstandigheden hierbij nadrukkelijk worden meegewogen. Hij verwijst daarbij naar een tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025 , waarin is geoordeeld dat de minister niet alle relevante elementen, waaronder de humanitaire situatie, heeft betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld. Daarnaast wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2025 en op de prejudiciële vragen die zittingsplaats Roermond op 29 december 2025 heeft gesteld over de betekenis van humanitaire omstandigheden bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. 8.1. Na de val van het regime Assad heeft de minister met WBV 2025/13 het landgebonden asielbeleid over Syrië gewijzigd. Deze beleidswijziging, gebaseerd op het ambtsbericht van mei 2025, is aangekondigd in de brief van 10 juni 2025. De minister heeft per provincie een 15c-beoordeling verricht en voor geheel Syrië, ook voor de stad Damascus, een lager niveau van willekeurig geweld aangenomen. In het beleid zijn humanitaire omstandigheden niet betrokken in de beoordeling. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat daartoe geen noodzaak bestond, omdat ze niet relevant zijn voor de beoordeling van het willekeurig geweld in Syrië. 8.2. De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de vraag of en, zo ja, in welke mate humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken bij de beoordeling van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. 8.3. Volgens eiser volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat ook humanitaire omstandigheden die indirect voortvloeien uit het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade, onderdeel moeten zijn van die beoordeling en dat het niet uitmaakt dat die actor inmiddels niet meer actief is. De minister betwist dat. Hij stelt dat de (rechtspraak van het Hof van Justitie over de) Kwalificatierichtlijn geen grondslag biedt om ook deze indirecte humanitaire omstandigheden bij de beoordeling te betrekken. De ernstige en individuele bedreiging moet een voldoende rechtstreeks gevolg zijn van willekeurig geweld. Daarnaast moeten de humanitaire omstandigheden samenhangen met het aan de gang zijnde gewapend conflict. De minister wijst in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak CF en DN van 10 juni 2021. 8.4. De rechtbank zal hierna beoordelen op welke wijze humanitaire omstandigheden een rol spelen bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zij bespreekt achtereenvolgens (1) het vereiste causale verband tussen willekeurig geweld en de bedreiging, (2) de mate waarin dat verband aanwezig moet zijn en (3) de betekenis hiervan voor humanitaire omstandigheden die zijn veroorzaakt door een actor die geen partij meer is bij het gewapend conflict. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de minister de humanitaire omstandigheden in de context van Syrië op juiste wijze in zijn beleid heeft betrokken. Causaal verband (nexus) 9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn bepaalt dat ernstige schade bestaat uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De woorden ‘als gevolg van’ brengen tot uitdrukking dat tussen de bedreiging van het leven of de persoon van een burger en het willekeurige geweld een causaal verband (‘nexus’) moet bestaan. Met omstandigheden die (het leven van) een persoon bedreigen, maar die geen verband houden met willekeurig geweld (in het kader van een gewapend conflict), hoeft de minister bij de beoordeling of hij iemand op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn bescherming moet bieden geen rekening te houden. Mate van causaal verband 9.1. Het voorgaande roept de vraag op hoe sterk het vereiste causale verband moet zijn. De rechtbank is van oordeel dat het willekeurig geweld een daadwerkelijke oorzaak moet vormen van de ernstige en individuele bedreiging. Het hoeft niet de enige oorzaak te zijn, maar het verband mag niet te ver verwijderd zijn. De rechtbank vindt hiervoor steun in het arrest CF en DN. Hoewel het Hof van Justitie in het arrest CF en DN heeft geoordeeld dat ‘alle relevante feiten in verband met het land van herkomst’ bij de beoordeling van een ernstige en individuele dreiging globaal in aanmerking moeten worden genomen , volgt uit de opsomming in punt 43 van dat arrest, gelezen in samenhang met de punten 56 en 59 van de conclusie van de advocaat-generaal waarnaar in dat punt wordt verwezen, dat deze feiten wel in voldoende rechtstreeks verband (moeten) staan met het (opzettelijke) geweld dat door de strijdende partijen wordt uitgeoefend in het kader van het gewapend conflict. Deze benadering sluit aan bij de uitleg die het Hof van Justitie heeft gegeven aan het vereiste van causaal verband in artikel 9, derde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Uit die bepaling, die over vluchtelingschap gaat, volgt dat er een verband moet zijn tussen de gronden van vervolging (artikel 10, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn) en de daden van vervolging of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden (artikel 9, eerste en tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn). Het Hof van Justitie heeft in het arrest EZ benadrukt dat de werkingssfeer van de Kwalificatierichtlijn niet mag worden uitgebreid door een te ruim causaal verband aan te nemen. Dit zou niet stroken met de in overweging 24 van de preambule neergelegde bedoeling van de Uniewetgever om te komen tot harmonisatie van de toepassing van de vluchtelingenstatus. De rechtbank stelt vast dat voor subsidiaire bescherming een vergelijkbare overweging in de preambule is opgenomen. In overweging 34 is namelijk de bedoeling van de Uniewetgever opgenomen om gemeenschappelijke criteria vast te stellen om degenen die om internationale bescherming verzoeken, als personen te erkennen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Het aannemen van een causaal verband tussen bedreiging en willekeurige geweld waar dit ontbreekt of te ver verwijderd is, zou de werkingssfeer van de Kwalificatierichtlijn op het punt van subsidiaire bescherming ontoelaatbaar uitbreiden, wat niet strookt met overweging 34 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank wijst in dit verband ook op overweging 26 van de Kwalificatierichtlijn, waaruit blijkt dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. 9.2. Het voorgaande betekent niet, zoals de minister stelt, dat humanitaire omstandigheden die indirect samenhangen met willekeurig geweld alleen daarom al niet relevant zijn. Bepalend is of tussen die omstandigheden en het willekeurig geweld een voldoende causaal verband bestaat. Daarvan kan sprake zijn als de humanitaire omstandigheden in overwegende mate voortvloeien uit het willekeurige geweld zelf of uit de wijze waarop het gewapend conflict wordt gevoerd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer strijdende partijen civiele infrastructuur vernietigen, humanitaire hulp blokkeren of de toegang tot voedsel, water of medische zorg belemmeren. Indien dat het geval is hebben humanitaire omstandigheden, ook als zij het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict, bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn betekenis.
Volledig
Betekenis van humanitaire omstandigheden bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn 8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade in verband met het willekeurig geweld in Syrië. De minister heeft volgens hem niet deugdelijk gemotiveerd waarom in Damascus sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld. Volgens eiser moeten de humanitaire omstandigheden hierbij nadrukkelijk worden meegewogen. Hij verwijst daarbij naar een tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025 , waarin is geoordeeld dat de minister niet alle relevante elementen, waaronder de humanitaire situatie, heeft betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld. Daarnaast wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2025 en op de prejudiciële vragen die zittingsplaats Roermond op 29 december 2025 heeft gesteld over de betekenis van humanitaire omstandigheden bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. 8.1. Na de val van het regime Assad heeft de minister met WBV 2025/13 het landgebonden asielbeleid over Syrië gewijzigd. Deze beleidswijziging, gebaseerd op het ambtsbericht van mei 2025, is aangekondigd in de brief van 10 juni 2025. De minister heeft per provincie een 15c-beoordeling verricht en voor geheel Syrië, ook voor de stad Damascus, een lager niveau van willekeurig geweld aangenomen. In het beleid zijn humanitaire omstandigheden niet betrokken in de beoordeling. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat daartoe geen noodzaak bestond, omdat ze niet relevant zijn voor de beoordeling van het willekeurig geweld in Syrië. 8.2. De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de vraag of en, zo ja, in welke mate humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken bij de beoordeling van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. 8.3. Volgens eiser volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat ook humanitaire omstandigheden die indirect voortvloeien uit het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade, onderdeel moeten zijn van die beoordeling en dat het niet uitmaakt dat die actor inmiddels niet meer actief is. De minister betwist dat. Hij stelt dat de (rechtspraak van het Hof van Justitie over de) Kwalificatierichtlijn geen grondslag biedt om ook deze indirecte humanitaire omstandigheden bij de beoordeling te betrekken. De ernstige en individuele bedreiging moet een voldoende rechtstreeks gevolg zijn van willekeurig geweld. Daarnaast moeten de humanitaire omstandigheden samenhangen met het aan de gang zijnde gewapend conflict. De minister wijst in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak CF en DN van 10 juni 2021. 8.4. De rechtbank zal hierna beoordelen op welke wijze humanitaire omstandigheden een rol spelen bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zij bespreekt achtereenvolgens (1) het vereiste causale verband tussen willekeurig geweld en de bedreiging, (2) de mate waarin dat verband aanwezig moet zijn en (3) de betekenis hiervan voor humanitaire omstandigheden die zijn veroorzaakt door een actor die geen partij meer is bij het gewapend conflict. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de minister de humanitaire omstandigheden in de context van Syrië op juiste wijze in zijn beleid heeft betrokken. Causaal verband (nexus) 9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn bepaalt dat ernstige schade bestaat uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De woorden ‘als gevolg van’ brengen tot uitdrukking dat tussen de bedreiging van het leven of de persoon van een burger en het willekeurige geweld een causaal verband (‘nexus’) moet bestaan. Met omstandigheden die (het leven van) een persoon bedreigen, maar die geen verband houden met willekeurig geweld (in het kader van een gewapend conflict), hoeft de minister bij de beoordeling of hij iemand op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn bescherming moet bieden geen rekening te houden. Mate van causaal verband 9.1. Het voorgaande roept de vraag op hoe sterk het vereiste causale verband moet zijn. De rechtbank is van oordeel dat het willekeurig geweld een daadwerkelijke oorzaak moet vormen van de ernstige en individuele bedreiging. Het hoeft niet de enige oorzaak te zijn, maar het verband mag niet te ver verwijderd zijn. De rechtbank vindt hiervoor steun in het arrest CF en DN. Hoewel het Hof van Justitie in het arrest CF en DN heeft geoordeeld dat ‘alle relevante feiten in verband met het land van herkomst’ bij de beoordeling van een ernstige en individuele dreiging globaal in aanmerking moeten worden genomen , volgt uit de opsomming in punt 43 van dat arrest, gelezen in samenhang met de punten 56 en 59 van de conclusie van de advocaat-generaal waarnaar in dat punt wordt verwezen, dat deze feiten wel in voldoende rechtstreeks verband (moeten) staan met het (opzettelijke) geweld dat door de strijdende partijen wordt uitgeoefend in het kader van het gewapend conflict. Deze benadering sluit aan bij de uitleg die het Hof van Justitie heeft gegeven aan het vereiste van causaal verband in artikel 9, derde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Uit die bepaling, die over vluchtelingschap gaat, volgt dat er een verband moet zijn tussen de gronden van vervolging (artikel 10, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn) en de daden van vervolging of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden (artikel 9, eerste en tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn). Het Hof van Justitie heeft in het arrest EZ benadrukt dat de werkingssfeer van de Kwalificatierichtlijn niet mag worden uitgebreid door een te ruim causaal verband aan te nemen. Dit zou niet stroken met de in overweging 24 van de preambule neergelegde bedoeling van de Uniewetgever om te komen tot harmonisatie van de toepassing van de vluchtelingenstatus. De rechtbank stelt vast dat voor subsidiaire bescherming een vergelijkbare overweging in de preambule is opgenomen. In overweging 34 is namelijk de bedoeling van de Uniewetgever opgenomen om gemeenschappelijke criteria vast te stellen om degenen die om internationale bescherming verzoeken, als personen te erkennen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Het aannemen van een causaal verband tussen bedreiging en willekeurige geweld waar dit ontbreekt of te ver verwijderd is, zou de werkingssfeer van de Kwalificatierichtlijn op het punt van subsidiaire bescherming ontoelaatbaar uitbreiden, wat niet strookt met overweging 34 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank wijst in dit verband ook op overweging 26 van de Kwalificatierichtlijn, waaruit blijkt dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. 9.2. Het voorgaande betekent niet, zoals de minister stelt, dat humanitaire omstandigheden die indirect samenhangen met willekeurig geweld alleen daarom al niet relevant zijn. Bepalend is of tussen die omstandigheden en het willekeurig geweld een voldoende causaal verband bestaat. Daarvan kan sprake zijn als de humanitaire omstandigheden in overwegende mate voortvloeien uit het willekeurige geweld zelf of uit de wijze waarop het gewapend conflict wordt gevoerd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer strijdende partijen civiele infrastructuur vernietigen, humanitaire hulp blokkeren of de toegang tot voedsel, water of medische zorg belemmeren. Indien dat het geval is hebben humanitaire omstandigheden, ook als zij het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict, bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn betekenis.
Volledig
Of sprake is van een voldoende causaal verband zal steeds aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. Ontbreekt een voldoende causaal verband met het willekeurig geweld, dan kunnen dergelijke omstandigheden wel een rol spelen bij de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM of uitzetting een reëel risico op een onmenselijke behandeling oplevert. Dat betreft evenwel een andere toets, waarop de rechtbank hierna onder 15 zal ingaan. Betekenis van humanitaire omstandigheden die veroorzaakt zijn door een eerdere actor 10. Een geschilpunt tussen partijen is ook of humanitaire omstandigheden bij de beoordeling, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, moeten worden betrokken als deze (hoofdzakelijk) veroorzaakt zijn door een eerdere, niet meer actieve, actor. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt. 10.1. Zoals hiervoor is overwogen hoeven humanitaire omstandigheden die niet in verband staan met willekeurig geweld, of in een te ver verwijderd verband staan tot willekeurig geweld, niet betrokken te worden in de beoordeling of een vreemdeling subsidiaire bescherming behoeft, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat is ook het geval als een slechte humanitaire situatie niet of nauwelijks verband houdt met willekeurig geweld dat zich op dit moment voordoet. Ter beoordeling staat immers, ook gelet op de begripsbepaling van ‘subsidiaire bescherming’ in artikel 2, onderdeel f, van de Kwalificatierichtlijn, of een betrokkene bij terugkeer naar zijn land van herkomst als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict risico loopt op ernstige schade. Daarom moet de minister beoordelen of de gestelde humanitaire omstandigheden nog voldoende samenhangen met het aan de gang zijnde gewapende conflict en het willekeurige geweld dat daarin wordt uitgeoefend. Als die omstandigheden hoofdzakelijk voortvloeien uit handelen of nalaten van een actor die geen partij meer is bij het conflict en het verband met het actuele willekeurige geweld ontbreekt of te ver verwijderd is geraakt, hoeven deze omstandigheden niet te worden betrokken bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Tussenconclusie 11. Uit het voorgaande volgt dat humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat zij in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vraag van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, af te wachten. De rechtbank zal hierna beoordelen of de minister deze uitgangspunten voldoende in zijn beleid en besluitvorming heeft betrokken. Heeft de minister de humanitaire omstandigheden voldoende in het beleid betrokken? 12. Eiser betoogt dat de minister de humanitaire omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen in zijn beleid. Ter onderbouwing van de slechte humanitaire situatie heeft eiser drie notities van VluchtelingenWerk Nederland overgelegd. 12.1. De rechtbank stelt vast dat de minister in zijn beleid niet is ingegaan op humanitaire omstandigheden. De rechtbank is echter van oordeel dat daartoe ook onvoldoende aanleiding bestond. Zoals hiervoor is overwogen, hoeven humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van het geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en de door eiser genoemde rapporten van VluchtelingenWerk Nederland, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld. Eiser heeft ook niet gesteld dan wel inzichtelijk gemaakt waaruit volgt dat de op dit moment actieve partijen in het gewapend conflict de slechte humanitaire situatie in Syrië, en in het bijzonder in Damascus, veroorzaken of in stand houden. 12.2. Gelet hierop heeft de minister de humanitaire omstandigheden buiten beschouwing mogen laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld en is het beleid in zoverre niet onvolledig. Ook heeft eiser op zitting bevestigd dat hij niet betoogt dat de beoordeling in het beleid op andere punten onvolledig is. Had de minister voor Damascus een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen? 13. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het beleid voor Damascus geen hogere gradatie van willekeurig geweld is aangenomen. Ter onderbouwing van dit betoog heeft eiser, naast de onder 8 genoemde rechterlijke uitspraken, meerdere brieven van VluchtelingenWerk Nederland overgelegd. Ook heeft hij gewezen op het ambtsbericht van april 2025, waarin de veiligheidssituatie in Syrië als volatiel en instabiel wordt omschreven, en het ambtsbericht van 2026, waaruit volgens hem een ander beeld naar voren lijkt te komen van de algemene veiligheidssituatie dan het eerdere ambtsbericht. Na heropening van het onderzoek heeft eiser nog gewezen op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag en zittingsplaats Haarlem . 13.1. In het besluit heeft de minister toepassing gegeven aan WBV 2025/13. In de toelichting op dat beleid staat dat uit het ambtsbericht van mei 2025 blijkt dat de algemene situatie in Syrië door de val van het regime van Assad redelijk verbeterd is en dat daarom voor geheel Syrië een lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. In de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van de minister van 10 juni 2025 is per provincie een beschrijving gegeven van de veiligheidssituatie. In het voornemen heeft de minister zich aanvullend op het standpunt gesteld dat uit openbare bronnen volgt dat er in Damascus (en meer specifiek ook de wijk [naam wijk] waar eiser woonde) weliswaar sprake is van geweld en/of veiligheidsincidenten, maar géén sprake is van een situatie waarin iedere aanwezige een reëel risico op ernstige schade loopt. Hierbij heeft de minister data en informatie betrokken van de EUAA, Armed Conflict Location & Event Data (ACLED), Uppsala Conflict Data Program en Syria Weekly, waaruit blijkt dat het aantal (dodelijke) burgerslachtoffers en veiligheidsincidenten in Damascus relatief laag is in verhouding tot het inwonertal. De minister stelt zich verder op het standpunt dat uit het ambtsbericht van januari 2026 geen ander beeld naar voren komt van de veiligheidssituatie in Damascus dan uit het eerdere ambtsbericht. 13.2. Het in het besluit toegepaste beleid van de minister is gebaseerd op het ambtsbericht van mei 2025.
Volledig
Of sprake is van een voldoende causaal verband zal steeds aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. Ontbreekt een voldoende causaal verband met het willekeurig geweld, dan kunnen dergelijke omstandigheden wel een rol spelen bij de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM of uitzetting een reëel risico op een onmenselijke behandeling oplevert. Dat betreft evenwel een andere toets, waarop de rechtbank hierna onder 15 zal ingaan. Betekenis van humanitaire omstandigheden die veroorzaakt zijn door een eerdere actor 10. Een geschilpunt tussen partijen is ook of humanitaire omstandigheden bij de beoordeling, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, moeten worden betrokken als deze (hoofdzakelijk) veroorzaakt zijn door een eerdere, niet meer actieve, actor. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt. 10.1. Zoals hiervoor is overwogen hoeven humanitaire omstandigheden die niet in verband staan met willekeurig geweld, of in een te ver verwijderd verband staan tot willekeurig geweld, niet betrokken te worden in de beoordeling of een vreemdeling subsidiaire bescherming behoeft, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat is ook het geval als een slechte humanitaire situatie niet of nauwelijks verband houdt met willekeurig geweld dat zich op dit moment voordoet. Ter beoordeling staat immers, ook gelet op de begripsbepaling van ‘subsidiaire bescherming’ in artikel 2, onderdeel f, van de Kwalificatierichtlijn, of een betrokkene bij terugkeer naar zijn land van herkomst als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict risico loopt op ernstige schade. Daarom moet de minister beoordelen of de gestelde humanitaire omstandigheden nog voldoende samenhangen met het aan de gang zijnde gewapende conflict en het willekeurige geweld dat daarin wordt uitgeoefend. Als die omstandigheden hoofdzakelijk voortvloeien uit handelen of nalaten van een actor die geen partij meer is bij het conflict en het verband met het actuele willekeurige geweld ontbreekt of te ver verwijderd is geraakt, hoeven deze omstandigheden niet te worden betrokken bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Tussenconclusie 11. Uit het voorgaande volgt dat humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat zij in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vraag van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, af te wachten. De rechtbank zal hierna beoordelen of de minister deze uitgangspunten voldoende in zijn beleid en besluitvorming heeft betrokken. Heeft de minister de humanitaire omstandigheden voldoende in het beleid betrokken? 12. Eiser betoogt dat de minister de humanitaire omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen in zijn beleid. Ter onderbouwing van de slechte humanitaire situatie heeft eiser drie notities van VluchtelingenWerk Nederland overgelegd. 12.1. De rechtbank stelt vast dat de minister in zijn beleid niet is ingegaan op humanitaire omstandigheden. De rechtbank is echter van oordeel dat daartoe ook onvoldoende aanleiding bestond. Zoals hiervoor is overwogen, hoeven humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van het geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en de door eiser genoemde rapporten van VluchtelingenWerk Nederland, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld. Eiser heeft ook niet gesteld dan wel inzichtelijk gemaakt waaruit volgt dat de op dit moment actieve partijen in het gewapend conflict de slechte humanitaire situatie in Syrië, en in het bijzonder in Damascus, veroorzaken of in stand houden. 12.2. Gelet hierop heeft de minister de humanitaire omstandigheden buiten beschouwing mogen laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld en is het beleid in zoverre niet onvolledig. Ook heeft eiser op zitting bevestigd dat hij niet betoogt dat de beoordeling in het beleid op andere punten onvolledig is. Had de minister voor Damascus een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen? 13. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het beleid voor Damascus geen hogere gradatie van willekeurig geweld is aangenomen. Ter onderbouwing van dit betoog heeft eiser, naast de onder 8 genoemde rechterlijke uitspraken, meerdere brieven van VluchtelingenWerk Nederland overgelegd. Ook heeft hij gewezen op het ambtsbericht van april 2025, waarin de veiligheidssituatie in Syrië als volatiel en instabiel wordt omschreven, en het ambtsbericht van 2026, waaruit volgens hem een ander beeld naar voren lijkt te komen van de algemene veiligheidssituatie dan het eerdere ambtsbericht. Na heropening van het onderzoek heeft eiser nog gewezen op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag en zittingsplaats Haarlem . 13.1. In het besluit heeft de minister toepassing gegeven aan WBV 2025/13. In de toelichting op dat beleid staat dat uit het ambtsbericht van mei 2025 blijkt dat de algemene situatie in Syrië door de val van het regime van Assad redelijk verbeterd is en dat daarom voor geheel Syrië een lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. In de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van de minister van 10 juni 2025 is per provincie een beschrijving gegeven van de veiligheidssituatie. In het voornemen heeft de minister zich aanvullend op het standpunt gesteld dat uit openbare bronnen volgt dat er in Damascus (en meer specifiek ook de wijk [naam wijk] waar eiser woonde) weliswaar sprake is van geweld en/of veiligheidsincidenten, maar géén sprake is van een situatie waarin iedere aanwezige een reëel risico op ernstige schade loopt. Hierbij heeft de minister data en informatie betrokken van de EUAA, Armed Conflict Location & Event Data (ACLED), Uppsala Conflict Data Program en Syria Weekly, waaruit blijkt dat het aantal (dodelijke) burgerslachtoffers en veiligheidsincidenten in Damascus relatief laag is in verhouding tot het inwonertal. De minister stelt zich verder op het standpunt dat uit het ambtsbericht van januari 2026 geen ander beeld naar voren komt van de veiligheidssituatie in Damascus dan uit het eerdere ambtsbericht. 13.2. Het in het besluit toegepaste beleid van de minister is gebaseerd op het ambtsbericht van mei 2025.
Volledig
De rechtbank zal daarom hierna eerst, aan de hand van het ambtsbericht van mei 2025 en de door eiser overgelegde brieven van VluchtelingenWerk Nederland, een beschrijving geven van de veiligheidssituatie in Damascus (13.3). Omdat partijen in beroep ook stukken hebben ingeroepen die dateren van na het bestreden besluit – het ambtsbericht van januari 2026 en het EUAA-rapport van december 2025 – zal de rechtbank ook een uiteenzetting geven van de in die stukken beschreven veiligheidssituatie (13.3.1 en 13.3.2). Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de minister ten tijde van het besluit en in beroep had moeten uitgaan van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan de in WBV 2025/13 opgenomen laagste gradatie (13.4). Beschrijving veiligheidssituatie Syrië/Damascus 13.3. In het ambtsbericht van mei 2025 staat dat de veiligheidssituatie in Syrië gedurende de verslagperiode – zijnde de periode van 27 november 2024 tot en met april 2025 – volatiel en sterk gefragmenteerd was. Dit betekent dat geweldsniveaus fluctueerden en de veiligheidssituatie per gebied (in de steden zelfs per wijk) en per week kon verschillen. Buiten Damascus en de provincie Idlib had de overgangsregering haar gezag nog niet volledig gevestigd en was de controle over gewapende groepen beperkt. Ten aanzien van Damascus vermeldt het ambtsbericht dat de stad na de machtsomwenteling relatief veilig was in vergelijking met andere delen van het land, hoewel de situatie fragiel bleef. De interim-autoriteiten kregen enige grip op de veiligheid, maar buiten het centrum deden zich geweldsincidenten voor, waaronder sektarisch geweld en Israëlische luchtaanvallen. Daarnaast waren er sociale spanningen, criminaliteit, dreiging van regimegetrouwe gewapende groepen, terreuraanslagen van ISIS-cellen en dreiging door explosieve oorlogsresten. Sinds eind november 2024 raakten in Syrië meer dan 713.107 mensen binnenlands ontheemd en zijn ongeveer 110.000 mensen naar Libanon gevlucht. Geweldsescalaties in Jaramana en Ashrafiyet Sahnaya – twee voorsteden van Damascus – leidden tussen 30 april 2025 en 6 mei 2025 tot ontheemding van ongeveer 15.000 mensen. In het ambtsbericht staat ook dat veel ontheemden zijn teruggekeerd: tussen 27 november 2024 en 15 mei 2025 zijn volgens United Nations High Commissioner for Refugees 1.200.486 personen naar hun voormalige woonplaats teruggekeerd. Ontplofbare oorlogsresten, waaronder mijnen en niet-gesprongen munitie, vormden een aanhoudende, ernstige bedreiging voor het leven van burgers in grote delen van het land. Landmijnen, niet-ontplofte granaten en munitie (waaronder clustermunitie) lagen verspreid over het land. Volgens het United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (UN OCHA) van de Verenigde Naties waren ongelukken met ontplofbare oorlogsresten door het hele land heen een dagelijkse realiteit. De terugkeer, vanaf begin december 2024, van honderdduizenden Syriërs naar hun voormalig woongebied leidde tot een sterke toename van het aantal slachtoffers in dat verband. 13.3.1. In het ambtsbericht van januari 2026 staat dat er in de verslagperiode – namelijk de periode van mei 2025 tot en met december 2025 – in Syrië een groot gebrek aan stabiliteit was. Hoewel het aantal geweldsincidenten in 2025 met 44% is afgenomen ten opzichte van 2024, bleef het geweldsniveau fluctueren. De meeste incidenten deden zich voor buiten Damascus. Vanaf september 2025 daalde het dodelijke geweld tot ongeveer een derde van het niveau van de voorafgaande negen maanden. In Damascus, met circa 1,9 miljoen inwoners (waarvan ongeveer 31% ontheemd), registreerde ACLED tussen mei en december 2025 69 geweldsincidenten. Deze bestonden uit gevechten, explosies en geweld tegen burgers. Regelmatig waren hierbij ongeïdentificeerde gewapende groepen betrokken. In de stad deden zich onder meer bomaanslagen en raketbeschietingen voor, evenals luchtaanvallen door het Israëlische leger op onder meer overheidsdoelen. Daarbij vielen ook burgerslachtoffers. In 2025 documenteerde het Syrian Network for Human Rights (SNHR) in totaal 3.666 burgerdoden in Syrië, waarvan ten minste 25 in Damascus. Een ernstig incident betrof een aan ISIS toegeschreven zelfmoordaanslag op een kerk in juni 2025, met tientallen doden en gewonden. Daarnaast vormden ontplofbare oorlogsresten een aanhoudend risico, ook voor terugkerende ontheemden. In Damascus kwamen dergelijke incidenten beperkt voor en werden opruimingswerkzaamheden uitgevoerd. In de verslagperiode van het ambtsbericht keerden ruim 12.000 ontheemden terug naar de stad. 13.3.2. In het EUAA-rapport van december 2025 wordt geconcludeerd dat in het gouvernement Damascus geen sprake meer is van willekeurig geweld in het kader van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Damascus wordt aangemerkt als het meest stabiele gebied van Syrië. De sterke aanwezigheid van veiligheidstroepen heeft volgens het EUAA bijgedragen aan een overwegend veilige situatie, met een daling van het aantal veiligheidsincidenten en minder arrestaties bij controleposten. Wel blijven zich geïsoleerde incidenten voordoen, waaronder ontvoeringen, gewapende aanvallen en Israëlische luchtaanvallen, waarbij in sommige gevallen burgerslachtoffers zijn gevallen. Uit gegevens van ACLED volgt dat tussen 9 december 2024 en 26 september 2025 in totaal 99 veiligheidsincidenten zijn geregistreerd in Damascus, gemiddeld ongeveer 2,4 incidenten per week. Het merendeel betrof geweld tegen burgers. Gevechten kwamen nauwelijks voor en explosies/geweld op afstand bleven beperkt in aantal. Volgens het SNHR vielen tussen december 2024 en september 2025 in totaal 44 burgerdoden in Damascus. Afgezet tegen de bevolkingsomvang komt dit neer op ongeveer 2 burgerdoden per 100.000 inwoners in de gehele referentieperiode. 13.4. De rechtbank leidt uit deze informatie af dat in Damascus, ondanks geweldsincidenten – waaronder luchtaanvallen, bomaanslagen, raketbeschietingen en een ernstige zelfmoordaanslag – het aantal geregistreerde geweldsincidenten en burgerdoden in verhouding tot de bevolkingsomvang relatief laag is. Het geweld vertoonde fluctuaties, maar bleef in absolute en relatieve zin beperkter dan in andere delen van het land. Daarbij wordt Damascus aangemerkt als het meest stabiele gebied van Syrië, mede door de aanwezigheid van veiligheidstroepen en een dalende trend in geweldsincidenten in 2025. De cijfers ten aanzien van het aantal dodelijke burgerslachtoffers zoals betrokken in het ambtsbericht van januari 2026, zijn niet hoger, eerder lager, dan de cijfers waar de minister in het bestreden besluit van uit is gegaan. Het beschreven geweld betreft tenminste voor een deel gericht geweld. Het gaat om criminaliteit, sektarisch geweld tegen Alawieten (waartoe eiser niet behoort) of geweld tussen de overblijfselen van het veiligheidsapparaat van het Assad-regime en de General Security Service. De Israëlische luchtaanvallen, die overigens afnamen in vergelijking met de vorige verslagperiode, zijn ook gericht: het doelwit was de Palestijnse Islamitische Jihad en een militair onderzoekscentrum. Ook waren er meerdere luchtaanvallen eind april 2025 in de overwegend druzische voorsteden Jaramana en Ashrafiyet Sahnaya: deze waren gericht tegen troepen van de overgangsregering en anderen en dienden als “waarschuwing” naar de autoriteiten of waren gericht tegen een “extremistische groep” die het op de druzische bevolking gericht zou hebben (hierbij kwam één burger om). Ook vonden er korte geweldsepisodes plaats in de voorstad Jaramana en in Ashrafiyet Sahnaya, ten zuidwesten van Damascus, waarbij enkele burgers zijn omgekomen; in beide plaatsen bereikten de autoriteiten en druzische leiders een veiligheidsakkoord. De in het ambtsbericht van 2025 beschreven ontheemdenstromen vanuit de voorsteden Jaramana en Ashrafiyet Sahnaya zijn het gevolg van gericht geweld, niet van willekeurig geweld. Bovendien blijkt uit de informatie juist dat veel ontheemden (ook uit het buitenland) terugkeerden. Aan de aanwezigheid van mijnen hoeft de minister geen doorslaggevende betekenis toe te kennen.
Volledig
De rechtbank zal daarom hierna eerst, aan de hand van het ambtsbericht van mei 2025 en de door eiser overgelegde brieven van VluchtelingenWerk Nederland, een beschrijving geven van de veiligheidssituatie in Damascus (13.3). Omdat partijen in beroep ook stukken hebben ingeroepen die dateren van na het bestreden besluit – het ambtsbericht van januari 2026 en het EUAA-rapport van december 2025 – zal de rechtbank ook een uiteenzetting geven van de in die stukken beschreven veiligheidssituatie (13.3.1 en 13.3.2). Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de minister ten tijde van het besluit en in beroep had moeten uitgaan van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan de in WBV 2025/13 opgenomen laagste gradatie (13.4). Beschrijving veiligheidssituatie Syrië/Damascus 13.3. In het ambtsbericht van mei 2025 staat dat de veiligheidssituatie in Syrië gedurende de verslagperiode – zijnde de periode van 27 november 2024 tot en met april 2025 – volatiel en sterk gefragmenteerd was. Dit betekent dat geweldsniveaus fluctueerden en de veiligheidssituatie per gebied (in de steden zelfs per wijk) en per week kon verschillen. Buiten Damascus en de provincie Idlib had de overgangsregering haar gezag nog niet volledig gevestigd en was de controle over gewapende groepen beperkt. Ten aanzien van Damascus vermeldt het ambtsbericht dat de stad na de machtsomwenteling relatief veilig was in vergelijking met andere delen van het land, hoewel de situatie fragiel bleef. De interim-autoriteiten kregen enige grip op de veiligheid, maar buiten het centrum deden zich geweldsincidenten voor, waaronder sektarisch geweld en Israëlische luchtaanvallen. Daarnaast waren er sociale spanningen, criminaliteit, dreiging van regimegetrouwe gewapende groepen, terreuraanslagen van ISIS-cellen en dreiging door explosieve oorlogsresten. Sinds eind november 2024 raakten in Syrië meer dan 713.107 mensen binnenlands ontheemd en zijn ongeveer 110.000 mensen naar Libanon gevlucht. Geweldsescalaties in Jaramana en Ashrafiyet Sahnaya – twee voorsteden van Damascus – leidden tussen 30 april 2025 en 6 mei 2025 tot ontheemding van ongeveer 15.000 mensen. In het ambtsbericht staat ook dat veel ontheemden zijn teruggekeerd: tussen 27 november 2024 en 15 mei 2025 zijn volgens United Nations High Commissioner for Refugees 1.200.486 personen naar hun voormalige woonplaats teruggekeerd. Ontplofbare oorlogsresten, waaronder mijnen en niet-gesprongen munitie, vormden een aanhoudende, ernstige bedreiging voor het leven van burgers in grote delen van het land. Landmijnen, niet-ontplofte granaten en munitie (waaronder clustermunitie) lagen verspreid over het land. Volgens het United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (UN OCHA) van de Verenigde Naties waren ongelukken met ontplofbare oorlogsresten door het hele land heen een dagelijkse realiteit. De terugkeer, vanaf begin december 2024, van honderdduizenden Syriërs naar hun voormalig woongebied leidde tot een sterke toename van het aantal slachtoffers in dat verband. 13.3.1. In het ambtsbericht van januari 2026 staat dat er in de verslagperiode – namelijk de periode van mei 2025 tot en met december 2025 – in Syrië een groot gebrek aan stabiliteit was. Hoewel het aantal geweldsincidenten in 2025 met 44% is afgenomen ten opzichte van 2024, bleef het geweldsniveau fluctueren. De meeste incidenten deden zich voor buiten Damascus. Vanaf september 2025 daalde het dodelijke geweld tot ongeveer een derde van het niveau van de voorafgaande negen maanden. In Damascus, met circa 1,9 miljoen inwoners (waarvan ongeveer 31% ontheemd), registreerde ACLED tussen mei en december 2025 69 geweldsincidenten. Deze bestonden uit gevechten, explosies en geweld tegen burgers. Regelmatig waren hierbij ongeïdentificeerde gewapende groepen betrokken. In de stad deden zich onder meer bomaanslagen en raketbeschietingen voor, evenals luchtaanvallen door het Israëlische leger op onder meer overheidsdoelen. Daarbij vielen ook burgerslachtoffers. In 2025 documenteerde het Syrian Network for Human Rights (SNHR) in totaal 3.666 burgerdoden in Syrië, waarvan ten minste 25 in Damascus. Een ernstig incident betrof een aan ISIS toegeschreven zelfmoordaanslag op een kerk in juni 2025, met tientallen doden en gewonden. Daarnaast vormden ontplofbare oorlogsresten een aanhoudend risico, ook voor terugkerende ontheemden. In Damascus kwamen dergelijke incidenten beperkt voor en werden opruimingswerkzaamheden uitgevoerd. In de verslagperiode van het ambtsbericht keerden ruim 12.000 ontheemden terug naar de stad. 13.3.2. In het EUAA-rapport van december 2025 wordt geconcludeerd dat in het gouvernement Damascus geen sprake meer is van willekeurig geweld in het kader van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Damascus wordt aangemerkt als het meest stabiele gebied van Syrië. De sterke aanwezigheid van veiligheidstroepen heeft volgens het EUAA bijgedragen aan een overwegend veilige situatie, met een daling van het aantal veiligheidsincidenten en minder arrestaties bij controleposten. Wel blijven zich geïsoleerde incidenten voordoen, waaronder ontvoeringen, gewapende aanvallen en Israëlische luchtaanvallen, waarbij in sommige gevallen burgerslachtoffers zijn gevallen. Uit gegevens van ACLED volgt dat tussen 9 december 2024 en 26 september 2025 in totaal 99 veiligheidsincidenten zijn geregistreerd in Damascus, gemiddeld ongeveer 2,4 incidenten per week. Het merendeel betrof geweld tegen burgers. Gevechten kwamen nauwelijks voor en explosies/geweld op afstand bleven beperkt in aantal. Volgens het SNHR vielen tussen december 2024 en september 2025 in totaal 44 burgerdoden in Damascus. Afgezet tegen de bevolkingsomvang komt dit neer op ongeveer 2 burgerdoden per 100.000 inwoners in de gehele referentieperiode. 13.4. De rechtbank leidt uit deze informatie af dat in Damascus, ondanks geweldsincidenten – waaronder luchtaanvallen, bomaanslagen, raketbeschietingen en een ernstige zelfmoordaanslag – het aantal geregistreerde geweldsincidenten en burgerdoden in verhouding tot de bevolkingsomvang relatief laag is. Het geweld vertoonde fluctuaties, maar bleef in absolute en relatieve zin beperkter dan in andere delen van het land. Daarbij wordt Damascus aangemerkt als het meest stabiele gebied van Syrië, mede door de aanwezigheid van veiligheidstroepen en een dalende trend in geweldsincidenten in 2025. De cijfers ten aanzien van het aantal dodelijke burgerslachtoffers zoals betrokken in het ambtsbericht van januari 2026, zijn niet hoger, eerder lager, dan de cijfers waar de minister in het bestreden besluit van uit is gegaan. Het beschreven geweld betreft tenminste voor een deel gericht geweld. Het gaat om criminaliteit, sektarisch geweld tegen Alawieten (waartoe eiser niet behoort) of geweld tussen de overblijfselen van het veiligheidsapparaat van het Assad-regime en de General Security Service. De Israëlische luchtaanvallen, die overigens afnamen in vergelijking met de vorige verslagperiode, zijn ook gericht: het doelwit was de Palestijnse Islamitische Jihad en een militair onderzoekscentrum. Ook waren er meerdere luchtaanvallen eind april 2025 in de overwegend druzische voorsteden Jaramana en Ashrafiyet Sahnaya: deze waren gericht tegen troepen van de overgangsregering en anderen en dienden als “waarschuwing” naar de autoriteiten of waren gericht tegen een “extremistische groep” die het op de druzische bevolking gericht zou hebben (hierbij kwam één burger om). Ook vonden er korte geweldsepisodes plaats in de voorstad Jaramana en in Ashrafiyet Sahnaya, ten zuidwesten van Damascus, waarbij enkele burgers zijn omgekomen; in beide plaatsen bereikten de autoriteiten en druzische leiders een veiligheidsakkoord. De in het ambtsbericht van 2025 beschreven ontheemdenstromen vanuit de voorsteden Jaramana en Ashrafiyet Sahnaya zijn het gevolg van gericht geweld, niet van willekeurig geweld. Bovendien blijkt uit de informatie juist dat veel ontheemden (ook uit het buitenland) terugkeerden. Aan de aanwezigheid van mijnen hoeft de minister geen doorslaggevende betekenis toe te kennen.
Volledig
Uit de stukken blijkt niet dat die mijnen in Damascus tot veel slachtoffers hebben geleid en er wordt gewerkt aan het ruimen van die mijnen. 13.5. Op grond van het vorenstaande heeft de minister, zowel in het besluit als in beroep, zich terecht op het standpunt gesteld dat zich in Damascus geen hogere gradatie dan de in het beleid aangenomen gradatie van willekeurig geweld voordoet. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat het EUAA in het rapport van december 2025 ten aanzien van Damascus heeft geconcludeerd dat zich daar in het geheel geen situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet. De door eiser genoemde uitspraken van andere zittingsplaatsen geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld 14. Zoals volgt uit het arrest X en Y , en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. 14.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op basis van zijn persoonlijke omstandigheden en individuele situatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Damascus een verhoogd risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de voor artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn geldende glijdende schaal, bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld, de door de betrokkene naar voren gebrachte risicoverhogende omstandigheden meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. De pas in beroep naar voren gebrachte omstandigheden – ‘staatloosheid’ en het ‘ontbreken van een netwerk’ – zijn daarvoor onvoldoende. In het beroepschrift is ook niet nader onderbouwd waarom eiser hierdoor een hoger risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat eiser heeft verklaard dat zijn ouders nog in [naam wijk] , dat in Damascus ligt, verblijven en hij dus wel degelijk een netwerk heeft. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een significant verhoogd risico loopt ten opzichte van andere personen. Is uitzetting wegens de humanitaire situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM? 15. Eiser betoogt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Syrië terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. 15.1. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’. 15.2. De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt terecht dat eiser in de gronden van 12 januari 2026 geen onderbouwing heeft gegeven van deze zeer uitzonderlijke humanitaire omstandigheden, en dat ook niet heeft toegespitst op de situatie in Damascus. Hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, is de rechtbank niet gebleken dat in Syrië, en Damascus in het bijzonder, zeer uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld onder rechtsoverweging 15.1, bestaan. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat volgens UN OCHA naar schatting 16,5 miljoen Syriërs, onder wie 7,2 miljoen binnenlands ontheemden en bijna 2 miljoen teruggekeerde binnenlands ontheemden, behoefte hadden aan humanitaire hulp. Naar schatting 90% van de bevolking leefde onder de armoedegrens van 2,15 dollar per dag. Meer dan de helft van de bevolking had te kampen met voedselonzekerheid en bijna drie miljoen mensen had te maken met ernstige voedselonzekerheid. Tegelijk blijkt uit het ambtsbericht van mei 2025 dat verschillen bestonden tussen stedelijke en rurale gebieden; diensten waren over het algemeen in grotere steden geconcentreerd. Bovendien zijn internationale hulporganisaties actief in Syrië en niet is gebleken dat deze organisaties, anders dan aan de orde was in de zaak Sufi en Elmi, geen toegang hebben tot de getroffen gebieden. De humanitaire situatie in Damascus is op zichzelf dan ook onvoldoende om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep tegen het besluit van 29 juli 2025 is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld en ook de overige beroepsgronden niet slagen. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 29 juli 2025; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzitter, en mr. A.S.W. Kroon en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verslag aanmeldgehoor 2 april 2024, p. 14. Verslag aanmeldgehoor, p. 6 en 7. Ambtsbericht Syrië januari 2026, paragraaf 3.1.5. ECLI:NL:RBDHA:2026:3573. Nader gehoor, p. 7-9. Nader gehoor, p. 10 en 11. ECLI:NL:RBDHA:2025:15446. ECLI:NL:RBDHA:2025:14097. ECLI:NL: RBDHA:2025:23822. ECLI:NL:RBDHA:2025:25445. Stcrt. 2025, nr. 20828. Paragraaf C7/33 van de Vreemdelingencirculaire 2000. TK 2024-2025, 19 637, nr. 3435. Zie ook de bijlagen bij deze brief: de beslisnota en de 15c-beoordeling. ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154. ECLI:EU:C:2021:472, punt 28, 42 en 43. Punt 40. Genoemd in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn. HvJEU 19 november 2020, ECLI:EU:C:2020:945. Punt 49 van het arrest EZ. Vergelijk het arrest Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk van het EHRM van 28 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 en ABRvS 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054, onder 3.2 en 3.3. Zie ook het arrest CF en DN, punt 28. 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611. 20 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3845. Dat beslaat de periode december 2024 – mei 2025 en bevat, voor wat betreft de mensenrechten, de veiligheid en de sociaal economische omstandigheden), aanvullende informatie over de periode van 1 juni 2025 tot 30 september 2025. Punt 42 van het arrest. Paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000. Nader gehoor, p. 10. EHRM 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, onder 281 tot en met 283.
Volledig
Uit de stukken blijkt niet dat die mijnen in Damascus tot veel slachtoffers hebben geleid en er wordt gewerkt aan het ruimen van die mijnen. 13.5. Op grond van het vorenstaande heeft de minister, zowel in het besluit als in beroep, zich terecht op het standpunt gesteld dat zich in Damascus geen hogere gradatie dan de in het beleid aangenomen gradatie van willekeurig geweld voordoet. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat het EUAA in het rapport van december 2025 ten aanzien van Damascus heeft geconcludeerd dat zich daar in het geheel geen situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet. De door eiser genoemde uitspraken van andere zittingsplaatsen geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld 14. Zoals volgt uit het arrest X en Y , en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. 14.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op basis van zijn persoonlijke omstandigheden en individuele situatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Damascus een verhoogd risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de voor artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn geldende glijdende schaal, bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld, de door de betrokkene naar voren gebrachte risicoverhogende omstandigheden meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. De pas in beroep naar voren gebrachte omstandigheden – ‘staatloosheid’ en het ‘ontbreken van een netwerk’ – zijn daarvoor onvoldoende. In het beroepschrift is ook niet nader onderbouwd waarom eiser hierdoor een hoger risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat eiser heeft verklaard dat zijn ouders nog in [naam wijk] , dat in Damascus ligt, verblijven en hij dus wel degelijk een netwerk heeft. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een significant verhoogd risico loopt ten opzichte van andere personen. Is uitzetting wegens de humanitaire situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM? 15. Eiser betoogt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Syrië terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. 15.1. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’. 15.2. De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt terecht dat eiser in de gronden van 12 januari 2026 geen onderbouwing heeft gegeven van deze zeer uitzonderlijke humanitaire omstandigheden, en dat ook niet heeft toegespitst op de situatie in Damascus. Hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, is de rechtbank niet gebleken dat in Syrië, en Damascus in het bijzonder, zeer uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld onder rechtsoverweging 15.1, bestaan. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat volgens UN OCHA naar schatting 16,5 miljoen Syriërs, onder wie 7,2 miljoen binnenlands ontheemden en bijna 2 miljoen teruggekeerde binnenlands ontheemden, behoefte hadden aan humanitaire hulp. Naar schatting 90% van de bevolking leefde onder de armoedegrens van 2,15 dollar per dag. Meer dan de helft van de bevolking had te kampen met voedselonzekerheid en bijna drie miljoen mensen had te maken met ernstige voedselonzekerheid. Tegelijk blijkt uit het ambtsbericht van mei 2025 dat verschillen bestonden tussen stedelijke en rurale gebieden; diensten waren over het algemeen in grotere steden geconcentreerd. Bovendien zijn internationale hulporganisaties actief in Syrië en niet is gebleken dat deze organisaties, anders dan aan de orde was in de zaak Sufi en Elmi, geen toegang hebben tot de getroffen gebieden. De humanitaire situatie in Damascus is op zichzelf dan ook onvoldoende om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep tegen het besluit van 29 juli 2025 is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld en ook de overige beroepsgronden niet slagen. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 29 juli 2025; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzitter, en mr. A.S.W. Kroon en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verslag aanmeldgehoor 2 april 2024, p. 14. Verslag aanmeldgehoor, p. 6 en 7. Ambtsbericht Syrië januari 2026, paragraaf 3.1.5. ECLI:NL:RBDHA:2026:3573. Nader gehoor, p. 7-9. Nader gehoor, p. 10 en 11. ECLI:NL:RBDHA:2025:15446. ECLI:NL:RBDHA:2025:14097. ECLI:NL: RBDHA:2025:23822. ECLI:NL:RBDHA:2025:25445. Stcrt. 2025, nr. 20828. Paragraaf C7/33 van de Vreemdelingencirculaire 2000. TK 2024-2025, 19 637, nr. 3435. Zie ook de bijlagen bij deze brief: de beslisnota en de 15c-beoordeling. ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154. ECLI:EU:C:2021:472, punt 28, 42 en 43. Punt 40. Genoemd in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn. HvJEU 19 november 2020, ECLI:EU:C:2020:945. Punt 49 van het arrest EZ. Vergelijk het arrest Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk van het EHRM van 28 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 en ABRvS 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054, onder 3.2 en 3.3. Zie ook het arrest CF en DN, punt 28. 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611. 20 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3845. Dat beslaat de periode december 2024 – mei 2025 en bevat, voor wat betreft de mensenrechten, de veiligheid en de sociaal economische omstandigheden), aanvullende informatie over de periode van 1 juni 2025 tot 30 september 2025. Punt 42 van het arrest. Paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000. Nader gehoor, p. 10. EHRM 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, onder 281 tot en met 283.