Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:12192
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,093 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12192 text/xml public 2026-05-19T14:42:01 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-15 NL26.24185 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12192 text/html public 2026-05-18T09:57:55 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12192 Rechtbank Den Haag , 15-05-2026 / NL26.24185 Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw. Beroep op het arrest Aroja slaagt niet. De maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw telt niet mee bij het bepalen van de maximale bewaringsduur zoals is bedoeld in de Terugkeerrichtlijn. Bewaring op grond van artikel 59b van de Vw is namelijk niet gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn. Ook het beroep op het arrest Adrar slaagt niet. De maatregel die aan eiser is opgelegd ziet, nu eiser een asielaanvraag heeft ingediend, niet op uitzetting. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dat geval niet was gehouden om een Adrar-toets te doen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24185 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigden: mr. V.R. Bloemberg en mr. R.L.F. Zandbelt). Procesverloop Bij besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was weliswaar opgeroepen, maar het vervoer was door een misverstand vanuit het detentiecentrum geannuleerd. Eiser was daardoor niet aangevoerd naar de rechtbank. Eisers gemachtigde was wel aanwezig, evenals een van de gemachtigden van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek na inhoudelijke behandeling vervolgens geschorst, zodat kon worden nagegaan of eiser alsnog gehoord zou willen worden. Eisers gemachtigde heeft op diezelfde dag aangegeven graag nog een nadere mondelinge behandeling te willen. De rechtbank heeft het onderzoek op 12 mei 2026 vervolgens voortgezet en eiser gehoord. Daarbij waren de gemachtigde van eiser en een van de gemachtigden van de minister aanwezig. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1991. 2. Eiser doet een beroep op het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 5 maart 2026 en stelt dat de minister uiterlijk op 5 maart 2026, namelijk zes maanden na 7 september 2025, een verlengingsbesluit zoals bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw had moeten nemen. Volgens eiser volgt uit het arrest namelijk dat zowel de periode waarin eiser op de grondslag van artikel 59, eerste lid, van de Vw in bewaring zat als de periode waarin eiser op de grondslag van artikel 59b van de Vw in bewaring zit, moeten worden betrokken in het berekenen van de maximale termijn zoals bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn . Dat volgt uit punt 58 uit het arrest, aldus eiser. Ter ondersteuning wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats en zittingsplaatsen Utrecht en Haarlem . Nu de minister geen verlengingsbesluit heeft genomen, is de bewaring vanaf 5 maart 2026 onrechtmatig. 2.1. Uit het arrest Aroja blijkt dat voor de berekening van de maximale termijn van zes maanden in de zin van artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn, alle perioden die een vreemdeling ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht bij elkaar moeten worden opgeteld. In punt 58 van het arrest staat dat ook de periode waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit is geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, moet worden meegeteld. Het Hof van Justitie van de Europese Unie wijst daarbij op punten 40, 47 en 48 van het arrest Kadzoev . Daaruit blijkt dat wat in punt 58 van het arrest Aroja staat slechts van toepassing is als de bewaringsmaatregel is gebaseerd op artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De perioden van eventuele maatregelen van bewaring op een andere grondslag dan de Terugkeerrichtlijn tellen dan ook niet mee voor de berekening van de genoemde maximale termijn van zes maanden . 2.2. De minister heeft op 22 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw opgelegd. De grondslag van deze maatregel is gelegen in de Opvangrichtlijn . Dit betekent dat de periode waarin eiser op deze grondslag in bewaring is gesteld, niet meetelt voor de berekening van de maximale periode van zes maanden. Niet in geschil is dat op 22 april 2026 nog niet de maximale termijn van zes maanden was overschreden ten aanzien van de opgelegde maatregelen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het gaat namelijk om 131 dagen. Er bestaat voor de rechtbank daarom geen aanleiding om te oordelen dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats en zittingsplaatsen Utrecht en Haarlem volgt de rechtbank niet aangezien het in de aangehaalde uitspraken gaat om een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet. 3. Eiser doet verder een beroep op het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025 . Volgens eiser voldoet de maatregel van bewaring niet aan de in het arrest genoemde vereisten. De minister dient te onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. Uit de M110 blijkt dat eiser daarover niet is bevraagd en is er ook geen motivering over opgenomen in de maatregel van bewaring. In de maatregel van bewaring wordt wel gesproken over de zus van eiser in Nederland. Eiser zou hebben aangegeven niet te weten waar zij woont, maar dat is onjuist. Bovendien zijn de zus en neef van eiser aanwezig geweest bij eerdere zittingen. Er kan hierdoor niet worden vastgesteld of de minister het refoulementrisico dan wel het recht op familie- of gezinsleven van eiser heeft beoordeeld, aldus eiser. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet was gehouden om een non-refoulement beoordeling te doen. Onderhavige maatregel van eiser is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw nu eiser een (nieuwe) asielaanvraag heeft ingediend. De maatregel van bewaring is daarmee niet gericht op de terugkeer van eiser naar Marokko, maar op de behandeling van zijn asielaanvraag en een eventuele gerechtelijke procedure tegen de afwijzing daarvan. De beroepsgrond slaagt niet. 4. In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12192 text/xml public 2026-05-19T14:42:01 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-15 NL26.24185 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12192 text/html public 2026-05-18T09:57:55 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12192 Rechtbank Den Haag , 15-05-2026 / NL26.24185 Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw. Beroep op het arrest Aroja slaagt niet. De maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw telt niet mee bij het bepalen van de maximale bewaringsduur zoals is bedoeld in de Terugkeerrichtlijn. Bewaring op grond van artikel 59b van de Vw is namelijk niet gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn. Ook het beroep op het arrest Adrar slaagt niet. De maatregel die aan eiser is opgelegd ziet, nu eiser een asielaanvraag heeft ingediend, niet op uitzetting. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dat geval niet was gehouden om een Adrar-toets te doen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24185 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigden: mr. V.R. Bloemberg en mr. R.L.F. Zandbelt). Procesverloop Bij besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was weliswaar opgeroepen, maar het vervoer was door een misverstand vanuit het detentiecentrum geannuleerd. Eiser was daardoor niet aangevoerd naar de rechtbank. Eisers gemachtigde was wel aanwezig, evenals een van de gemachtigden van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek na inhoudelijke behandeling vervolgens geschorst, zodat kon worden nagegaan of eiser alsnog gehoord zou willen worden. Eisers gemachtigde heeft op diezelfde dag aangegeven graag nog een nadere mondelinge behandeling te willen. De rechtbank heeft het onderzoek op 12 mei 2026 vervolgens voortgezet en eiser gehoord. Daarbij waren de gemachtigde van eiser en een van de gemachtigden van de minister aanwezig. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1991. 2. Eiser doet een beroep op het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 5 maart 2026 en stelt dat de minister uiterlijk op 5 maart 2026, namelijk zes maanden na 7 september 2025, een verlengingsbesluit zoals bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw had moeten nemen. Volgens eiser volgt uit het arrest namelijk dat zowel de periode waarin eiser op de grondslag van artikel 59, eerste lid, van de Vw in bewaring zat als de periode waarin eiser op de grondslag van artikel 59b van de Vw in bewaring zit, moeten worden betrokken in het berekenen van de maximale termijn zoals bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn . Dat volgt uit punt 58 uit het arrest, aldus eiser. Ter ondersteuning wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats en zittingsplaatsen Utrecht en Haarlem . Nu de minister geen verlengingsbesluit heeft genomen, is de bewaring vanaf 5 maart 2026 onrechtmatig. 2.1. Uit het arrest Aroja blijkt dat voor de berekening van de maximale termijn van zes maanden in de zin van artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn, alle perioden die een vreemdeling ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht bij elkaar moeten worden opgeteld. In punt 58 van het arrest staat dat ook de periode waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit is geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, moet worden meegeteld. Het Hof van Justitie van de Europese Unie wijst daarbij op punten 40, 47 en 48 van het arrest Kadzoev . Daaruit blijkt dat wat in punt 58 van het arrest Aroja staat slechts van toepassing is als de bewaringsmaatregel is gebaseerd op artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De perioden van eventuele maatregelen van bewaring op een andere grondslag dan de Terugkeerrichtlijn tellen dan ook niet mee voor de berekening van de genoemde maximale termijn van zes maanden . 2.2. De minister heeft op 22 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw opgelegd. De grondslag van deze maatregel is gelegen in de Opvangrichtlijn . Dit betekent dat de periode waarin eiser op deze grondslag in bewaring is gesteld, niet meetelt voor de berekening van de maximale periode van zes maanden. Niet in geschil is dat op 22 april 2026 nog niet de maximale termijn van zes maanden was overschreden ten aanzien van de opgelegde maatregelen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het gaat namelijk om 131 dagen. Er bestaat voor de rechtbank daarom geen aanleiding om te oordelen dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats en zittingsplaatsen Utrecht en Haarlem volgt de rechtbank niet aangezien het in de aangehaalde uitspraken gaat om een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet. 3. Eiser doet verder een beroep op het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025 . Volgens eiser voldoet de maatregel van bewaring niet aan de in het arrest genoemde vereisten. De minister dient te onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. Uit de M110 blijkt dat eiser daarover niet is bevraagd en is er ook geen motivering over opgenomen in de maatregel van bewaring. In de maatregel van bewaring wordt wel gesproken over de zus van eiser in Nederland. Eiser zou hebben aangegeven niet te weten waar zij woont, maar dat is onjuist. Bovendien zijn de zus en neef van eiser aanwezig geweest bij eerdere zittingen. Er kan hierdoor niet worden vastgesteld of de minister het refoulementrisico dan wel het recht op familie- of gezinsleven van eiser heeft beoordeeld, aldus eiser. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet was gehouden om een non-refoulement beoordeling te doen. Onderhavige maatregel van eiser is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw nu eiser een (nieuwe) asielaanvraag heeft ingediend. De maatregel van bewaring is daarmee niet gericht op de terugkeer van eiser naar Marokko, maar op de behandeling van zijn asielaanvraag en een eventuele gerechtelijke procedure tegen de afwijzing daarvan. De beroepsgrond slaagt niet. 4. In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d.