Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:10680
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,038 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10680 text/xml public 2026-05-12T07:57:00 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL25.56112 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10680 text/html public 2026-05-12T07:56:37 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10680 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL25.56112 Asiel; Ecuador; samenwerkingsverplichting; problemen ongeloofwaardig; geen risico vervolging/ernstige schade; beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.56112 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres (gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.R. Stuart). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Zij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de asielaanvraag af te wijzen in stand kan blijven. De minister heeft voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsverplichting en heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiseres gestelde problemen met de bende Los Lobos niet geloofwaardig zijn. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Ecuador een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 18 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 november 2025 afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij uit Ecuador komt, dat zij de Ecuadoraanse nationaliteit bezit en tot de Mesties bevolkingsgroep behoort. Zij is uit Ecuador gevlucht omdat zij door haar ex-partner is mishandeld en bedreigd. Ook heeft eiseres ontdekt dat hij lid is van een criminele bende genaamd Los Lobos. Zij en haar zoon zouden vervolgens ook door leden van deze bende met de dood zijn bedreigd. Na de laatste bedreiging heeft eiseres haar ex-partner om toestemming/hulp gevraagd om met haar zoon het land te verlaten. Die toestemming heeft zij verkregen, waarna zij Ecuador is uitgereisd. Bij terugkeer vreest eiseres voor haar ex-partner en voor de leden van Los Lobos. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - bedreiging en mishandeling door de ex-partner en de daaruit voortvloeiende problemen met Los Lobos. 4.1. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Ook de mishandeling en bedreiging door de ex-partner wordt geloofwaardig geacht. De problemen met Los Lobos acht de minister echter niet geloofwaardig. Eiseres heeft haar verklaringen niet onderbouwd met documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarnaast vormen de verklaringen van eiseres over de problemen met Los Lobos geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres met haar verklaringen niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zij persoonlijk doelwit zou zijn van de bendeleden. Daarnaast heeft zij ongerijmd verklaard over de reden van de bedreigingen en komen haar verklaringen tijdens het nader gehoor niet overeen met de inhoud van haar aangifte en zijn de problemen niet te herleiden tot Los Lobos. Ook bieden de door eiseres overgelegde documenten volgens de minister onvoldoende onderbouwing voor haar stelling dat Los Lobos naar haar opzoek zijn. Verder rijmen de gestelde handelingen van Los Lobos en de verklaringen van eiseres volgens de minister niet met elkaar. Tot slot heeft eiseres bij terugkeer naar Ecuador geen gegronde vrees voor vervolging en loopt zij geen reëel risico op ernstige schade. Heeft de minister voldaan aan de samenwerkingsverplichting? 5. Eiseres betoogt dat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsverplichting. Daartoe voert eiseres aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten naar de door haar overgelegde originele aangifte en de daarbij behorende ontvangstbevestiging, terwijl dit wel mogelijk en noodzakelijk was. Daarbij voert eiseres aan dat het doen van een valse aangifte in Ecuador strafbaar is, zodat aan de overgelegde aangifte niet zonder meer voorbij kan worden gegaan. In dit verband wijst eiseres op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 april 2023. De minister had twijfels over de authenticiteit van de aangifte en de ontvangstbevestiging moeten verifiëren. Volgens eiseres strekt de samenwerkingsverplichting verder dan enkel een verwijzing naar een onderzoek van Bureau Documenten zonder aanvullend onderzoek. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsverplichting. Daarbij geldt dat het in beginsel aan eiseres is om haar asielrelaas aannemelijk te maken. De minister dient, gelet op artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen van het verzoek te beoordelen. Deze verplichting strekt echter niet zover dat de minister gehouden is zelfstandig en onbeperkt onderzoek te verrichten naar ieder overgelegd document. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de samenwerkingsverplichting in het geval van eiseres niet meebrengt dat hij de authenticiteit van de aangifte en/of de ontvangstbevestiging in het land van herkomst nader had moeten onderzoeken. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023 leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu in de zaak van eiseres sprake is van een aangifte die is gebaseerd op haar eigen verklaringen, waardoor de minister daar een beperkte bewijswaarde aan heeft mogen toekennen. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister de door eiseres overgelegde aangifte en ontvangstbevestiging ter beoordeling heeft voorgelegd aan Bureau Documenten, dat hierover een neutraal advies heeft uitgebracht. In dit verband heeft de minister eiseres mogen tegenwerpen dat zij niet nader heeft onderbouwd dat de conclusie van Bureau Documenten niet juist is. Tot slot heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat aan de genoemde stukken slechts beperkte bewijswaarde kan worden toegekend en dat deze documenten zijn betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister de verklaringen van eiseres over de problemen met Los Lobos ongeloofwaardig mogen achten? 6. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij ongeloofwaardig heeft verklaard over de problemen met de criminele bende Los Lobos. Daartoe voert eiseres aan dat haar verklaringen aansluiten bij de beschikbare landeninformatie over deze criminele bende en dat deze landeninformatie ten onrechte niet kenbaar bij de beoordeling is betrokken. Het feit dat de door eiseres overgelegde aangifte tegen de bende Los Lobos niet als vals is aangemerkt ondersteunt de geloofwaardigheid van haar verklaringen. Eventuele onduidelijkheden in haar verklaringen mogen haar niet worden tegengeworpen, nu de minister heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten naar de aangifte.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10680 text/xml public 2026-05-12T07:57:00 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL25.56112 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10680 text/html public 2026-05-12T07:56:37 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10680 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL25.56112 Asiel; Ecuador; samenwerkingsverplichting; problemen ongeloofwaardig; geen risico vervolging/ernstige schade; beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.56112 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres (gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.R. Stuart). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Zij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de asielaanvraag af te wijzen in stand kan blijven. De minister heeft voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsverplichting en heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiseres gestelde problemen met de bende Los Lobos niet geloofwaardig zijn. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Ecuador een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 18 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 november 2025 afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij uit Ecuador komt, dat zij de Ecuadoraanse nationaliteit bezit en tot de Mesties bevolkingsgroep behoort. Zij is uit Ecuador gevlucht omdat zij door haar ex-partner is mishandeld en bedreigd. Ook heeft eiseres ontdekt dat hij lid is van een criminele bende genaamd Los Lobos. Zij en haar zoon zouden vervolgens ook door leden van deze bende met de dood zijn bedreigd. Na de laatste bedreiging heeft eiseres haar ex-partner om toestemming/hulp gevraagd om met haar zoon het land te verlaten. Die toestemming heeft zij verkregen, waarna zij Ecuador is uitgereisd. Bij terugkeer vreest eiseres voor haar ex-partner en voor de leden van Los Lobos. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - bedreiging en mishandeling door de ex-partner en de daaruit voortvloeiende problemen met Los Lobos. 4.1. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Ook de mishandeling en bedreiging door de ex-partner wordt geloofwaardig geacht. De problemen met Los Lobos acht de minister echter niet geloofwaardig. Eiseres heeft haar verklaringen niet onderbouwd met documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarnaast vormen de verklaringen van eiseres over de problemen met Los Lobos geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres met haar verklaringen niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zij persoonlijk doelwit zou zijn van de bendeleden. Daarnaast heeft zij ongerijmd verklaard over de reden van de bedreigingen en komen haar verklaringen tijdens het nader gehoor niet overeen met de inhoud van haar aangifte en zijn de problemen niet te herleiden tot Los Lobos. Ook bieden de door eiseres overgelegde documenten volgens de minister onvoldoende onderbouwing voor haar stelling dat Los Lobos naar haar opzoek zijn. Verder rijmen de gestelde handelingen van Los Lobos en de verklaringen van eiseres volgens de minister niet met elkaar. Tot slot heeft eiseres bij terugkeer naar Ecuador geen gegronde vrees voor vervolging en loopt zij geen reëel risico op ernstige schade. Heeft de minister voldaan aan de samenwerkingsverplichting? 5. Eiseres betoogt dat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsverplichting. Daartoe voert eiseres aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten naar de door haar overgelegde originele aangifte en de daarbij behorende ontvangstbevestiging, terwijl dit wel mogelijk en noodzakelijk was. Daarbij voert eiseres aan dat het doen van een valse aangifte in Ecuador strafbaar is, zodat aan de overgelegde aangifte niet zonder meer voorbij kan worden gegaan. In dit verband wijst eiseres op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 april 2023. De minister had twijfels over de authenticiteit van de aangifte en de ontvangstbevestiging moeten verifiëren. Volgens eiseres strekt de samenwerkingsverplichting verder dan enkel een verwijzing naar een onderzoek van Bureau Documenten zonder aanvullend onderzoek. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsverplichting. Daarbij geldt dat het in beginsel aan eiseres is om haar asielrelaas aannemelijk te maken. De minister dient, gelet op artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen van het verzoek te beoordelen. Deze verplichting strekt echter niet zover dat de minister gehouden is zelfstandig en onbeperkt onderzoek te verrichten naar ieder overgelegd document. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de samenwerkingsverplichting in het geval van eiseres niet meebrengt dat hij de authenticiteit van de aangifte en/of de ontvangstbevestiging in het land van herkomst nader had moeten onderzoeken. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023 leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu in de zaak van eiseres sprake is van een aangifte die is gebaseerd op haar eigen verklaringen, waardoor de minister daar een beperkte bewijswaarde aan heeft mogen toekennen. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister de door eiseres overgelegde aangifte en ontvangstbevestiging ter beoordeling heeft voorgelegd aan Bureau Documenten, dat hierover een neutraal advies heeft uitgebracht. In dit verband heeft de minister eiseres mogen tegenwerpen dat zij niet nader heeft onderbouwd dat de conclusie van Bureau Documenten niet juist is. Tot slot heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat aan de genoemde stukken slechts beperkte bewijswaarde kan worden toegekend en dat deze documenten zijn betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister de verklaringen van eiseres over de problemen met Los Lobos ongeloofwaardig mogen achten? 6. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij ongeloofwaardig heeft verklaard over de problemen met de criminele bende Los Lobos. Daartoe voert eiseres aan dat haar verklaringen aansluiten bij de beschikbare landeninformatie over deze criminele bende en dat deze landeninformatie ten onrechte niet kenbaar bij de beoordeling is betrokken. Het feit dat de door eiseres overgelegde aangifte tegen de bende Los Lobos niet als vals is aangemerkt ondersteunt de geloofwaardigheid van haar verklaringen. Eventuele onduidelijkheden in haar verklaringen mogen haar niet worden tegengeworpen, nu de minister heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten naar de aangifte.
Volledig
Daarnaast heeft eiseres consistent verklaard over de wolf-tatoeage doordat zij hier meerdere malen over heeft verklaard. Tot slot heeft eiseres ook een brief van haar vader overgelegd, waarin hij heeft verklaard dat Los Lobos hem heeft benaderd met de vraag waar eiseres zich bevond en dat hij hierover een klacht heeft willen indienen bij de autoriteiten, maar dat zij hebben geweigerd deze in behandeling te nemen. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ongeloofwaardig heeft verklaard over de gestelde problemen met de bende Los Lobos. De minister heeft hieraan ten grondslag mogen leggen dat eiseres geen objectieve en verifieerbare documenten heeft overgelegd die de door haar gestelde problemen volledig onderbouwen. Zoals de rechtbank reeds onder 5.1. heeft geoordeeld is de door eiseres overgelegde aangifte gebaseerd op haar eigen verklaringen en vormt de aangifte geen zelfstandig objectief bewijs van de gestelde problemen. Hetzelfde geldt voor de brief van haar vader, waarin hij onder andere heeft verklaard dat hij de leden van de bende herkende aan de tatoeage van de wolf. De minister heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan deze documenten slechts beperkte bewijskracht toekomt. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zij persoonlijk doelwit van Los Lobos zou zijn. Zo heeft zij wisselend verklaard over de aard en achtergrond van de bedreigingen en waarom zij in de belangstelling zou zijn komen te staan. Niet is gebleken waarom de kennis die eiseres bezit, zo belangrijk is dat zij daarom wordt bedreigd. De minister heeft ook van belang mogen achten dat haar ouders en zussen, hoewel zij op de hoogte waren van het lidmaatschap van haar ex-partner, geen problemen met Los Lobos hebben ondervonden. De rechtbank oordeelt dat de minister eiseres ook heeft mogen tegenwerpen dat zij ongerijmd heeft verklaard over de reden van de bedreigingen. In de aangifte wordt vermeld dat zij is bedreigd omdat zij geld moest betalen, dit komt overeen met wat er staat op pagina 8 van het nader gehoor, terwijl eiseres vervolgens op pagina 22 van het nader gehoor heeft verklaard dat deze bedreiging verband hield met het voorkomen dat zij informatie over de bende zou doorgeven. Dat deze reden volgens eiseres onjuist in de aangifte is opgenomen, komt naar het oordeel van de rechtbank voor haar rekening en risico. Ook heeft de minister mogen meewegen dat eiseres heeft verklaard dat zij nog jarenlang in de buurt van haar woonplaats heeft verbleven, waar Los Lobos actief was en dat zij slechts éénmaal vóór haar vertrek door Los Lobos is benaderd, terwijl de problemen volgens haar al in 2022 zouden zijn begonnen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres ongeloofwaardig heeft verklaard over de problemen met Los Lobos en dat de gestelde incidenten niet tot deze bende te herleiden zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade? 7. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij bij terugkeer naar Ecuador geen gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. Zij voert aan dat zij slachtoffer is geweest van huiselijk geweld en dat zij vreest voor de bende Los Lobos. Vanwege het ondervonden huiselijk geweld behoort zij tot een sociale groep in de zin van paragraaf C2/3.2.5.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Zij verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof van Justitie van 16 januari 2024. Tot slot voert eiseres aan dat de minister ten onrechte voorbij is gegaan aan haar verwijzing naar de Afdelingsuitspraken van 7 december 2018 en 24 juni 2025. 7.1. De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat het bestaan van een sociale groep slechts relevant is als leden van die groep daarom een risico op vervolging lopen. Uit de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat een persoon tot een sociale groep behoort als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moeten de leden van de groep een gemeenschappelijk, onveranderlijk kenmerk delen, zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof heeft geoordeeld dat het feit dat iemand een vrouw is, een dergelijk kenmerk vormt. Ten tweede moet de groep in het land van herkomst een eigen identiteit hebben, omdat zij daar als afwijkend wordt beschouwd. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als vrouw een gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat vrouwen in het huidige beleid niet per definitie zijn aangemerkt als sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag wanneer sprake is van huiselijk geweld. In het bestreden besluit heeft de minister op pagina 10 en 11 voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiseres in Ecuador een beschermingsdocument heeft gekregen en bescherming kan inroepen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Ecuador door het zijn van een vrouw geen effectieve bescherming kan krijgen. Daarom heeft de minister niet ten onrechte geoordeeld dat eiseres niet op die grond aanspraak maakt op verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. 7.2. Daarnaast heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Ecuador een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade door haar ex-partner en/of door Los Lobos. De rechtbank heeft onder 6.1. reeds geoordeeld dat de minister de verklaringen van eiseres over de problemen met Los Lobos niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn onvoldoende zwaarwegend om wel een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Eiseres heeft de door haar gestelde vrees voor haar ex-partner onvoldoende aannemelijk gemaakt. In dit verband heeft de minister eiseres mogen tegenwerpen dat het persoonlijk contact dat zij heeft gehad met de ex-partner niet strookt met de door haar gestelde vrees en dat de bedreigingen niet hebben geleid tot fysiek geweld. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister het ook ongerijmd heeft mogen achten dat eiseres zelf contact heeft opgenomen met haar ex-partner voor het aanvragen van een paspoort voor hun minderjarig kind. Dat dit volgens eiseres noodzakelijk was om Ecuador te ontvluchten leidt niet tot een ander oordeel. Bovendien heeft eiseres haar stelling, dat haar ex-partner haar niet met rust zal laten, niet onderbouwd. Tot slot volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat de minister ten onrechte voorbij is gegaan aan de door haar aangehaalde Afdelingsuitspraken van 7 december 2018 en 24 juni 2025. De minister heeft in het besluit voldoende gemotiveerd dat eiseres eerder ook bescherming heeft kunnen krijgen in Ecuador en dat dit nu niet aannemelijk anders is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres bij terugkeer naar Ecuador geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
Volledig
Daarnaast heeft eiseres consistent verklaard over de wolf-tatoeage doordat zij hier meerdere malen over heeft verklaard. Tot slot heeft eiseres ook een brief van haar vader overgelegd, waarin hij heeft verklaard dat Los Lobos hem heeft benaderd met de vraag waar eiseres zich bevond en dat hij hierover een klacht heeft willen indienen bij de autoriteiten, maar dat zij hebben geweigerd deze in behandeling te nemen. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ongeloofwaardig heeft verklaard over de gestelde problemen met de bende Los Lobos. De minister heeft hieraan ten grondslag mogen leggen dat eiseres geen objectieve en verifieerbare documenten heeft overgelegd die de door haar gestelde problemen volledig onderbouwen. Zoals de rechtbank reeds onder 5.1. heeft geoordeeld is de door eiseres overgelegde aangifte gebaseerd op haar eigen verklaringen en vormt de aangifte geen zelfstandig objectief bewijs van de gestelde problemen. Hetzelfde geldt voor de brief van haar vader, waarin hij onder andere heeft verklaard dat hij de leden van de bende herkende aan de tatoeage van de wolf. De minister heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan deze documenten slechts beperkte bewijskracht toekomt. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zij persoonlijk doelwit van Los Lobos zou zijn. Zo heeft zij wisselend verklaard over de aard en achtergrond van de bedreigingen en waarom zij in de belangstelling zou zijn komen te staan. Niet is gebleken waarom de kennis die eiseres bezit, zo belangrijk is dat zij daarom wordt bedreigd. De minister heeft ook van belang mogen achten dat haar ouders en zussen, hoewel zij op de hoogte waren van het lidmaatschap van haar ex-partner, geen problemen met Los Lobos hebben ondervonden. De rechtbank oordeelt dat de minister eiseres ook heeft mogen tegenwerpen dat zij ongerijmd heeft verklaard over de reden van de bedreigingen. In de aangifte wordt vermeld dat zij is bedreigd omdat zij geld moest betalen, dit komt overeen met wat er staat op pagina 8 van het nader gehoor, terwijl eiseres vervolgens op pagina 22 van het nader gehoor heeft verklaard dat deze bedreiging verband hield met het voorkomen dat zij informatie over de bende zou doorgeven. Dat deze reden volgens eiseres onjuist in de aangifte is opgenomen, komt naar het oordeel van de rechtbank voor haar rekening en risico. Ook heeft de minister mogen meewegen dat eiseres heeft verklaard dat zij nog jarenlang in de buurt van haar woonplaats heeft verbleven, waar Los Lobos actief was en dat zij slechts éénmaal vóór haar vertrek door Los Lobos is benaderd, terwijl de problemen volgens haar al in 2022 zouden zijn begonnen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres ongeloofwaardig heeft verklaard over de problemen met Los Lobos en dat de gestelde incidenten niet tot deze bende te herleiden zijn. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade? 7. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij bij terugkeer naar Ecuador geen gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. Zij voert aan dat zij slachtoffer is geweest van huiselijk geweld en dat zij vreest voor de bende Los Lobos. Vanwege het ondervonden huiselijk geweld behoort zij tot een sociale groep in de zin van paragraaf C2/3.2.5.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Zij verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof van Justitie van 16 januari 2024. Tot slot voert eiseres aan dat de minister ten onrechte voorbij is gegaan aan haar verwijzing naar de Afdelingsuitspraken van 7 december 2018 en 24 juni 2025. 7.1. De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat het bestaan van een sociale groep slechts relevant is als leden van die groep daarom een risico op vervolging lopen. Uit de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat een persoon tot een sociale groep behoort als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moeten de leden van de groep een gemeenschappelijk, onveranderlijk kenmerk delen, zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof heeft geoordeeld dat het feit dat iemand een vrouw is, een dergelijk kenmerk vormt. Ten tweede moet de groep in het land van herkomst een eigen identiteit hebben, omdat zij daar als afwijkend wordt beschouwd. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als vrouw een gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat vrouwen in het huidige beleid niet per definitie zijn aangemerkt als sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag wanneer sprake is van huiselijk geweld. In het bestreden besluit heeft de minister op pagina 10 en 11 voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiseres in Ecuador een beschermingsdocument heeft gekregen en bescherming kan inroepen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Ecuador door het zijn van een vrouw geen effectieve bescherming kan krijgen. Daarom heeft de minister niet ten onrechte geoordeeld dat eiseres niet op die grond aanspraak maakt op verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. 7.2. Daarnaast heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Ecuador een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade door haar ex-partner en/of door Los Lobos. De rechtbank heeft onder 6.1. reeds geoordeeld dat de minister de verklaringen van eiseres over de problemen met Los Lobos niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn onvoldoende zwaarwegend om wel een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Eiseres heeft de door haar gestelde vrees voor haar ex-partner onvoldoende aannemelijk gemaakt. In dit verband heeft de minister eiseres mogen tegenwerpen dat het persoonlijk contact dat zij heeft gehad met de ex-partner niet strookt met de door haar gestelde vrees en dat de bedreigingen niet hebben geleid tot fysiek geweld. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister het ook ongerijmd heeft mogen achten dat eiseres zelf contact heeft opgenomen met haar ex-partner voor het aanvragen van een paspoort voor hun minderjarig kind. Dat dit volgens eiseres noodzakelijk was om Ecuador te ontvluchten leidt niet tot een ander oordeel. Bovendien heeft eiseres haar stelling, dat haar ex-partner haar niet met rust zal laten, niet onderbouwd. Tot slot volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat de minister ten onrechte voorbij is gegaan aan de door haar aangehaalde Afdelingsuitspraken van 7 december 2018 en 24 juni 2025. De minister heeft in het besluit voldoende gemotiveerd dat eiseres eerder ook bescherming heeft kunnen krijgen in Ecuador en dat dit nu niet aannemelijk anders is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres bij terugkeer naar Ecuador geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.