Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2026:10460
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
16,208 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10460 text/xml public 2026-05-18T15:40:18 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-30 11971934 RL EXPL 25-21704 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10460 text/html public 2026-05-18T15:39:14 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10460 Rechtbank Den Haag , 30-04-2026 / 11971934 RL EXPL 25-21704 Werknemer maakt aanspraak op vakantiebijslag. Mislopen van vakantiebijslag is niet het gevolg van schending van de informatieplicht. Arbeidsovereenkomst verplicht niet tot afzonderlijke betaling van vakantiebijslag. WML verplicht daar wel toe en partijen zijn niet afgeweken van wat de WML zegt. Vordering is deels verjaard. Beroep op klachtplicht slaagt niet. Wettelijke verhoging wordt gematigd. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Den Haag PV/cd Zaak-/rolnr.: 11971934 RL EXPL 25-21704 30 april 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiseres] , wonende te [woonplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiseres], gemachtigde: mr. R. Thielen, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon naar Spaans recht Het Koninkrijk Spanje, meer bijzonder het Ministerie van Economie, Handel en Bedrijfsleven, meer bijzonder de Spaanse Afdeling voor Economie en Handel te Den Haag, zetelend te Madrid (Spanje), gedaagde partij, hierna te noemen: de Spaanse Staat, gemachtigden: mrs. E.M.G.F. Spijkerman en L.C. Varkevisser. 1 Procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: - de dagvaarding van 30 juni 2025 met producties 1 tot en met 9; - de conclusie van antwoord met een productie; - de akte houdende eiswijziging en -vermeerdering, overlegging nadere producties en informeren over aanwezigheid tolk van [eiseres] met producties 10 tot en met 12; - de akte houdende overlegging nadere producties van [eiseres] met producties 13 tot en met 16; - de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 10 maart 2026 en de tijdens die zitting namens partijen overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen. 2 Feiten 2.1. [eiseres] heeft van 16 juni 2016 tot 1 november 2019 gewerkt als [functienaam] bij de Spaanse afdeling voor Economie en Handel in Den Haag (hierna: ECO NL). 2.2. Het hoofd van ECO NL en leidinggevende van [eiseres], de heer [naam], heeft op 29 september 2020 een e-mail gestuurd aan een HR-medewerker, met (het e-mailadres van) B.O. Ofcomes La Haya in de cc. [naam] heeft in die e-mail onder meer geschreven dat de medewerkers van ECO NL geen vakantiebijslag ontvangen en dat dit een punt van zorg is onder de medewerkers. 2.3. [eiseres] is op 1 november 2020 opnieuw bij ECO NL in dezelfde functie in dienst getreden. In artikel 3 van de arbeidsovereenkomst voor dit dienstverband staat: “ La trabajadora tendrá una retribución anual bruta de 38.854 Euros (13 pagas), por todos los conceptos, incluidas pagas extraordinarias. (…)”. In artikel 9 van de arbeidsovereenkomst is een forumkeuze voor de Nederlandse rechter opgenomen. 2.4. Voorafgaand aan deze arbeidsovereenkomst heeft ECO NL aan [eiseres] een document verstrekt met de voorwaarden voor de aanstelling als [functienaam]. In bijlage 1 bij dit document staat: “La retribución bruta anual comprenderá todos los conceptos, incluidos, en su caso, las pagas extraordinarias y/o los específicos contemplados en la normativa local: 38.854 euros.” . 2.5. Het bruto maandsalaris van [eiseres] bedroeg laatstelijk € 3.201,64 exclusief een dertiende maand. [eiseres] ontving maandelijks een salarisspecificatie van ECO NL. 2.6. [eiseres] en haar collega’s hebben de Spaanse Staat bij brief van 24 mei 2022 bericht dat de vakantiebijslag geen onderdeel uitmaakt van het brutosalaris en verzocht om naleving van de Nederlandse wet op dit punt. 2.7. De voormalig gemachtigde van [eiseres] heeft de Spaanse Staat bij brief van 13 juni 2024 opnieuw gewezen op het feit dat geen vakantiebijslag wordt uitbetaald. Daarbij heeft hij verzocht om binnen een maand alsnog, met terugwerkende kracht, de aan [eiseres] verschuldigde bedragen te voldoen, volgens hem neerkomend op ongeveer € 2.906,- per jaar, vanaf het begin van de arbeidsrelatie. Bij brief van 26 november 2024 heeft de voormalig gemachtigde van [eiseres] deze aanspraak herhaald en geschreven dat misschien sprake is van een na te betalen bedrag aan vakantiebijslag van € 11.829,-. 2.8. [naam] heeft op 5 februari 2025 een e-mail van de HR-afdeling van het Instituto Español de Comercio Exterior (ICEX) rondgestuurd. Medewerkers van ICEX werken op dezelfde locatie in Den Haag als die van ECO NL en hebben jegens de Spaanse Staat eveneens aanspraak gemaakt op betaling van vakantiebijslag. In de rondgestuurde e-mail heeft de HR-afdeling van ICEX aangegeven dat, naar aanleiding van een door de ambassadeur ondertekend certificaat, de uitbetaling van vakantiebijslag zal worden verwerkt. In zijn begeleidende e-mail heeft [naam] geschreven dat hij verwacht dat ECO NL hetzelfde zal doen. 2.9. De huidige gemachtigde van [eiseres] heeft de Spaanse Staat bij brief van 4 april 2025 wederom erop gewezen dat nimmer vakantiebijslag is uitbetaald en verzocht om zowel over de periode van 16 juni 2016 tot 1 november 2019 als over de periode van 1 november 2020 tot 1 juli 2024 tot betaling van vakantiebijslag over te gaan. 2.10. [eiseres] is per 1 juli 2025 uit dienst getreden. 2.11. De Spaanse Staat heeft in augustus 2025 € 1.601,59 bruto aan salaris aan [eiseres] (na)betaald. 3 Geschil 3.1. [eiseres] vordert – na eiswijziging – om de Spaanse Staat te veroordelen tot (verkort en anders weergegeven): A. betaling van € 23.857,63 bruto, € 11.928,82 bruto en € 875,-, laatstgenoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025, en € 3.833,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2026; verstrekking van een deugdelijke specificatie van de (na)betaling van eerstgenoemd bedrag binnen een week na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom; de kosten van de procedure, waaronder de kosten voor de aanwezigheid van de tolk bij de mondelinge behandeling. 3.2. [eiseres] legt aan haar vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) bestaat recht op een vakantiebijslag van ten minste 8% van het maandsalaris, die jaarlijks in juni moet worden uitbetaald. In de arbeidsovereenkomst is het recht op en het moment van uitbetaling van de vakantiebijslag niet vermeld en ook op de loonstroken is deze niet gespecificeerd. Daarmee heeft de Spaanse Staat gehandeld in strijd met zijn wettelijke informatieplicht en is hij schadeplichtig. Subsidiair is de Spaanse Staat gehouden om de arbeidsovereenkomst na te komen. Het bedrag aan achterstallige vakantiebijslag over beide dienstverbanden bedraagt in totaal € 23.857,63 bruto. Nu de Spaanse Staat heeft nagelaten tijdig te betalen, is hij tevens de wettelijke verhoging en de wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke verhoging bedraagt in totaal € 11.928,82 bruto en de wettelijke rente tot en met 22 januari 2026 in totaal € 3.833,73. Daarnaast is voor een bedrag van € 875,- aan buitengerechtelijke kosten gemaakt om buiten rechte betaling te verkrijgen. De kosten voor bijstand door de tolk ter zitting dienen als vermogensschade door de Spaanse Staat te worden vergoed. 3.3. De Spaanse Staat concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. De Spaanse Staat stelt dat [eiseres] gedurende haar dienstverbanden het overeengekomen loon heeft ontvangen, waarin de vakantiebijslag al was verdisconteerd. Voor het geval [eiseres] toch afzonderlijk recht zou hebben op vakantiebijslag, stelt de Spaanse Staat dat de vordering is verjaard voor de periode van 16 juni 2016 tot 1 november 2019. De vordering over deze periode werd op 1 november 2019 opeisbaar en toen is de verjaringstermijn gaan lopen. Deze termijn eindigde op 1 november 2024, ruim voor de dagvaarding, waardoor de vordering over deze periode verjaard is.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10460 text/xml public 2026-05-18T15:40:18 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-30 11971934 RL EXPL 25-21704 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10460 text/html public 2026-05-18T15:39:14 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10460 Rechtbank Den Haag , 30-04-2026 / 11971934 RL EXPL 25-21704 Werknemer maakt aanspraak op vakantiebijslag. Mislopen van vakantiebijslag is niet het gevolg van schending van de informatieplicht. Arbeidsovereenkomst verplicht niet tot afzonderlijke betaling van vakantiebijslag. WML verplicht daar wel toe en partijen zijn niet afgeweken van wat de WML zegt. Vordering is deels verjaard. Beroep op klachtplicht slaagt niet. Wettelijke verhoging wordt gematigd. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Den Haag PV/cd Zaak-/rolnr.: 11971934 RL EXPL 25-21704 30 april 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiseres] , wonende te [woonplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiseres], gemachtigde: mr. R. Thielen, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon naar Spaans recht Het Koninkrijk Spanje, meer bijzonder het Ministerie van Economie, Handel en Bedrijfsleven, meer bijzonder de Spaanse Afdeling voor Economie en Handel te Den Haag, zetelend te Madrid (Spanje), gedaagde partij, hierna te noemen: de Spaanse Staat, gemachtigden: mrs. E.M.G.F. Spijkerman en L.C. Varkevisser. 1 Procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: - de dagvaarding van 30 juni 2025 met producties 1 tot en met 9; - de conclusie van antwoord met een productie; - de akte houdende eiswijziging en -vermeerdering, overlegging nadere producties en informeren over aanwezigheid tolk van [eiseres] met producties 10 tot en met 12; - de akte houdende overlegging nadere producties van [eiseres] met producties 13 tot en met 16; - de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 10 maart 2026 en de tijdens die zitting namens partijen overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen. 2 Feiten 2.1. [eiseres] heeft van 16 juni 2016 tot 1 november 2019 gewerkt als [functienaam] bij de Spaanse afdeling voor Economie en Handel in Den Haag (hierna: ECO NL). 2.2. Het hoofd van ECO NL en leidinggevende van [eiseres], de heer [naam], heeft op 29 september 2020 een e-mail gestuurd aan een HR-medewerker, met (het e-mailadres van) B.O. Ofcomes La Haya in de cc. [naam] heeft in die e-mail onder meer geschreven dat de medewerkers van ECO NL geen vakantiebijslag ontvangen en dat dit een punt van zorg is onder de medewerkers. 2.3. [eiseres] is op 1 november 2020 opnieuw bij ECO NL in dezelfde functie in dienst getreden. In artikel 3 van de arbeidsovereenkomst voor dit dienstverband staat: “ La trabajadora tendrá una retribución anual bruta de 38.854 Euros (13 pagas), por todos los conceptos, incluidas pagas extraordinarias. (…)”. In artikel 9 van de arbeidsovereenkomst is een forumkeuze voor de Nederlandse rechter opgenomen. 2.4. Voorafgaand aan deze arbeidsovereenkomst heeft ECO NL aan [eiseres] een document verstrekt met de voorwaarden voor de aanstelling als [functienaam]. In bijlage 1 bij dit document staat: “La retribución bruta anual comprenderá todos los conceptos, incluidos, en su caso, las pagas extraordinarias y/o los específicos contemplados en la normativa local: 38.854 euros.” . 2.5. Het bruto maandsalaris van [eiseres] bedroeg laatstelijk € 3.201,64 exclusief een dertiende maand. [eiseres] ontving maandelijks een salarisspecificatie van ECO NL. 2.6. [eiseres] en haar collega’s hebben de Spaanse Staat bij brief van 24 mei 2022 bericht dat de vakantiebijslag geen onderdeel uitmaakt van het brutosalaris en verzocht om naleving van de Nederlandse wet op dit punt. 2.7. De voormalig gemachtigde van [eiseres] heeft de Spaanse Staat bij brief van 13 juni 2024 opnieuw gewezen op het feit dat geen vakantiebijslag wordt uitbetaald. Daarbij heeft hij verzocht om binnen een maand alsnog, met terugwerkende kracht, de aan [eiseres] verschuldigde bedragen te voldoen, volgens hem neerkomend op ongeveer € 2.906,- per jaar, vanaf het begin van de arbeidsrelatie. Bij brief van 26 november 2024 heeft de voormalig gemachtigde van [eiseres] deze aanspraak herhaald en geschreven dat misschien sprake is van een na te betalen bedrag aan vakantiebijslag van € 11.829,-. 2.8. [naam] heeft op 5 februari 2025 een e-mail van de HR-afdeling van het Instituto Español de Comercio Exterior (ICEX) rondgestuurd. Medewerkers van ICEX werken op dezelfde locatie in Den Haag als die van ECO NL en hebben jegens de Spaanse Staat eveneens aanspraak gemaakt op betaling van vakantiebijslag. In de rondgestuurde e-mail heeft de HR-afdeling van ICEX aangegeven dat, naar aanleiding van een door de ambassadeur ondertekend certificaat, de uitbetaling van vakantiebijslag zal worden verwerkt. In zijn begeleidende e-mail heeft [naam] geschreven dat hij verwacht dat ECO NL hetzelfde zal doen. 2.9. De huidige gemachtigde van [eiseres] heeft de Spaanse Staat bij brief van 4 april 2025 wederom erop gewezen dat nimmer vakantiebijslag is uitbetaald en verzocht om zowel over de periode van 16 juni 2016 tot 1 november 2019 als over de periode van 1 november 2020 tot 1 juli 2024 tot betaling van vakantiebijslag over te gaan. 2.10. [eiseres] is per 1 juli 2025 uit dienst getreden. 2.11. De Spaanse Staat heeft in augustus 2025 € 1.601,59 bruto aan salaris aan [eiseres] (na)betaald. 3 Geschil 3.1. [eiseres] vordert – na eiswijziging – om de Spaanse Staat te veroordelen tot (verkort en anders weergegeven): A. betaling van € 23.857,63 bruto, € 11.928,82 bruto en € 875,-, laatstgenoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025, en € 3.833,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2026; verstrekking van een deugdelijke specificatie van de (na)betaling van eerstgenoemd bedrag binnen een week na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom; de kosten van de procedure, waaronder de kosten voor de aanwezigheid van de tolk bij de mondelinge behandeling. 3.2. [eiseres] legt aan haar vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) bestaat recht op een vakantiebijslag van ten minste 8% van het maandsalaris, die jaarlijks in juni moet worden uitbetaald. In de arbeidsovereenkomst is het recht op en het moment van uitbetaling van de vakantiebijslag niet vermeld en ook op de loonstroken is deze niet gespecificeerd. Daarmee heeft de Spaanse Staat gehandeld in strijd met zijn wettelijke informatieplicht en is hij schadeplichtig. Subsidiair is de Spaanse Staat gehouden om de arbeidsovereenkomst na te komen. Het bedrag aan achterstallige vakantiebijslag over beide dienstverbanden bedraagt in totaal € 23.857,63 bruto. Nu de Spaanse Staat heeft nagelaten tijdig te betalen, is hij tevens de wettelijke verhoging en de wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke verhoging bedraagt in totaal € 11.928,82 bruto en de wettelijke rente tot en met 22 januari 2026 in totaal € 3.833,73. Daarnaast is voor een bedrag van € 875,- aan buitengerechtelijke kosten gemaakt om buiten rechte betaling te verkrijgen. De kosten voor bijstand door de tolk ter zitting dienen als vermogensschade door de Spaanse Staat te worden vergoed. 3.3. De Spaanse Staat concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. De Spaanse Staat stelt dat [eiseres] gedurende haar dienstverbanden het overeengekomen loon heeft ontvangen, waarin de vakantiebijslag al was verdisconteerd. Voor het geval [eiseres] toch afzonderlijk recht zou hebben op vakantiebijslag, stelt de Spaanse Staat dat de vordering is verjaard voor de periode van 16 juni 2016 tot 1 november 2019. De vordering over deze periode werd op 1 november 2019 opeisbaar en toen is de verjaringstermijn gaan lopen. Deze termijn eindigde op 1 november 2024, ruim voor de dagvaarding, waardoor de vordering over deze periode verjaard is.
Volledig
Daarnaast voert de Spaanse Staat aan dat [eiseres] haar klachtplicht heeft geschonden door pas in 2024 voor het eerst individueel te klagen over het niet ontvangen van vakantiebijslag, terwijl zij hier al eerder van afwist. Door interne veranderingen sinds 2016 en de betrokkenheid van meerdere instanties wordt een reconstructie van de aanspraken bemoeilijkt. De Spaanse Staat verzoekt voorts om geen dwangsom op te leggen en de wettelijke verhoging op nihil te stellen of sterk te matigen. De niet-betaling komt volgens hem namelijk voort uit een achteraf gebleken onjuiste contractsuitleg en niet uit betalingsonwil. Bovendien zou dit neerkomen op een extra punitieve last op de publieke middelen. Tot slot betwist de Spaanse Staat dat hij de buitengerechtelijke incassokosten en tolkkosten moet vergoeden. 4 Beoordeling Nederlandse rechter is bevoegd 4.1. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (Brussel I-bis) bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen, omdat [eiseres] als werknemer haar werkzaamheden gewoonlijk in Nederland heeft verricht. Bovendien voorziet ook het forumkeuzebeding in de arbeidsovereenkomst in de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Nederlands recht is van toepassing 4.2. Het Nederlandse recht is op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (Rome I) op de arbeidsovereenkomst van toepassing. De arbeid werd immers gewoonlijk in Nederland verricht. Verder zijn er geen omstandigheden gesteld of gebleken die wijzen op een kennelijk nauwere band van de arbeidsovereenkomst met een ander land. Mislopen van vakantiebijslag is niet het gevolg van schending van de informatieplicht 4.3. Artikel 7:655 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ziet op de informatieplicht van de werkgever bij de start van de arbeidsovereenkomst. Dit artikel bevat een overzicht van de gegevens die de werkgever aan de werknemer moet verstrekken. Zo is de werkgever in ieder geval verplicht om informatie te geven over het loon en de afzonderlijke bestanddelen daarvan (lid 1 sub h). De looninformatie moet binnen een week na aanvang van de werkzaamheden worden verstrekt (lid 3), tenzij deze al is opgenomen in de schriftelijke arbeidsovereenkomst (lid 2). Voor 1 augustus 2022 gold hiervoor nog een termijn van een maand. Indien de werkgever de werknemer onjuist of onvolledig informeert, is hij aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade (lid 4). 4.4. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] haar schade, die zij stelt te lijden door de schending van de informatieplicht door de Spaanse Staat met betrekking tot de vakantiebijslag, begroot op het bedrag aan vakantiebijslag waarop zij op grond van de WML recht zou hebben gehad over haar dienstverbanden bij de Spaanse Staat. Voor toewijzing van deze vordering biedt artikel 7:655 lid 4 BW echter geen grondslag. Deze bepaling strekt ertoe de werknemer te beschermen tegen schade die het gevolg is van het niet, onjuist of onvolledig verstrekken van de in dat artikel bedoelde informatie. Vereist is derhalve dat sprake is van causaal verband tussen de schending van de informatieplicht en de gestelde schade. Van een dergelijk causaal verband is in dit geval geen sprake. Het door [eiseres] gestelde nadeel – het niet ontvangen van vakantiebijslag – vloeit niet voort uit het ontbreken van informatie over het recht op vakantiebijslag of het moment van uitbetaling daarvan in de arbeidsovereenkomst, noch uit het ontbreken van een specificatie op de loonstroken, maar veeleer uit het uitblijven van betaling daarvan. Gelet hierop ontbreekt het vereiste causaal verband tussen de gestelde schending van artikel 7:655 BW en de door [eiseres] gestelde schade. Reeds om die reden kan het gevorderde bedrag op deze grond niet worden toegewezen. Arbeidsovereenkomst verplicht niet afzonderlijk betaling van vakantiebijslag 4.5. Een rechtsplicht moet worden nagekomen. Daarom bepaalt artikel 3:296 lid 1 BW dat degene die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, op vordering van die ander door de rechter tot nakoming kan worden veroordeeld. 4.6. [eiseres] baseert haar vordering ter zake de vakantiebijslag subsidiair op nakoming van de arbeidsovereenkomst. Ook op deze grond kan de vordering echter niet worden toegewezen. De door [eiseres] overgelegde arbeidsovereenkomst bevat immers geen afzonderlijke verbintenis voor de Spaanse Staat tot betaling van vakantiebijslag, hetgeen [eiseres] zelf eveneens onderkent. Daar komt bij dat niet weersproken is dat de Spaanse Staat met de maandelijks uitbetaalde bedragen steeds het overeengekomen jaarsalaris volledig heeft voldaan, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de Spaanse Staat aan haar betalingsverplichtingen uit de arbeidsovereenkomst heeft voldaan. WML verplicht daar wel toe en partijen zijn niet afgeweken van wat de wet zegt 4.7. Feitelijk strekt de vordering van [eiseres] tot nakoming van de uit de WML voortvloeiende verplichting voor de werkgever om vakantiebijslag te betalen. Hoewel [eiseres] haar vordering niet (uitdrukkelijk) op deze wettelijke grondslag heeft gebaseerd, volgt uit de stellingen die zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat zij aanspraak maakt op betaling van vakantiebijslag waarop zij meent recht te hebben uit hoofde van de WML. Gelet hierop bestaat aanleiding om de vordering mede te beoordelen als een vordering tot nakoming van de uit de WML voortvloeiende verplichting tot betaling van vakantiebijslag. 4.8. Artikel 15 WML bepaalt dat de werknemer jegens de werkgever recht heeft op een vakantiebijslag van ten minste 8% van het loon. Op grond van artikel 17 lid 1 WML geldt als hoofdregel dat deze vakantiebijslag in de maand juni wordt uitbetaald. Van deze hoofdregel kan bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken (lid 2). Partijen kunnen bijvoorbeeld afspreken dat de vakantiebijslag maandelijks wordt uitbetaald, bijvoorbeeld in de vorm van een all-in loon. Voorwaarde is daarbij wel dat de maandelijkse betaling ten minste 108% van het minimumloon bedraagt. Bij het einde van de dienstbetrekking moet de werkgever het bedrag aan vakantiebijslag uitbetalen waarop de werknemer op dat moment recht heeft opgebouwd (lid 3). 4.9. Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] recht heeft op vakantiebijslag. Het geschil richt op de vraag of deze vakantiebijslag al is inbegrepen in het overeengekomen en maandelijks uitbetaalde loon, dus ‘all-in’ was, of dat de uitbetaalde bedragen nog verhoogd moeten worden met 8% en alsnog aanvullend moet worden betaald. Bij de beoordeling van deze vraag wordt ervan uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst die ten grondslag ligt aan het eerste dienstverband van [eiseres] bij de Spaanse Staat, die niet is overgelegd, een vergelijkbare bepaling bevatte als artikel 3 van de arbeidsovereenkomst voor het tweede dienstverband. 4.10. De Spaanse Staat stelt zich op het standpunt dat gebruik is gemaakt van de uitzondering in lid 2 van artikel 17 WML door in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst af te spreken dat de vakantiebijslag (net als andere looncomponenten) onderdeel is van het overeengekomen jaarsalaris en maandelijks wordt uitbetaald. De kantonrechter volgt het standpunt van de Spaanse Staat niet. 4.11. Zoals hiervoor is overwogen, is in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst een bruto jaarsalaris overeengekomen dat in dertien termijnen wordt uitbetaald, “ por todos los conceptos” en inclusief “ pagas extraordinarias ”. De formulering “ por todos los conceptos ” biedt op zichzelf onvoldoende duidelijkheid om te kunnen vaststellen of daaronder ook de vakantiebijslag valt en, zo ja, welk bedrag daarmee gemoeid is. Deze algemene bewoordingen laten namelijk in het midden welke concrete loonbestanddelen daarin zijn begrepen. Zonder nadere concretisering kan daaruit niet worden afgeleid dat ook de vakantiebijslag onderdeel uitmaakt van het overeengekomen loon, noch welk bedrag daaraan zou moeten worden toegerekend.
Volledig
Daarnaast voert de Spaanse Staat aan dat [eiseres] haar klachtplicht heeft geschonden door pas in 2024 voor het eerst individueel te klagen over het niet ontvangen van vakantiebijslag, terwijl zij hier al eerder van afwist. Door interne veranderingen sinds 2016 en de betrokkenheid van meerdere instanties wordt een reconstructie van de aanspraken bemoeilijkt. De Spaanse Staat verzoekt voorts om geen dwangsom op te leggen en de wettelijke verhoging op nihil te stellen of sterk te matigen. De niet-betaling komt volgens hem namelijk voort uit een achteraf gebleken onjuiste contractsuitleg en niet uit betalingsonwil. Bovendien zou dit neerkomen op een extra punitieve last op de publieke middelen. Tot slot betwist de Spaanse Staat dat hij de buitengerechtelijke incassokosten en tolkkosten moet vergoeden. 4 Beoordeling Nederlandse rechter is bevoegd 4.1. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (Brussel I-bis) bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen, omdat [eiseres] als werknemer haar werkzaamheden gewoonlijk in Nederland heeft verricht. Bovendien voorziet ook het forumkeuzebeding in de arbeidsovereenkomst in de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Nederlands recht is van toepassing 4.2. Het Nederlandse recht is op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (Rome I) op de arbeidsovereenkomst van toepassing. De arbeid werd immers gewoonlijk in Nederland verricht. Verder zijn er geen omstandigheden gesteld of gebleken die wijzen op een kennelijk nauwere band van de arbeidsovereenkomst met een ander land. Mislopen van vakantiebijslag is niet het gevolg van schending van de informatieplicht 4.3. Artikel 7:655 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ziet op de informatieplicht van de werkgever bij de start van de arbeidsovereenkomst. Dit artikel bevat een overzicht van de gegevens die de werkgever aan de werknemer moet verstrekken. Zo is de werkgever in ieder geval verplicht om informatie te geven over het loon en de afzonderlijke bestanddelen daarvan (lid 1 sub h). De looninformatie moet binnen een week na aanvang van de werkzaamheden worden verstrekt (lid 3), tenzij deze al is opgenomen in de schriftelijke arbeidsovereenkomst (lid 2). Voor 1 augustus 2022 gold hiervoor nog een termijn van een maand. Indien de werkgever de werknemer onjuist of onvolledig informeert, is hij aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade (lid 4). 4.4. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] haar schade, die zij stelt te lijden door de schending van de informatieplicht door de Spaanse Staat met betrekking tot de vakantiebijslag, begroot op het bedrag aan vakantiebijslag waarop zij op grond van de WML recht zou hebben gehad over haar dienstverbanden bij de Spaanse Staat. Voor toewijzing van deze vordering biedt artikel 7:655 lid 4 BW echter geen grondslag. Deze bepaling strekt ertoe de werknemer te beschermen tegen schade die het gevolg is van het niet, onjuist of onvolledig verstrekken van de in dat artikel bedoelde informatie. Vereist is derhalve dat sprake is van causaal verband tussen de schending van de informatieplicht en de gestelde schade. Van een dergelijk causaal verband is in dit geval geen sprake. Het door [eiseres] gestelde nadeel – het niet ontvangen van vakantiebijslag – vloeit niet voort uit het ontbreken van informatie over het recht op vakantiebijslag of het moment van uitbetaling daarvan in de arbeidsovereenkomst, noch uit het ontbreken van een specificatie op de loonstroken, maar veeleer uit het uitblijven van betaling daarvan. Gelet hierop ontbreekt het vereiste causaal verband tussen de gestelde schending van artikel 7:655 BW en de door [eiseres] gestelde schade. Reeds om die reden kan het gevorderde bedrag op deze grond niet worden toegewezen. Arbeidsovereenkomst verplicht niet afzonderlijk betaling van vakantiebijslag 4.5. Een rechtsplicht moet worden nagekomen. Daarom bepaalt artikel 3:296 lid 1 BW dat degene die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, op vordering van die ander door de rechter tot nakoming kan worden veroordeeld. 4.6. [eiseres] baseert haar vordering ter zake de vakantiebijslag subsidiair op nakoming van de arbeidsovereenkomst. Ook op deze grond kan de vordering echter niet worden toegewezen. De door [eiseres] overgelegde arbeidsovereenkomst bevat immers geen afzonderlijke verbintenis voor de Spaanse Staat tot betaling van vakantiebijslag, hetgeen [eiseres] zelf eveneens onderkent. Daar komt bij dat niet weersproken is dat de Spaanse Staat met de maandelijks uitbetaalde bedragen steeds het overeengekomen jaarsalaris volledig heeft voldaan, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de Spaanse Staat aan haar betalingsverplichtingen uit de arbeidsovereenkomst heeft voldaan. WML verplicht daar wel toe en partijen zijn niet afgeweken van wat de wet zegt 4.7. Feitelijk strekt de vordering van [eiseres] tot nakoming van de uit de WML voortvloeiende verplichting voor de werkgever om vakantiebijslag te betalen. Hoewel [eiseres] haar vordering niet (uitdrukkelijk) op deze wettelijke grondslag heeft gebaseerd, volgt uit de stellingen die zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat zij aanspraak maakt op betaling van vakantiebijslag waarop zij meent recht te hebben uit hoofde van de WML. Gelet hierop bestaat aanleiding om de vordering mede te beoordelen als een vordering tot nakoming van de uit de WML voortvloeiende verplichting tot betaling van vakantiebijslag. 4.8. Artikel 15 WML bepaalt dat de werknemer jegens de werkgever recht heeft op een vakantiebijslag van ten minste 8% van het loon. Op grond van artikel 17 lid 1 WML geldt als hoofdregel dat deze vakantiebijslag in de maand juni wordt uitbetaald. Van deze hoofdregel kan bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken (lid 2). Partijen kunnen bijvoorbeeld afspreken dat de vakantiebijslag maandelijks wordt uitbetaald, bijvoorbeeld in de vorm van een all-in loon. Voorwaarde is daarbij wel dat de maandelijkse betaling ten minste 108% van het minimumloon bedraagt. Bij het einde van de dienstbetrekking moet de werkgever het bedrag aan vakantiebijslag uitbetalen waarop de werknemer op dat moment recht heeft opgebouwd (lid 3). 4.9. Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] recht heeft op vakantiebijslag. Het geschil richt op de vraag of deze vakantiebijslag al is inbegrepen in het overeengekomen en maandelijks uitbetaalde loon, dus ‘all-in’ was, of dat de uitbetaalde bedragen nog verhoogd moeten worden met 8% en alsnog aanvullend moet worden betaald. Bij de beoordeling van deze vraag wordt ervan uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst die ten grondslag ligt aan het eerste dienstverband van [eiseres] bij de Spaanse Staat, die niet is overgelegd, een vergelijkbare bepaling bevatte als artikel 3 van de arbeidsovereenkomst voor het tweede dienstverband. 4.10. De Spaanse Staat stelt zich op het standpunt dat gebruik is gemaakt van de uitzondering in lid 2 van artikel 17 WML door in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst af te spreken dat de vakantiebijslag (net als andere looncomponenten) onderdeel is van het overeengekomen jaarsalaris en maandelijks wordt uitbetaald. De kantonrechter volgt het standpunt van de Spaanse Staat niet. 4.11. Zoals hiervoor is overwogen, is in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst een bruto jaarsalaris overeengekomen dat in dertien termijnen wordt uitbetaald, “ por todos los conceptos” en inclusief “ pagas extraordinarias ”. De formulering “ por todos los conceptos ” biedt op zichzelf onvoldoende duidelijkheid om te kunnen vaststellen of daaronder ook de vakantiebijslag valt en, zo ja, welk bedrag daarmee gemoeid is. Deze algemene bewoordingen laten namelijk in het midden welke concrete loonbestanddelen daarin zijn begrepen. Zonder nadere concretisering kan daaruit niet worden afgeleid dat ook de vakantiebijslag onderdeel uitmaakt van het overeengekomen loon, noch welk bedrag daaraan zou moeten worden toegerekend.
Volledig
Ook de toevoeging “ incluidas pagas extraordinarias ” en de bij de feiten geciteerde bepaling in bijlage 1 van het document met aanstellingsvoorwaarden maken niet duidelijk dat de vakantiebijslag in het loon is verdisconteerd. Daarbij is van belang dat [eiseres] onweersproken heeft toegelicht dat werknemers in Spanje recht hebben op een dertiende en veertiende maand, aangeduid als “ pagas extraordinarias ”, en dat een regeling zoals vakantiebijslag in Spanje niet bestaat. Tegen die achtergrond ligt het niet voor de hand dat met “ pagas extraordinarias ” (mede) vakantiebijslag is bedoeld. Het document met aanstellingsvoorwaarden – waarvan [eiseres] niet heeft betwist dat dit voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst voor haar tweede dienstverband aan haar is verstrekt – verwijst weliswaar naar lokale (en dus Nederlandse) regelgeving, maar onduidelijk blijft of die verwijzing betrekking heeft op “ todos los conceptos ”, op “ pagas extraordinarias ” dan wel op de “ específicos contemplados ”. Deze onduidelijkheid dient voor rekening van de Spaanse Staat te komen. 4.12. Het feit dat [naam] in zijn e-mail van 29 september 2020 heeft aangegeven dat medewerkers van ECO NL geen vakantiebijslag ontvangen, vormt bovendien een belangrijke aanwijzing dat van verdiscontering van de vakantiebijslag in het loon geen sprake is (geweest). De Spaanse Staat heeft aangevoerd dat deze e-mail op persoonlijke titel is verzonden en geen officieel standpunt van ECO NL weergeeft, maar [eiseres] heeft daartegenover voldoende onderbouwd dat [naam] bevoegd was om ECO NL te vertegenwoordigen en dat het bericht [naam] het officiële e-mailadres van ECO NL (B.O. Ofcomes La Haya) aan alle werknemers van ECO NL is gericht, zodat zij dit bericht in ieder geval redelijkerwijs heeft mogen opvatten als een standpunt van ECO NL. Dat [eiseres] op dat moment niet (meer) in dienst was, doet daaraan niet af, nu niet is gebleken dat de situatie nadien is gewijzigd. Integendeel, uit het schrijven van [naam] van 5 februari 2025 – naar aanleiding van een bericht van de HR-afdeling van ICEX – volgt dat ook op dat moment aan medewerkers van ECO NL geen vakantiebijslag werd uitbetaald, separaat noch als onderdeel van het loon. De Spaanse Staat heeft ter zitting ook aangegeven dat medewerkers van ECO NL nooit is meegedeeld dat vakantiebijslag in het salaris was verdisconteerd. 4.13. Een ander belangrijk aanknopingspunt voor het oordeel dat geen vakantiebijslag in het loon was begrepen, betreft het feit dat in de loonstroken die volgens [eiseres] door de Spaanse Staat zijn verstrekt geen specificatie met betrekking tot de vakantiebijslag over het loon is opgenomen. Artikel 7:626 lid 1 BW verplicht de werkgever om bij iedere loonbetaling aan de werknemer een opgave te verstrekken van het loonbedrag en van de gespecificeerde bedragen waaruit dit is samengesteld. Dat hier ook de vakantietoeslag apart gespecificeerd moet worden blijkt uit de wetgeschiedenis bij de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Aan deze verplichting is in dit geval niet voldaan, hetgeen een aanwijzing vormt dat de vakantiebijslag niet, althans niet kenbaar in het loon was begrepen. 4.14. Gelet op het voorgaande heeft de Spaanse onvoldoende onderbouwd dat partijen zijn overeengekomen dat de vakantiebijslag in het loon was verdisconteerd en maandelijks werd uitbetaald. Dit betekent dat de Spaanse Staat op grond van de WML gehouden is de vakantiebijslag alsnog aan [eiseres] te voldoen. De Spaanse Staat heeft het door [eiseres] gevorderde bedrag aan gemiste vakantiebijslag en de berekening die daaraan ten grondslag ligt cijfermatig niet betwist. Wel heeft hij aangevoerd dat een deel van de vordering is verjaard en dat [eiseres] haar klachtplicht heeft geschonden. De vordering ter zake de vakantiebijslag is deels verjaard 4.15. Verjaring is het door tijdsverloop verloren gaan van een rechtsvordering. De wet kent verschillende verjaringstermijnen, afhankelijk van het soort vordering. Een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst en vorderingen tot betaling van alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren na vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 en 3:308 BW). Een vordering tot schadevergoeding verjaart ook na vijf jaar, gerekend vanaf het moment dat de benadeelde bekend is met zowel de schade als de verantwoordelijke partij (artikel 3:310 lid 1 BW). 4.16. De Spaanse Staat baseert zijn beroep op verjaring op artikel 3:307 lid 1 BW. Deze bepaling mist echter toepassing, omdat de vordering (moet worden aangemerkt als een vordering die) strekt tot nakoming van een uit de WML voortvloeiende verplichting. Om die reden mist ook de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW, waarnaar [eiseres] heeft verwezen, toepassing. De kantonrechter ziet aanleiding om het verjaringsverweer van de Spaanse Staat te beoordelen in het licht van artikel 3:308 lid 1 BW. De WML bepaalt immers dat de vakantiebijslag jaarlijks in de maand juni aan de werknemer wordt uitgekeerd. De beoordeling van het verjaringsverweer op deze grond leidt overigens niet tot een andere uitkomst dan een beoordeling op grond van artikel 3:307 lid 1 BW, aangezien in beide gevallen een verjaringstermijn van vijf jaar na opeisbaarheid geldt. 4.17. De Spaanse Staat heeft, onder verwijzing naar artikel 17 lid 3 WML, aangevoerd dat de vordering tot betaling van vakantiebijslag over de periode van het eerste dienstverband op 1 november 2019 opeisbaar is geworden. Aangezien die dienstbetrekking echter is geëindigd op 31 oktober 2019, is de vordering reeds op die datum op grond van deze bepaling opeisbaar geworden. De verjaringstermijn van vijf jaar is derhalve aangevangen op 1 november 2019 – zoals de Spaanse Staat terecht tot uitgangspunt heeft genomen – en eindigde daarmee op 1 november 2024, tenzij de verjaring (tijdig) is gestuit. 4.18. Door een stuitingshandeling wordt een lopende verjaring afgebroken. Na de stuiting gaat een nieuwe termijn lopen, die in het algemeen even lang is als de aanvankelijke termijn. Artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Het gaat erom dat de schuldeiser de schuldenaar voldoende duidelijk waarschuwt dat deze er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Voor een voldoende duidelijke waarschuwing is noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld. Daartoe is in ieder geval vereist dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen deze schuldenaar zich eventueel heeft te verweren. 4.19. [eiseres] stelt dat de collectieve brief van 24 mei 2022 kwalificeert als een stuitingshandeling. Deze brief voldoet echter niet aan de eisen die de wet daaraan stelt. In de brief wordt weliswaar vermeld dat de vakantiebijslag geen onderdeel vormt van het brutosalaris en wordt verzocht om naleving van de WML, maar de Spaanse Staat wordt niet aangemaand tot betaling van de vakantiebijslag over de periode 16 juni 2016 tot 1 november 2019 en ook bevat de brief geen mededeling waarin ondubbelzinnig een recht op betaling van vakantiebijslag over deze periode wordt voorbehouden. 4.20. [eiseres] stelt dat ook de brief van 13 juni 2024 van haar voormalig gemachtigde kwalificeert als een stuitingshandeling. In deze brief is aangegeven dat geen vakantiebijslag wordt uitbetaald en wordt daarop ook daadwerkelijk aanspraak gemaakt. Hoewel de brief ook een aanmaning tot betaling van de vakantiebijslag vanaf het begin van de arbeidsrelatie bevat, volgt daaruit niet dat deze mede ziet op de periode van het eerste dienstverband.
Volledig
Ook de toevoeging “ incluidas pagas extraordinarias ” en de bij de feiten geciteerde bepaling in bijlage 1 van het document met aanstellingsvoorwaarden maken niet duidelijk dat de vakantiebijslag in het loon is verdisconteerd. Daarbij is van belang dat [eiseres] onweersproken heeft toegelicht dat werknemers in Spanje recht hebben op een dertiende en veertiende maand, aangeduid als “ pagas extraordinarias ”, en dat een regeling zoals vakantiebijslag in Spanje niet bestaat. Tegen die achtergrond ligt het niet voor de hand dat met “ pagas extraordinarias ” (mede) vakantiebijslag is bedoeld. Het document met aanstellingsvoorwaarden – waarvan [eiseres] niet heeft betwist dat dit voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst voor haar tweede dienstverband aan haar is verstrekt – verwijst weliswaar naar lokale (en dus Nederlandse) regelgeving, maar onduidelijk blijft of die verwijzing betrekking heeft op “ todos los conceptos ”, op “ pagas extraordinarias ” dan wel op de “ específicos contemplados ”. Deze onduidelijkheid dient voor rekening van de Spaanse Staat te komen. 4.12. Het feit dat [naam] in zijn e-mail van 29 september 2020 heeft aangegeven dat medewerkers van ECO NL geen vakantiebijslag ontvangen, vormt bovendien een belangrijke aanwijzing dat van verdiscontering van de vakantiebijslag in het loon geen sprake is (geweest). De Spaanse Staat heeft aangevoerd dat deze e-mail op persoonlijke titel is verzonden en geen officieel standpunt van ECO NL weergeeft, maar [eiseres] heeft daartegenover voldoende onderbouwd dat [naam] bevoegd was om ECO NL te vertegenwoordigen en dat het bericht [naam] het officiële e-mailadres van ECO NL (B.O. Ofcomes La Haya) aan alle werknemers van ECO NL is gericht, zodat zij dit bericht in ieder geval redelijkerwijs heeft mogen opvatten als een standpunt van ECO NL. Dat [eiseres] op dat moment niet (meer) in dienst was, doet daaraan niet af, nu niet is gebleken dat de situatie nadien is gewijzigd. Integendeel, uit het schrijven van [naam] van 5 februari 2025 – naar aanleiding van een bericht van de HR-afdeling van ICEX – volgt dat ook op dat moment aan medewerkers van ECO NL geen vakantiebijslag werd uitbetaald, separaat noch als onderdeel van het loon. De Spaanse Staat heeft ter zitting ook aangegeven dat medewerkers van ECO NL nooit is meegedeeld dat vakantiebijslag in het salaris was verdisconteerd. 4.13. Een ander belangrijk aanknopingspunt voor het oordeel dat geen vakantiebijslag in het loon was begrepen, betreft het feit dat in de loonstroken die volgens [eiseres] door de Spaanse Staat zijn verstrekt geen specificatie met betrekking tot de vakantiebijslag over het loon is opgenomen. Artikel 7:626 lid 1 BW verplicht de werkgever om bij iedere loonbetaling aan de werknemer een opgave te verstrekken van het loonbedrag en van de gespecificeerde bedragen waaruit dit is samengesteld. Dat hier ook de vakantietoeslag apart gespecificeerd moet worden blijkt uit de wetgeschiedenis bij de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Aan deze verplichting is in dit geval niet voldaan, hetgeen een aanwijzing vormt dat de vakantiebijslag niet, althans niet kenbaar in het loon was begrepen. 4.14. Gelet op het voorgaande heeft de Spaanse onvoldoende onderbouwd dat partijen zijn overeengekomen dat de vakantiebijslag in het loon was verdisconteerd en maandelijks werd uitbetaald. Dit betekent dat de Spaanse Staat op grond van de WML gehouden is de vakantiebijslag alsnog aan [eiseres] te voldoen. De Spaanse Staat heeft het door [eiseres] gevorderde bedrag aan gemiste vakantiebijslag en de berekening die daaraan ten grondslag ligt cijfermatig niet betwist. Wel heeft hij aangevoerd dat een deel van de vordering is verjaard en dat [eiseres] haar klachtplicht heeft geschonden. De vordering ter zake de vakantiebijslag is deels verjaard 4.15. Verjaring is het door tijdsverloop verloren gaan van een rechtsvordering. De wet kent verschillende verjaringstermijnen, afhankelijk van het soort vordering. Een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst en vorderingen tot betaling van alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren na vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 en 3:308 BW). Een vordering tot schadevergoeding verjaart ook na vijf jaar, gerekend vanaf het moment dat de benadeelde bekend is met zowel de schade als de verantwoordelijke partij (artikel 3:310 lid 1 BW). 4.16. De Spaanse Staat baseert zijn beroep op verjaring op artikel 3:307 lid 1 BW. Deze bepaling mist echter toepassing, omdat de vordering (moet worden aangemerkt als een vordering die) strekt tot nakoming van een uit de WML voortvloeiende verplichting. Om die reden mist ook de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW, waarnaar [eiseres] heeft verwezen, toepassing. De kantonrechter ziet aanleiding om het verjaringsverweer van de Spaanse Staat te beoordelen in het licht van artikel 3:308 lid 1 BW. De WML bepaalt immers dat de vakantiebijslag jaarlijks in de maand juni aan de werknemer wordt uitgekeerd. De beoordeling van het verjaringsverweer op deze grond leidt overigens niet tot een andere uitkomst dan een beoordeling op grond van artikel 3:307 lid 1 BW, aangezien in beide gevallen een verjaringstermijn van vijf jaar na opeisbaarheid geldt. 4.17. De Spaanse Staat heeft, onder verwijzing naar artikel 17 lid 3 WML, aangevoerd dat de vordering tot betaling van vakantiebijslag over de periode van het eerste dienstverband op 1 november 2019 opeisbaar is geworden. Aangezien die dienstbetrekking echter is geëindigd op 31 oktober 2019, is de vordering reeds op die datum op grond van deze bepaling opeisbaar geworden. De verjaringstermijn van vijf jaar is derhalve aangevangen op 1 november 2019 – zoals de Spaanse Staat terecht tot uitgangspunt heeft genomen – en eindigde daarmee op 1 november 2024, tenzij de verjaring (tijdig) is gestuit. 4.18. Door een stuitingshandeling wordt een lopende verjaring afgebroken. Na de stuiting gaat een nieuwe termijn lopen, die in het algemeen even lang is als de aanvankelijke termijn. Artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Het gaat erom dat de schuldeiser de schuldenaar voldoende duidelijk waarschuwt dat deze er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Voor een voldoende duidelijke waarschuwing is noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld. Daartoe is in ieder geval vereist dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen deze schuldenaar zich eventueel heeft te verweren. 4.19. [eiseres] stelt dat de collectieve brief van 24 mei 2022 kwalificeert als een stuitingshandeling. Deze brief voldoet echter niet aan de eisen die de wet daaraan stelt. In de brief wordt weliswaar vermeld dat de vakantiebijslag geen onderdeel vormt van het brutosalaris en wordt verzocht om naleving van de WML, maar de Spaanse Staat wordt niet aangemaand tot betaling van de vakantiebijslag over de periode 16 juni 2016 tot 1 november 2019 en ook bevat de brief geen mededeling waarin ondubbelzinnig een recht op betaling van vakantiebijslag over deze periode wordt voorbehouden. 4.20. [eiseres] stelt dat ook de brief van 13 juni 2024 van haar voormalig gemachtigde kwalificeert als een stuitingshandeling. In deze brief is aangegeven dat geen vakantiebijslag wordt uitbetaald en wordt daarop ook daadwerkelijk aanspraak gemaakt. Hoewel de brief ook een aanmaning tot betaling van de vakantiebijslag vanaf het begin van de arbeidsrelatie bevat, volgt daaruit niet dat deze mede ziet op de periode van het eerste dienstverband.
Volledig
In de brief wordt immers als begindatum van de arbeidsrelatie 1 november 2020 genoemd, zijnde de aanvang van het tweede dienstverband (“(…) In the case of (…) [eiseres] Matas, since the beginning of the employment relationship on 1.11.2020 (…) this payment [de vakantiebijslag, toev. ktr.] has not been made (…)” ). Daarmee kan de brief niet worden aangemerkt als een aanmaning die betrekking heeft op de periode van het eerste dienstverband. In de brief wordt in het geheel niet verwezen naar het eerste dienstverband. Nu de brief evenmin een mededeling bevat waarin ondubbelzinnig het recht op betaling van vakantiebijslag over deze periode wordt voorbehouden, is de verjaring ook hiermee niet gestuit. 4.21. [eiseres] stelt tot slot dat ook de brieven van 16 november 2024 en 4 april 2024 kwalificeren als stuitingshandelingen. Deze berichten kunnen, los van hun inhoud, echter geen stuitende werking hebben gehad, nu de verjaring reeds op 1 november 2024 was voltooid. 4.22. De conclusie is dat het beroep van de Spaanse Staat op verjaring slaagt. Dit brengt mee dat de vordering van [eiseres] ter zake de vakantiebijslag zal worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de periode van 16 juni 2016 tot 1 november 2019. Het beroep op de klachtplicht slaagt niet 4.23. Artikel 6:89 BW bepaalt dat een schuldeiser geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie als hij niet binnen bekwame tijd, nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, hierover heeft geklaagd bij de schuldenaar. De achterliggende gedachte van die bepaling is dat een schuldenaar erop moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat deze, indien dit niet het geval blijkt te zijn, dit, eveneens met spoed, aan de schuldenaar meedeelt. 4.24. Los van de vraag of de klachtplicht op de vordering van [eiseres] van toepassing is, waarover partijen zich niet hebben uitgelaten, geldt het volgende. Bij brief van 24 mei 2022 hebben [eiseres] en haar collega’s aan ECO NL kenbaar gemaakt dat de vakantiebijslag ten onrechte niet wordt uitgekeerd en hebben zij verzocht om naleving van de Nederlandse wetgeving op dit punt. Voor de Spaanse Staat was daarmee in ieder geval vanaf dat moment duidelijk dat het standpunt van de medewerkers van ECO NL was dat er vakantiebijslag diende te worden betaald. Bovendien was de Spaanse Staat reeds eerder op de hoogte van het feit dat geen vakantiebijslag werd uitbetaald, zoals blijkt uit de e-mail van [naam] van 29 september 2020. Vervolgens heeft [eiseres] in 2024 tweemaal en in 2025 eenmaal individueel geklaagd over de niet-betaling van vakantiebijslag. Gelet op het voorgaande had de Spaanse Staat er ernstig rekening mee kunnen en moeten houden dat [eiseres] haar aanspraken ook in rechte geldend zou maken. Met deze berichten heeft [eiseres] dan ook tijdig bij de Spaanse Staat geklaagd. Er is ook niet gebleken dat de Spaanse Staat door het in zijn ogen te late klagen van [eiseres] in zijn belangen is geschaad. Weliswaar heeft hij gesteld dat een reconstructie van de aanspraken is bemoeilijkt, maar niet dat deze onmogelijk is. Het beroep op schending van de klachtplicht faalt daarom. De Spaanse Staat moet € 14.129,08 bruto aan vakantiebijslag betalen 4.25. Het voorgaande bij elkaar genomen leidt ertoe dat de Spaanse Staat zal worden veroordeeld tot betaling van vakantiebijslag over uitsluitend de periode van [eiseres]’ tweede dienstverband, zijnde 1 november 2020 tot 1 juli 2025, evenals over de nabetaling die in augustus 2025 aan haar is gedaan. Uitgaande van de door [eiseres] overgelegde berekening – die, zoals overwogen, niet is betwist – bedraagt het toe te kennen bedrag aan gemiste vakantiebijslag in totaal € 14.129,08 bruto. De Spaanse Staat moet een deugdelijke specificatie verstrekken 4.26. Gelet op het bepaalde in artikel 7:626 lid 1 BW zal de gevorderde specificatie van de nabetaling van het toe te wijzen bedrag aan gemiste vakantiebijslag worden toegewezen. Aan deze veroordeling wordt geen dwangsom verbonden, aangezien er onvoldoende aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de Spaanse Staat niet vrijwillig aan deze veroordeling zal voldoen. De Spaanse Staat moet de wettelijke verhoging betalen, zij het dat deze wordt gematigd 4.27. Artikel 7:625 lid 1 BW geeft de werknemer een aanspraak op een bepaalde verhoging van zijn loon indien de werkgever dat niet op tijd betaalt. Deze wettelijke verhoging is ook verschuldigd over vakantiebijslag. Omdat de Spaanse Staat (nog) vakantiebijslag aan [eiseres] moet voldoen, staat vast dat deze te laat is betaald en dat [eiseres] aanspraak heeft op de wettelijke verhoging. De kantonrechter kan deze verhoging matigen en ziet daar in dit geval ook aanleiding toe. Het is immers niet gebleken dat de Spaanse Staat bewust heeft nagelaten de vakantiebijslag te betalen. Anderzijds kan de Spaanse Staat hebben aangenomen dat de vakantiebijslag was inbegrepen in het overeengekomen jaarsalaris, maar dit standpunt heeft hij pas in deze procedure jegens [eiseres] (en de overige medewerkers van ECO NL) ingenomen. [eiseres] heeft daarnaast onweersproken toegelicht dat de Spaanse Staat nimmer inhoudelijk heeft gereageerd op of contact heeft opgenomen met [eiseres] na de brief van haar gemachtigde van 4 april 2025. Gezien deze omstandigheden en het feit dat de wettelijke verhoging uit publiek geld moet worden betaald, zal de wettelijke verhoging worden gematigd tot 30%, zijnde € 4.238,72 bruto. De wettelijke rente hierover is als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar. De Spaanse Staat moet ook buitengerechtelijke kosten betalen 4.28. De Spaanse Staat moet de buitengerechtelijke incassokosten van [eiseres] betalen, omdat [eiseres] kosten heeft gemaakt voor het proberen te innen van de vakantiebijslag en aan de wettelijke eisen voor vergoeding hiervan is voldaan. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan de vergoeding die de Spaanse Staat, op grond van het toe te wijzen bedrag aan vakantiebijslag, volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd zou zijn. Het gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen. De wettelijke rente hierover is als onweersproken en op de wet gegrond eveneens toewijsbaar. De Spaanse Staat moet ook wettelijke rente betalen 4.29. Naast de wettelijke verhoging is de Spaanse Staat op grond van artikel 6:119 BW ook wettelijke rente verschuldigd over het te laat betaalde bedrag aan vakantiebijslag. De Spaanse Staat heeft hiertegen ook geen verweer gevoerd. Uit het door [eiseres] overgelegde overzicht van de berekening van de wettelijke rente – dat door de Spaanse Staat cijfermatig evenmin is betwist – volgt dat over de periode waarover vakantiebijslag verschuldigd is, de wettelijke rente tot en met 22 januari 2026 € 1.909,14 bedraagt. Dit bedrag zal worden toegewezen. De gevorderde rente vanaf 22 januari 2026 over de reeds verschenen rente wordt hieronder toegewezen voor zover voldaan is aan artikel 6:119 lid 2 BW. De Spaanse Staat moet de proceskosten betalen 4.30. De Spaanse Staat is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 732,00 - salaris gemachtigde € 1.154,00 (2 punten x tarief € 577,00) - nakosten € 144,00 Totaal € 2.174,47 De Spaanse Staat hoeft geen tolkkosten te vergoeden 4.31. [eiseres] heeft niet gesteld wat de grondslag is van haar vordering ter zake de tolkkosten. Hoewel tolkkosten bij een proceskostenveroordeling tot de verschotten kunnen worden gerekend, wordt geen vergoeding voor tolkkosten toegewezen. De vordering van [eiseres] is te onbepaald, omdat zij de kosten van de tolk niet heeft gespecificeerd, ook niet na afloop van de zitting. De rechtbank zal een certificaat afgegeven 4.32. [eiseres] heeft verzocht om waarmerking van dit vonnis overeenkomstig artikel 53 Verordening Brussel I-bis. Dit verzoek is toewijsbaar, nu aan alle criteria voor toewijzing is voldaan. Het certificaat wordt gesteld in zowel de Nederlandse als de Spaanse taal. 5 Beslissing De kantonrechter: 5.1.
Volledig
In de brief wordt immers als begindatum van de arbeidsrelatie 1 november 2020 genoemd, zijnde de aanvang van het tweede dienstverband (“(…) In the case of (…) [eiseres] Matas, since the beginning of the employment relationship on 1.11.2020 (…) this payment [de vakantiebijslag, toev. ktr.] has not been made (…)” ). Daarmee kan de brief niet worden aangemerkt als een aanmaning die betrekking heeft op de periode van het eerste dienstverband. In de brief wordt in het geheel niet verwezen naar het eerste dienstverband. Nu de brief evenmin een mededeling bevat waarin ondubbelzinnig het recht op betaling van vakantiebijslag over deze periode wordt voorbehouden, is de verjaring ook hiermee niet gestuit. 4.21. [eiseres] stelt tot slot dat ook de brieven van 16 november 2024 en 4 april 2024 kwalificeren als stuitingshandelingen. Deze berichten kunnen, los van hun inhoud, echter geen stuitende werking hebben gehad, nu de verjaring reeds op 1 november 2024 was voltooid. 4.22. De conclusie is dat het beroep van de Spaanse Staat op verjaring slaagt. Dit brengt mee dat de vordering van [eiseres] ter zake de vakantiebijslag zal worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de periode van 16 juni 2016 tot 1 november 2019. Het beroep op de klachtplicht slaagt niet 4.23. Artikel 6:89 BW bepaalt dat een schuldeiser geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie als hij niet binnen bekwame tijd, nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, hierover heeft geklaagd bij de schuldenaar. De achterliggende gedachte van die bepaling is dat een schuldenaar erop moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat deze, indien dit niet het geval blijkt te zijn, dit, eveneens met spoed, aan de schuldenaar meedeelt. 4.24. Los van de vraag of de klachtplicht op de vordering van [eiseres] van toepassing is, waarover partijen zich niet hebben uitgelaten, geldt het volgende. Bij brief van 24 mei 2022 hebben [eiseres] en haar collega’s aan ECO NL kenbaar gemaakt dat de vakantiebijslag ten onrechte niet wordt uitgekeerd en hebben zij verzocht om naleving van de Nederlandse wetgeving op dit punt. Voor de Spaanse Staat was daarmee in ieder geval vanaf dat moment duidelijk dat het standpunt van de medewerkers van ECO NL was dat er vakantiebijslag diende te worden betaald. Bovendien was de Spaanse Staat reeds eerder op de hoogte van het feit dat geen vakantiebijslag werd uitbetaald, zoals blijkt uit de e-mail van [naam] van 29 september 2020. Vervolgens heeft [eiseres] in 2024 tweemaal en in 2025 eenmaal individueel geklaagd over de niet-betaling van vakantiebijslag. Gelet op het voorgaande had de Spaanse Staat er ernstig rekening mee kunnen en moeten houden dat [eiseres] haar aanspraken ook in rechte geldend zou maken. Met deze berichten heeft [eiseres] dan ook tijdig bij de Spaanse Staat geklaagd. Er is ook niet gebleken dat de Spaanse Staat door het in zijn ogen te late klagen van [eiseres] in zijn belangen is geschaad. Weliswaar heeft hij gesteld dat een reconstructie van de aanspraken is bemoeilijkt, maar niet dat deze onmogelijk is. Het beroep op schending van de klachtplicht faalt daarom. De Spaanse Staat moet € 14.129,08 bruto aan vakantiebijslag betalen 4.25. Het voorgaande bij elkaar genomen leidt ertoe dat de Spaanse Staat zal worden veroordeeld tot betaling van vakantiebijslag over uitsluitend de periode van [eiseres]’ tweede dienstverband, zijnde 1 november 2020 tot 1 juli 2025, evenals over de nabetaling die in augustus 2025 aan haar is gedaan. Uitgaande van de door [eiseres] overgelegde berekening – die, zoals overwogen, niet is betwist – bedraagt het toe te kennen bedrag aan gemiste vakantiebijslag in totaal € 14.129,08 bruto. De Spaanse Staat moet een deugdelijke specificatie verstrekken 4.26. Gelet op het bepaalde in artikel 7:626 lid 1 BW zal de gevorderde specificatie van de nabetaling van het toe te wijzen bedrag aan gemiste vakantiebijslag worden toegewezen. Aan deze veroordeling wordt geen dwangsom verbonden, aangezien er onvoldoende aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de Spaanse Staat niet vrijwillig aan deze veroordeling zal voldoen. De Spaanse Staat moet de wettelijke verhoging betalen, zij het dat deze wordt gematigd 4.27. Artikel 7:625 lid 1 BW geeft de werknemer een aanspraak op een bepaalde verhoging van zijn loon indien de werkgever dat niet op tijd betaalt. Deze wettelijke verhoging is ook verschuldigd over vakantiebijslag. Omdat de Spaanse Staat (nog) vakantiebijslag aan [eiseres] moet voldoen, staat vast dat deze te laat is betaald en dat [eiseres] aanspraak heeft op de wettelijke verhoging. De kantonrechter kan deze verhoging matigen en ziet daar in dit geval ook aanleiding toe. Het is immers niet gebleken dat de Spaanse Staat bewust heeft nagelaten de vakantiebijslag te betalen. Anderzijds kan de Spaanse Staat hebben aangenomen dat de vakantiebijslag was inbegrepen in het overeengekomen jaarsalaris, maar dit standpunt heeft hij pas in deze procedure jegens [eiseres] (en de overige medewerkers van ECO NL) ingenomen. [eiseres] heeft daarnaast onweersproken toegelicht dat de Spaanse Staat nimmer inhoudelijk heeft gereageerd op of contact heeft opgenomen met [eiseres] na de brief van haar gemachtigde van 4 april 2025. Gezien deze omstandigheden en het feit dat de wettelijke verhoging uit publiek geld moet worden betaald, zal de wettelijke verhoging worden gematigd tot 30%, zijnde € 4.238,72 bruto. De wettelijke rente hierover is als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar. De Spaanse Staat moet ook buitengerechtelijke kosten betalen 4.28. De Spaanse Staat moet de buitengerechtelijke incassokosten van [eiseres] betalen, omdat [eiseres] kosten heeft gemaakt voor het proberen te innen van de vakantiebijslag en aan de wettelijke eisen voor vergoeding hiervan is voldaan. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan de vergoeding die de Spaanse Staat, op grond van het toe te wijzen bedrag aan vakantiebijslag, volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd zou zijn. Het gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen. De wettelijke rente hierover is als onweersproken en op de wet gegrond eveneens toewijsbaar. De Spaanse Staat moet ook wettelijke rente betalen 4.29. Naast de wettelijke verhoging is de Spaanse Staat op grond van artikel 6:119 BW ook wettelijke rente verschuldigd over het te laat betaalde bedrag aan vakantiebijslag. De Spaanse Staat heeft hiertegen ook geen verweer gevoerd. Uit het door [eiseres] overgelegde overzicht van de berekening van de wettelijke rente – dat door de Spaanse Staat cijfermatig evenmin is betwist – volgt dat over de periode waarover vakantiebijslag verschuldigd is, de wettelijke rente tot en met 22 januari 2026 € 1.909,14 bedraagt. Dit bedrag zal worden toegewezen. De gevorderde rente vanaf 22 januari 2026 over de reeds verschenen rente wordt hieronder toegewezen voor zover voldaan is aan artikel 6:119 lid 2 BW. De Spaanse Staat moet de proceskosten betalen 4.30. De Spaanse Staat is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 732,00 - salaris gemachtigde € 1.154,00 (2 punten x tarief € 577,00) - nakosten € 144,00 Totaal € 2.174,47 De Spaanse Staat hoeft geen tolkkosten te vergoeden 4.31. [eiseres] heeft niet gesteld wat de grondslag is van haar vordering ter zake de tolkkosten. Hoewel tolkkosten bij een proceskostenveroordeling tot de verschotten kunnen worden gerekend, wordt geen vergoeding voor tolkkosten toegewezen. De vordering van [eiseres] is te onbepaald, omdat zij de kosten van de tolk niet heeft gespecificeerd, ook niet na afloop van de zitting. De rechtbank zal een certificaat afgegeven 4.32. [eiseres] heeft verzocht om waarmerking van dit vonnis overeenkomstig artikel 53 Verordening Brussel I-bis. Dit verzoek is toewijsbaar, nu aan alle criteria voor toewijzing is voldaan. Het certificaat wordt gesteld in zowel de Nederlandse als de Spaanse taal. 5 Beslissing De kantonrechter: 5.1.