Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:9612
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,741 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9612 text/xml public 2026-04-29T15:29:47 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-11 C/09/688403 HA ZA 25-613 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9612 text/html public 2026-04-29T15:29:19 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9612 Rechtbank Den Haag , 11-03-2026 / C/09/688403 HA ZA 25-613 Eisers hebben van De KOM een nieuwbouwappartement gekocht met twee parkeerplekken in een parkeergarage. Het gaat in deze zaak om vraag of De KOM op grond van de koopovereenkomst verplicht is om twee afzonderlijke parkeerplaatsen te leveren, of dat de parkeerplaats met daarop een parkeerlift die eisers hebben gekregen, aan de overeenkomst voldoet. De rechtbank oordeelt dat eisers te lang hebben gewacht met klagen bij De KOM dat zij ontevreden zijn over de parkeerplaats met parkeerlift, en wijst de vorderingen van eisers af. Door dit geslaagde beroep op de klachtplicht van artikel 7:23 BW, kan in het midden blijven of met het leveren van de parkeerplaats met parkeerlift sprake is van tekortkoming in de nakoming of non-conformiteit aan de zijde van De KOM. RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/688403 / HA ZA 25-613 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van 1. [eiser] te [woonplaats 1] , 2. [eiseres] te [woonplaats 2] , eisers, hierna samen te noemen: [eisers] c.s. advocaat: mr. R.H. Knegtering, tegen DE KIJKDUINSE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V. te Rotterdam, gedaagde, hierna te noemen: De KOM, advocaat: mr. M.S. Houweling. 1 Waar gaat deze zaak over? [eisers] c.s. hebben van De KOM een nieuwbouwappartement gekocht met twee parkeerplekken in een parkeergarage. Het gaat in deze zaak om vraag of De KOM op grond van de koopovereenkomst verplicht is om twee afzonderlijke parkeerplaatsen te leveren, of dat de parkeerplaats met daarop een parkeerlift die [eisers] c.s. hebben gekregen, aan de overeenkomst voldoet. De rechtbank oordeelt dat [eisers] c.s. te lang hebben gewacht met klagen bij De KOM dat zij ontevreden zijn over de parkeerplaats met parkeerlift, en wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af. Door dit geslaagde beroep op de klachtplicht van artikel 7:23 BW, kan in het midden blijven of met het leveren van de parkeerplaats met parkeerlift sprake is van tekortkoming in de nakoming of non-conformiteit aan de zijde van De KOM. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 26 juni 2025, met producties 1 tot en met 8; de conclusie van antwoord van 24 september 2025, met producties 1 tot en met 4; het bericht van 16 januari 2026, met producties 9 tot en met 11, namens [eisers] c.s. 2.2. Op 27 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken. Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag. 3 De feiten 3.1. [eisers] c.s. hebben in augustus 2020 een verkoopbijeenkomst bezocht van [het project] (hierna: het “project”). Het project omvat de realisatie van 154 koopappartementen verdeeld over vier gebouwen. Onder de gebouwen bevindt zich één doorlopende ondergrondse parkeergarage. 3.2. Op de verkoopbijeenkomst zijn [eisers] c.s. voorgelicht over het project door Makelaarskantoor Atta (hierna: de “verkoopmakelaar”). De verkoopmakelaar vertegenwoordigde De KOM als verkoper van de appartementsrechten van het project. 3.3. De verkoopmakelaar heeft [eisers] c.s. op 18 augustus 2020 een e-mailbericht gestuurd met het technisch ontwerp (hierna: het “TO”) en de plattegrond van het penthouse-appartement met bouwnummer [nummer] (hierna: het “appartement”). In deze e-mail licht de verkoopmakelaar de betalingsregeling van de aanneemsom toe en geeft hij bedragen voor een “ uitsplitsing koopsom incl. 2pp ”. 3.4. Het TO bevat een toelichting op het gebouw waaronder de ondergrondse stallinggarage voor auto’s (hierna: de “parkeergarage”). In deze toelichting komt de term ‘parkeersysteem’ of ‘parkeerlift’ niet voor. De term ‘parkeersysteem’ wordt in het TO wel gebruikt als aanduiding voor parkeerplaatsen voor fietsen met etagerekken. “ 2.9 Stallingsgarage De ondergrondse stallingsgarage van [het project] heeft stallingsplaatsen verdeeld over twee lagen, -1 en 0. Laag 0 is bereikbaar via hellingbanen op laag -1, is afgesloten met elektrisch bedienbare hekwerken en uitsluitend bereikbaar voor eigenaren van de stallingsplaatsen.” “ 2.10.6 Parkeersysteem Voor ieder appartement worden minimaal twee privéfietsparkeerplaatsen gereserveerd in eenvoudig te bedienen etagerekken.” 3.5. Voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst hebben [eisers] c.s. van de verkoopmakelaar de zogenaamde kopersmap (hierna: de “kopersmap”) ontvangen met onder meer appartement-specifieke informatie en de concept-splitsingsakte. Deze kopersmap bevatte tevens een prijslijst met de koopsommen van de appartementen, waarop vermeld is dat bij de aankoop van een appartement, de afname van minimaal één parkeerplaats verplicht was: “Prijslijst Verplichte afname van een parkeerplaats € 35.000 v.o.n. per stuk en € 70.000 voor de penthouses en bouwnr. G.4.01” 3.6. Bij koopovereenkomst van 8 september 2020 (hierna: de “overeenkomst”) hebben [eisers] c.s. in het project het appartementsrecht gekocht voor het appartement met parkeerplaats, waarbij ze € 70.000,00 hebben betaald voor de verplichte afname van parkeergelegenheid. 3.7. In de Akte Ondersplitsing van 3 november 2020 (hierna: de “splitsingsakte”) is benoemd dat op enkele parkeerplaatsen ‘parkeersystemen’ kunnen worden gerealiseerd: “ A. Registergoed De Eigenaar is eigenaar van: het appartementsrecht (…) omvattende: a. het recht op uitsluitend gebruik van de verdiepte parkeergarage met parkeerplaatsen, op enkele waarvan parkeersystemen gerealiseerd kunnen worden (…)”. 3.8. In de splitsingsakte is bepaald dat het appartementsrecht van [eisers] c.s. het recht op het uitsluitend gebruik van ‘een’ parkeerplaats omvat: “411. het appartementsrecht, kadastraal bekend (…), omvattende: a. het recht op het uitsluitend gebruik van een parkeerplaats in de ondergrondse parkeergarage met bouwnummer (…)” 3.9. In de ‘Akte van levering’ van het appartement van 27 november 2020 is een gelijkluidende bepaling opgenomen over het gebruik van ‘een’ parkeerplaats. 3.10. Omstreeks september/oktober 2022 vindt binnen het project een kijkdag (hierna: de “kijkdag”) plaats voor de kopers van de appartementen. Op deze kijkdag hebben [eisers] c.s. geconstateerd dat hun parkeergelegenheid bestaat uit één grondgebonden parkeerplaats voorzien van een parkeerlift. Met de parkeerlift kan een tweede auto boven de parkeerplaats worden geparkeerd. De verticale staanders van de parkeerlift zijn verankerd in de betonvloer binnen het parkeervak van de onderste parkeerplek. 3.11. In oktober of november 2023 heeft oplevering plaatsgevonden van het appartement met parkeerplaats en parkeerlift (hierna: de “oplevering”). 3.12. Tijdens een vergadering van de Vereniging van Eigenaars (hierna: “VvE”) op 17 juli 2024, heeft een aantal bewoners van de appartementen zich beklaagd over de parkeerplekken en de parkeerliften: “Een lid beklaagt zich over de onmogelijkheid, aan de zijde van de muur waar tegenaan geparkeerd moet worden, uit te kunnen stappen. Soortgelijk ongerief speelt bij parkeerplekken naast een draagpilaar of een liftstaander (…) Ook wordt vanuit de vergadering geconstateerd, dat sommige parkeerplekken niet aan de vereiste maatvoering zou voldoen. (…) De vergadervoorzitter sluit dit deel van de discussie af stellend: dat het ons aller streven moet zijn er zonder de rechter met elkaar uit te komen.” 3.13. Per brief van 14 oktober 2024 hebben [eisers] c.s. De KOM gesommeerd om de parkeerproblematiek op te lossen en [eisers] c.s. alsnog deugdelijke en bruikbare parkeerplaatsen te leveren zonder dat gebruik hoeft te worden gemaakt van parkeerliften. 3.14. Per brief van 8 november 2024 wijst De KOM iedere aansprakelijkheid van de hand. Volgens De KOM heeft [eisers] c.s. een parkeerplaats met parkeersysteem gekregen dat [eisers] c.s.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9612 text/xml public 2026-04-29T15:29:47 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-11 C/09/688403 HA ZA 25-613 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9612 text/html public 2026-04-29T15:29:19 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9612 Rechtbank Den Haag , 11-03-2026 / C/09/688403 HA ZA 25-613 Eisers hebben van De KOM een nieuwbouwappartement gekocht met twee parkeerplekken in een parkeergarage. Het gaat in deze zaak om vraag of De KOM op grond van de koopovereenkomst verplicht is om twee afzonderlijke parkeerplaatsen te leveren, of dat de parkeerplaats met daarop een parkeerlift die eisers hebben gekregen, aan de overeenkomst voldoet. De rechtbank oordeelt dat eisers te lang hebben gewacht met klagen bij De KOM dat zij ontevreden zijn over de parkeerplaats met parkeerlift, en wijst de vorderingen van eisers af. Door dit geslaagde beroep op de klachtplicht van artikel 7:23 BW, kan in het midden blijven of met het leveren van de parkeerplaats met parkeerlift sprake is van tekortkoming in de nakoming of non-conformiteit aan de zijde van De KOM. RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/688403 / HA ZA 25-613 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van 1. [eiser] te [woonplaats 1] , 2. [eiseres] te [woonplaats 2] , eisers, hierna samen te noemen: [eisers] c.s. advocaat: mr. R.H. Knegtering, tegen DE KIJKDUINSE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V. te Rotterdam, gedaagde, hierna te noemen: De KOM, advocaat: mr. M.S. Houweling. 1 Waar gaat deze zaak over? [eisers] c.s. hebben van De KOM een nieuwbouwappartement gekocht met twee parkeerplekken in een parkeergarage. Het gaat in deze zaak om vraag of De KOM op grond van de koopovereenkomst verplicht is om twee afzonderlijke parkeerplaatsen te leveren, of dat de parkeerplaats met daarop een parkeerlift die [eisers] c.s. hebben gekregen, aan de overeenkomst voldoet. De rechtbank oordeelt dat [eisers] c.s. te lang hebben gewacht met klagen bij De KOM dat zij ontevreden zijn over de parkeerplaats met parkeerlift, en wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af. Door dit geslaagde beroep op de klachtplicht van artikel 7:23 BW, kan in het midden blijven of met het leveren van de parkeerplaats met parkeerlift sprake is van tekortkoming in de nakoming of non-conformiteit aan de zijde van De KOM. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 26 juni 2025, met producties 1 tot en met 8; de conclusie van antwoord van 24 september 2025, met producties 1 tot en met 4; het bericht van 16 januari 2026, met producties 9 tot en met 11, namens [eisers] c.s. 2.2. Op 27 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken. Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag. 3 De feiten 3.1. [eisers] c.s. hebben in augustus 2020 een verkoopbijeenkomst bezocht van [het project] (hierna: het “project”). Het project omvat de realisatie van 154 koopappartementen verdeeld over vier gebouwen. Onder de gebouwen bevindt zich één doorlopende ondergrondse parkeergarage. 3.2. Op de verkoopbijeenkomst zijn [eisers] c.s. voorgelicht over het project door Makelaarskantoor Atta (hierna: de “verkoopmakelaar”). De verkoopmakelaar vertegenwoordigde De KOM als verkoper van de appartementsrechten van het project. 3.3. De verkoopmakelaar heeft [eisers] c.s. op 18 augustus 2020 een e-mailbericht gestuurd met het technisch ontwerp (hierna: het “TO”) en de plattegrond van het penthouse-appartement met bouwnummer [nummer] (hierna: het “appartement”). In deze e-mail licht de verkoopmakelaar de betalingsregeling van de aanneemsom toe en geeft hij bedragen voor een “ uitsplitsing koopsom incl. 2pp ”. 3.4. Het TO bevat een toelichting op het gebouw waaronder de ondergrondse stallinggarage voor auto’s (hierna: de “parkeergarage”). In deze toelichting komt de term ‘parkeersysteem’ of ‘parkeerlift’ niet voor. De term ‘parkeersysteem’ wordt in het TO wel gebruikt als aanduiding voor parkeerplaatsen voor fietsen met etagerekken. “ 2.9 Stallingsgarage De ondergrondse stallingsgarage van [het project] heeft stallingsplaatsen verdeeld over twee lagen, -1 en 0. Laag 0 is bereikbaar via hellingbanen op laag -1, is afgesloten met elektrisch bedienbare hekwerken en uitsluitend bereikbaar voor eigenaren van de stallingsplaatsen.” “ 2.10.6 Parkeersysteem Voor ieder appartement worden minimaal twee privéfietsparkeerplaatsen gereserveerd in eenvoudig te bedienen etagerekken.” 3.5. Voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst hebben [eisers] c.s. van de verkoopmakelaar de zogenaamde kopersmap (hierna: de “kopersmap”) ontvangen met onder meer appartement-specifieke informatie en de concept-splitsingsakte. Deze kopersmap bevatte tevens een prijslijst met de koopsommen van de appartementen, waarop vermeld is dat bij de aankoop van een appartement, de afname van minimaal één parkeerplaats verplicht was: “Prijslijst Verplichte afname van een parkeerplaats € 35.000 v.o.n. per stuk en € 70.000 voor de penthouses en bouwnr. G.4.01” 3.6. Bij koopovereenkomst van 8 september 2020 (hierna: de “overeenkomst”) hebben [eisers] c.s. in het project het appartementsrecht gekocht voor het appartement met parkeerplaats, waarbij ze € 70.000,00 hebben betaald voor de verplichte afname van parkeergelegenheid. 3.7. In de Akte Ondersplitsing van 3 november 2020 (hierna: de “splitsingsakte”) is benoemd dat op enkele parkeerplaatsen ‘parkeersystemen’ kunnen worden gerealiseerd: “ A. Registergoed De Eigenaar is eigenaar van: het appartementsrecht (…) omvattende: a. het recht op uitsluitend gebruik van de verdiepte parkeergarage met parkeerplaatsen, op enkele waarvan parkeersystemen gerealiseerd kunnen worden (…)”. 3.8. In de splitsingsakte is bepaald dat het appartementsrecht van [eisers] c.s. het recht op het uitsluitend gebruik van ‘een’ parkeerplaats omvat: “411. het appartementsrecht, kadastraal bekend (…), omvattende: a. het recht op het uitsluitend gebruik van een parkeerplaats in de ondergrondse parkeergarage met bouwnummer (…)” 3.9. In de ‘Akte van levering’ van het appartement van 27 november 2020 is een gelijkluidende bepaling opgenomen over het gebruik van ‘een’ parkeerplaats. 3.10. Omstreeks september/oktober 2022 vindt binnen het project een kijkdag (hierna: de “kijkdag”) plaats voor de kopers van de appartementen. Op deze kijkdag hebben [eisers] c.s. geconstateerd dat hun parkeergelegenheid bestaat uit één grondgebonden parkeerplaats voorzien van een parkeerlift. Met de parkeerlift kan een tweede auto boven de parkeerplaats worden geparkeerd. De verticale staanders van de parkeerlift zijn verankerd in de betonvloer binnen het parkeervak van de onderste parkeerplek. 3.11. In oktober of november 2023 heeft oplevering plaatsgevonden van het appartement met parkeerplaats en parkeerlift (hierna: de “oplevering”). 3.12. Tijdens een vergadering van de Vereniging van Eigenaars (hierna: “VvE”) op 17 juli 2024, heeft een aantal bewoners van de appartementen zich beklaagd over de parkeerplekken en de parkeerliften: “Een lid beklaagt zich over de onmogelijkheid, aan de zijde van de muur waar tegenaan geparkeerd moet worden, uit te kunnen stappen. Soortgelijk ongerief speelt bij parkeerplekken naast een draagpilaar of een liftstaander (…) Ook wordt vanuit de vergadering geconstateerd, dat sommige parkeerplekken niet aan de vereiste maatvoering zou voldoen. (…) De vergadervoorzitter sluit dit deel van de discussie af stellend: dat het ons aller streven moet zijn er zonder de rechter met elkaar uit te komen.” 3.13. Per brief van 14 oktober 2024 hebben [eisers] c.s. De KOM gesommeerd om de parkeerproblematiek op te lossen en [eisers] c.s. alsnog deugdelijke en bruikbare parkeerplaatsen te leveren zonder dat gebruik hoeft te worden gemaakt van parkeerliften. 3.14. Per brief van 8 november 2024 wijst De KOM iedere aansprakelijkheid van de hand. Volgens De KOM heeft [eisers] c.s. een parkeerplaats met parkeersysteem gekregen dat [eisers] c.s.
Volledig
op grond van de overeenkomst mocht verwachten, en bezitten de parkeerplekken de eigenschappen die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn. 4. Het geschil 4.1. [eisers] c.s. vordert – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: De KOM veroordeelt tot levering aan [eisers] c.s. van een tweede grondgebonden parkeerplaats in de parkeergarage van het project; Subsidiair: De KOM veroordeelt tot betaling van € 35.000,00 aan [eisers] c.s. op grond van de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst; In alle gevallen: De KOM veroordeelt tot verwijdering van de parkeerlift van de parkeerplaats van [eisers] c.s.; De KOM veroordeelt tot betaling aan [eisers] c.s. van de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van de deurwaarder. 4.2. [eisers] c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst ex artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW), nu in de overeenkomst is vastgelegd dat De KOM verplicht is om twee afzonderlijke parkeerplaatsen te leveren. Gelet op de prijs van één parkeerplaats van € 35.000,00 per stuk en de door hen betaalde prijs van € 70.000,00, mochten [eisers] c.s. twee afzonderlijke parkeerplaatsen verwachten. Daarnaast stellen [eisers] c.s. dat sprake is van non-conformiteit aan de zijde van De KOM zoals bedoeld in artikel 7:17 lid 2 BW, omdat de parkeerplaats met parkeerlift niet de eigenschappen bezit die nodig zijn voor normaal gebruik. [eisers] c.s. voeren aan dat als gevolg van de verticale staanders van de parkeerlift onvoldoende ruimte is om uit een auto te stappen, het maximale draagvermogen van de lift van 2.600 kg te laag is voor zware elektrische auto’s, en de parkeerlift beperkt is in hoogte waardoor [eisers] c.s. hun twee auto’s niet gelijktijdig kunnen parkeren. 4.3. De KOM voert verweer. Zij voert aan dat géén sprake is van een toerekenbare tekortkoming wegens non-conformiteit. Het geleverde parkeerliftsysteem voldoet immers aan de verwachtingen die [eisers] c.s. aan de overeenkomst met De KOM mochten ontlenen. De KOM stelt dat zij [eisers] c.s. voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, de informatiebrochure ‘Parkeren middels een parkeersysteem’ van 6 januari 2020 (hierna: de “brochure”) heeft gestuurd – als onderdeel van de kopersmap – waaruit [eisers] c.s. konden opmaken dat een parkeerplaats met parkeerliftsysteem zou worden gerealiseerd. Daarnaast bezit het parkeerliftsysteem volgens De KOM de eigenschappen die voor normaal gebruik nodig zijn, nu de parkeerplekken voldoen aan NEN 2443, de Nederlandse kwaliteitsnorm voor het ontwerpen van parkeergarages. De omstandigheid dat [eisers] c.s. in uitzonderlijk grote auto’s rijden – waaronder een Land Rover Defender – moet voor hun rekening en risico blijven. Daarnaast stelt De KOM dat [eisers] c.s. niet hebben voldaan aan de op hen rustende klachtplicht ex artikel 7:23 lid 1 BW, althans hebben zij hun rechten verwerkt ex artikel 6:2 jo. artikel 6:248 BW. De KOM concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s., met veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Geen beoordeling of sprake is van een tekortkoming of non-conformiteit 5.1. Volgens [eisers] c.s. zijn partijen overeengekomen dat De KOM twee afzonderlijke parkeerplaatsen aan [eisers] c.s. moet leveren. De rechtbank is het met De KOM eens dat [eisers] c.s. dit standpunt niet onderbouwen met een verwijzing naar een bepaling in de overeenkomst of splitsingsakte. Ook ter zitting kunnen [eisers] c.s. desgevraagd geen bepaling noemen waarin de levering van twee grondgebonden parkeerplaatsen expliciet is bepaald. 5.2. Standpunt van De KOM is dat [eisers] c.s. bij ondertekening van de overeenkomst bekend waren met de toepassing van het parkeerliftsysteem, omdat zij eerder de brochure over het liftsysteem hadden ontvangen. [eisers] c.s. hebben dit ter zitting weersproken. Volgens [eisers] c.s. hebben zij een kopersmap ontvangen met een plattegrond van het appartement, een TO en de splitsingsakte, maar de brochure zat daar niet bij. Pas op de kijkdag in september/oktober 2022 zijn [eisers] c.s. naar eigen zeggen bekend geworden met de toepassing van het parkeerliftsysteem, nu geen enkel verkoopdocument een verwijzing naar toepassing van een parkeerlift bevat. 5.3. Overigens overweegt de rechtbank dat een koper uit de brochure niet kan opmaken op welke parkeerplaatsen het parkeerliftsysteem zal worden toegepast. Uit de splitsingsakte blijkt immers dat een parkeersysteem op enkele parkeerplaatsen kan worden gerealiseerd, maar de overgelegde brochure bevat geen overzicht waaruit volgt welke parkeerplaatsen dat zijn. De KOM heeft ter zitting verklaard dat zij begin 2020 een dergelijk overzicht samen met de brochure en andere verkoopinformatie aan de verkopende makelaars heeft verstrekt, maar zij kan niet meer achterhalen welke informatie aan welke koper is toegestuurd. 5.4. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat voor de beoordeling van de vraag of [eisers] c.s. andere parkeerplekken geleverd hebben gekregen dan is overeengekomen dan wel andere parkeerplekken dan zij mochten verwachten, de overeenkomst moet worden uitgelegd met inachtneming van de zogeheten Haviltex-maatstaf. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechtbank komt echter niet toe aan deze materieelrechtelijke beoordeling, nu zij in van oordeel is dat het meest verstrekkende formele verweer van De KOM slaagt. De rechtbank licht dat als volgt toe. Beroep van De KOM op schending klachtplicht door [eisers] c.s. slaagt 5.5. De rechtbank is met De KOM van oordeel dat [eisers] c.s. geen beroep kunnen doen op een tekortkoming of non-conformiteit, omdat zij niet hebben voldaan aan de op hen rustende klachtplicht ex artikel 7:23 lid 1 BW. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht. 5.6. In artikel 7:23 BW is bepaald dat de koper er geen beroep meer kan doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. De bepaling beschermt de verkoper tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, door voor de koper een korte termijn voor te schrijven om over het niet beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst te klagen. [eisers] c.s. hebben niet tijdig geklaagd 5.7. Uit jurisprudentie volgt dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die een beroep op artikel 7:23 BW kunnen dragen in beginsel rusten op de schuldenaar (verkoper), omdat het door hem gevoerde verweer dat niet tijdig is geklaagd een bevrijdend verweer is. Het ligt dan ook op zijn weg voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen op welk moment de schuldeiser (koper) heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat de verrichte prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt, alsmede dat het tijdsverloop tot aan het moment waarop de schuldeiser geklaagd heeft, zo lang is geweest dat niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in artikel 7:23 BW. Er geldt echter een bijzondere regel van bewijslastverdeling als bedoeld in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat indien de schuldenaar het verweer voert dat niet tijdig is geklaagd, het op de weg van de schuldeiser (koper) ligt om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welk tijdstip hij heeft geklaagd. 5.8. Het is niet in geschil dat [eisers] c.s. in ieder geval op de kijkdag in september/oktober 2022 hebben geconstateerd dat zij een parkeerplaats met parkeerlift geleverd zouden krijgen. 5.9. De KOM voert aan dat [eisers] c.s.
Volledig
op grond van de overeenkomst mocht verwachten, en bezitten de parkeerplekken de eigenschappen die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn. 4. Het geschil 4.1. [eisers] c.s. vordert – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: De KOM veroordeelt tot levering aan [eisers] c.s. van een tweede grondgebonden parkeerplaats in de parkeergarage van het project; Subsidiair: De KOM veroordeelt tot betaling van € 35.000,00 aan [eisers] c.s. op grond van de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst; In alle gevallen: De KOM veroordeelt tot verwijdering van de parkeerlift van de parkeerplaats van [eisers] c.s.; De KOM veroordeelt tot betaling aan [eisers] c.s. van de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van de deurwaarder. 4.2. [eisers] c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst ex artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW), nu in de overeenkomst is vastgelegd dat De KOM verplicht is om twee afzonderlijke parkeerplaatsen te leveren. Gelet op de prijs van één parkeerplaats van € 35.000,00 per stuk en de door hen betaalde prijs van € 70.000,00, mochten [eisers] c.s. twee afzonderlijke parkeerplaatsen verwachten. Daarnaast stellen [eisers] c.s. dat sprake is van non-conformiteit aan de zijde van De KOM zoals bedoeld in artikel 7:17 lid 2 BW, omdat de parkeerplaats met parkeerlift niet de eigenschappen bezit die nodig zijn voor normaal gebruik. [eisers] c.s. voeren aan dat als gevolg van de verticale staanders van de parkeerlift onvoldoende ruimte is om uit een auto te stappen, het maximale draagvermogen van de lift van 2.600 kg te laag is voor zware elektrische auto’s, en de parkeerlift beperkt is in hoogte waardoor [eisers] c.s. hun twee auto’s niet gelijktijdig kunnen parkeren. 4.3. De KOM voert verweer. Zij voert aan dat géén sprake is van een toerekenbare tekortkoming wegens non-conformiteit. Het geleverde parkeerliftsysteem voldoet immers aan de verwachtingen die [eisers] c.s. aan de overeenkomst met De KOM mochten ontlenen. De KOM stelt dat zij [eisers] c.s. voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, de informatiebrochure ‘Parkeren middels een parkeersysteem’ van 6 januari 2020 (hierna: de “brochure”) heeft gestuurd – als onderdeel van de kopersmap – waaruit [eisers] c.s. konden opmaken dat een parkeerplaats met parkeerliftsysteem zou worden gerealiseerd. Daarnaast bezit het parkeerliftsysteem volgens De KOM de eigenschappen die voor normaal gebruik nodig zijn, nu de parkeerplekken voldoen aan NEN 2443, de Nederlandse kwaliteitsnorm voor het ontwerpen van parkeergarages. De omstandigheid dat [eisers] c.s. in uitzonderlijk grote auto’s rijden – waaronder een Land Rover Defender – moet voor hun rekening en risico blijven. Daarnaast stelt De KOM dat [eisers] c.s. niet hebben voldaan aan de op hen rustende klachtplicht ex artikel 7:23 lid 1 BW, althans hebben zij hun rechten verwerkt ex artikel 6:2 jo. artikel 6:248 BW. De KOM concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s., met veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Geen beoordeling of sprake is van een tekortkoming of non-conformiteit 5.1. Volgens [eisers] c.s. zijn partijen overeengekomen dat De KOM twee afzonderlijke parkeerplaatsen aan [eisers] c.s. moet leveren. De rechtbank is het met De KOM eens dat [eisers] c.s. dit standpunt niet onderbouwen met een verwijzing naar een bepaling in de overeenkomst of splitsingsakte. Ook ter zitting kunnen [eisers] c.s. desgevraagd geen bepaling noemen waarin de levering van twee grondgebonden parkeerplaatsen expliciet is bepaald. 5.2. Standpunt van De KOM is dat [eisers] c.s. bij ondertekening van de overeenkomst bekend waren met de toepassing van het parkeerliftsysteem, omdat zij eerder de brochure over het liftsysteem hadden ontvangen. [eisers] c.s. hebben dit ter zitting weersproken. Volgens [eisers] c.s. hebben zij een kopersmap ontvangen met een plattegrond van het appartement, een TO en de splitsingsakte, maar de brochure zat daar niet bij. Pas op de kijkdag in september/oktober 2022 zijn [eisers] c.s. naar eigen zeggen bekend geworden met de toepassing van het parkeerliftsysteem, nu geen enkel verkoopdocument een verwijzing naar toepassing van een parkeerlift bevat. 5.3. Overigens overweegt de rechtbank dat een koper uit de brochure niet kan opmaken op welke parkeerplaatsen het parkeerliftsysteem zal worden toegepast. Uit de splitsingsakte blijkt immers dat een parkeersysteem op enkele parkeerplaatsen kan worden gerealiseerd, maar de overgelegde brochure bevat geen overzicht waaruit volgt welke parkeerplaatsen dat zijn. De KOM heeft ter zitting verklaard dat zij begin 2020 een dergelijk overzicht samen met de brochure en andere verkoopinformatie aan de verkopende makelaars heeft verstrekt, maar zij kan niet meer achterhalen welke informatie aan welke koper is toegestuurd. 5.4. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat voor de beoordeling van de vraag of [eisers] c.s. andere parkeerplekken geleverd hebben gekregen dan is overeengekomen dan wel andere parkeerplekken dan zij mochten verwachten, de overeenkomst moet worden uitgelegd met inachtneming van de zogeheten Haviltex-maatstaf. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechtbank komt echter niet toe aan deze materieelrechtelijke beoordeling, nu zij in van oordeel is dat het meest verstrekkende formele verweer van De KOM slaagt. De rechtbank licht dat als volgt toe. Beroep van De KOM op schending klachtplicht door [eisers] c.s. slaagt 5.5. De rechtbank is met De KOM van oordeel dat [eisers] c.s. geen beroep kunnen doen op een tekortkoming of non-conformiteit, omdat zij niet hebben voldaan aan de op hen rustende klachtplicht ex artikel 7:23 lid 1 BW. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht. 5.6. In artikel 7:23 BW is bepaald dat de koper er geen beroep meer kan doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. De bepaling beschermt de verkoper tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, door voor de koper een korte termijn voor te schrijven om over het niet beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst te klagen. [eisers] c.s. hebben niet tijdig geklaagd 5.7. Uit jurisprudentie volgt dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die een beroep op artikel 7:23 BW kunnen dragen in beginsel rusten op de schuldenaar (verkoper), omdat het door hem gevoerde verweer dat niet tijdig is geklaagd een bevrijdend verweer is. Het ligt dan ook op zijn weg voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen op welk moment de schuldeiser (koper) heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat de verrichte prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt, alsmede dat het tijdsverloop tot aan het moment waarop de schuldeiser geklaagd heeft, zo lang is geweest dat niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in artikel 7:23 BW. Er geldt echter een bijzondere regel van bewijslastverdeling als bedoeld in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat indien de schuldenaar het verweer voert dat niet tijdig is geklaagd, het op de weg van de schuldeiser (koper) ligt om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welk tijdstip hij heeft geklaagd. 5.8. Het is niet in geschil dat [eisers] c.s. in ieder geval op de kijkdag in september/oktober 2022 hebben geconstateerd dat zij een parkeerplaats met parkeerlift geleverd zouden krijgen. 5.9. De KOM voert aan dat [eisers] c.s.
Volledig
zich niet na de kijkdag in 2022, en ook niet na de oplevering in oktober/november 2023, tot De KOM hebben gewend met klachten over de parkeerplekken. Volgens De KOM hebben [eisers] c.s. na de ontdekking van de parkeerlift in 2022, twee jaar gewacht totdat zij bij brief van 14 oktober 2024 bij De KOM hebben geklaagd en haar hebben gesommeerd om deugdelijke parkeerplaatsen te leveren zonder parkeerlift. Volgens De KOM hebben [eisers] c.s. daarmee te laat geklaagd, zodat zij geen beroep meer kunnen doen op een tekortkoming of non-conformiteit. 5.10. [eisers] c.s. hebben ter zitting weersproken dat zij voor het eerst in 2024 hebben geklaagd. Volgens [eisers] c.s. hebben zij op de kijkdag in 2022 bij de aannemer aangegeven dat zij geen parkeerplaats met parkeerlift hadden gekocht. Ook hebben [eisers] c.s. verklaard dat zij bij de oplevering in 2023 bij de aannemer hebben geklaagd dat zij niet akkoord gaan met de parkeerplekken met parkeerlift. [eisers] c.s. heeft ter zitting nog aangevoerd dat het bestuur van de VvE in 2024 naar alle leden heeft gecommuniceerd dat er gesprekken gaande waren met de ontwikkelaar over de parkeerliften. Ten slotte wijzen [eisers] c.s. erop dat een buurman in een rechtszaak tegen De KOM over de parkeerlift in het gelijk zou zijn gesteld, maar dat het vonnis niet openbaar is gemaakt. De KOM heeft betwist dat zij wist dat er een probleem was met de parkeerliften en stelt dat zij daarover niet eerder is geïnformeerd dan per brief van [eisers] c.s. in oktober 2024. 5.11. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [eisers] c.s. eerder dan oktober 2024 bij de KOM hebben geklaagd over de parkeerlift. Gelet op de bewijslastverdeling van artikel 150 Rv had het op de weg van [eisers] c.s. gelegen om de betwisting door De KOM te weerleggen, bijvoorbeeld met een schriftelijke vastlegging van hun klacht bij de aannemer op de kijkdag in 2022 of een proces verbaal/rapport van oplevering van oktober/november 2023 waarin de klacht is opgenomen. Nu [eisers] c.s. dit hebben nagelaten, hebben zij op dit punt onvoldoende gesteld en wordt aan nadere bewijslevering niet toegekomen. Slotsom is dat [eisers] c.s. voor het eerst bij brief van 14 oktober 2024 bij De KOM hebben geklaagd over de parkeerlift. De KOM is in zijn belang geschaad door de late klacht 5.12. Bij de beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd, is ook van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband moet de rechter rekening houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren – te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend. 5.13. De rechtbank volgt De KOM in haar standpunt dat zij in haar belangen is geschaad doordat [eisers] c.s. niet eerder dan in oktober 2024 hebben geklaagd over de parkeerlift. Nu [eisers] c.s. na oplevering de parkeerplaats met parkeerlift in gebruik hadden genomen, en niet vast is komen te staan dat dat onder protest was, had De KOM geen rekening gehouden met een klacht op grond van non-conformiteit. De KOM had de gevolgen van de klacht echter kunnen beperken als [eisers] c.s. meteen hadden geklaagd op de kijkdag in september/oktober 2022, dan wel direct na oplevering in 2023. De KOM heeft ter zitting verklaard dat het liftsysteem in 2022 niet geplaatst of tegen geringe kosten verwijderd had kunnen worden, omdat de aannemer nog met materieel op locatie aanwezig was. De KOM heeft verder toegelicht dat zij op dit moment ook geen vrije grondgebonden parkeerplaatsen meer in eigendom heeft, maar dat dit in 2022 mogelijk anders was zodat eventueel een oplossing gevonden had kunnen worden. De rechtbank is het ook eens met De KOM dat zij in haar bewijspositie is geschaad doordat zij nu in deze procedure niet meer kan achterhalen of haar verkoopmakelaars in 2020 aan [eisers] c.s. de brochure met een overzicht van de parkeergarage hebben gestuurd. 5.14. Het verweer van [eisers] c.s. dat De KOM geen beroep toekomt op schending van de klachtplicht, omdat bij het ontbreken van de prestatie de klachtplicht niet van toepassing is, wordt verworpen. Nu De KOM twee parkeerplekken heeft geleverd, valt niet in te zien dat zij in het geheel geen prestatie heeft verricht, zodat ten aanzien van beide parkeerplekken mogelijk sprake is van een gebrek in de prestatie als bedoeld in artikel 6:89 BW en artikel 7:23 BW en de klachtplicht van toepassing is. De vorderingen van [eisers] c.s. worden afgewezen 5.15. Gezien het voorgaande is de rechtbank met De KOM van oordeel dat [eisers] c.s. niet binnen bekwame tijd hebben geprotesteerd en dat De KOM daardoor in haar belangen is geschaad. Slotsom is dat [eisers] c.s. hun klachtplicht hebben geschonden zodat hun vorderingen zullen worden afgewezen. Daarmee kan in het midden blijven of sprake is van tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst of non-conformiteit aan de zijde van De KOM. [eisers] c.s. moeten de proceskosten betalen 5.16. Het uitgangspunt op grond van artikel 237 lid 1 Rv is dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten. Aldus moet [eisers] c.s., als de in het ongelijk gesteld partij, de proceskosten (inclusief nakosten) van De KOM betalen. De proceskosten van De KOM worden begroot op: - griffierecht: € 2.995,00 - salaris advocaat: € 1.672,00 (2 punten à € 836,00, tarief III) - nakosten: € 189,00 (plus € 92 als het vonnis wordt betekend) + Totaal: € 4.856,00 5.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af, 6.2. veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van De KOM begroot op € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] c.s. niet tijdig betalen en het vonnis daarna wordt betekend, moeten [eisers] c.s. € 98,00 extra betalen, plus de kosten van de betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. Type: 3593 HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, r.o. 4.2.2; Parl. Gesch. Boek 7, p. 146. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195. HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733, r.o. 4.8.4; HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, r.o. 5.6.2. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, r.o. 4.2.6. HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278, r.o. 3.3 jo. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, r.o. 4.2.2.
Volledig
zich niet na de kijkdag in 2022, en ook niet na de oplevering in oktober/november 2023, tot De KOM hebben gewend met klachten over de parkeerplekken. Volgens De KOM hebben [eisers] c.s. na de ontdekking van de parkeerlift in 2022, twee jaar gewacht totdat zij bij brief van 14 oktober 2024 bij De KOM hebben geklaagd en haar hebben gesommeerd om deugdelijke parkeerplaatsen te leveren zonder parkeerlift. Volgens De KOM hebben [eisers] c.s. daarmee te laat geklaagd, zodat zij geen beroep meer kunnen doen op een tekortkoming of non-conformiteit. 5.10. [eisers] c.s. hebben ter zitting weersproken dat zij voor het eerst in 2024 hebben geklaagd. Volgens [eisers] c.s. hebben zij op de kijkdag in 2022 bij de aannemer aangegeven dat zij geen parkeerplaats met parkeerlift hadden gekocht. Ook hebben [eisers] c.s. verklaard dat zij bij de oplevering in 2023 bij de aannemer hebben geklaagd dat zij niet akkoord gaan met de parkeerplekken met parkeerlift. [eisers] c.s. heeft ter zitting nog aangevoerd dat het bestuur van de VvE in 2024 naar alle leden heeft gecommuniceerd dat er gesprekken gaande waren met de ontwikkelaar over de parkeerliften. Ten slotte wijzen [eisers] c.s. erop dat een buurman in een rechtszaak tegen De KOM over de parkeerlift in het gelijk zou zijn gesteld, maar dat het vonnis niet openbaar is gemaakt. De KOM heeft betwist dat zij wist dat er een probleem was met de parkeerliften en stelt dat zij daarover niet eerder is geïnformeerd dan per brief van [eisers] c.s. in oktober 2024. 5.11. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [eisers] c.s. eerder dan oktober 2024 bij de KOM hebben geklaagd over de parkeerlift. Gelet op de bewijslastverdeling van artikel 150 Rv had het op de weg van [eisers] c.s. gelegen om de betwisting door De KOM te weerleggen, bijvoorbeeld met een schriftelijke vastlegging van hun klacht bij de aannemer op de kijkdag in 2022 of een proces verbaal/rapport van oplevering van oktober/november 2023 waarin de klacht is opgenomen. Nu [eisers] c.s. dit hebben nagelaten, hebben zij op dit punt onvoldoende gesteld en wordt aan nadere bewijslevering niet toegekomen. Slotsom is dat [eisers] c.s. voor het eerst bij brief van 14 oktober 2024 bij De KOM hebben geklaagd over de parkeerlift. De KOM is in zijn belang geschaad door de late klacht 5.12. Bij de beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd, is ook van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband moet de rechter rekening houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren – te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend. 5.13. De rechtbank volgt De KOM in haar standpunt dat zij in haar belangen is geschaad doordat [eisers] c.s. niet eerder dan in oktober 2024 hebben geklaagd over de parkeerlift. Nu [eisers] c.s. na oplevering de parkeerplaats met parkeerlift in gebruik hadden genomen, en niet vast is komen te staan dat dat onder protest was, had De KOM geen rekening gehouden met een klacht op grond van non-conformiteit. De KOM had de gevolgen van de klacht echter kunnen beperken als [eisers] c.s. meteen hadden geklaagd op de kijkdag in september/oktober 2022, dan wel direct na oplevering in 2023. De KOM heeft ter zitting verklaard dat het liftsysteem in 2022 niet geplaatst of tegen geringe kosten verwijderd had kunnen worden, omdat de aannemer nog met materieel op locatie aanwezig was. De KOM heeft verder toegelicht dat zij op dit moment ook geen vrije grondgebonden parkeerplaatsen meer in eigendom heeft, maar dat dit in 2022 mogelijk anders was zodat eventueel een oplossing gevonden had kunnen worden. De rechtbank is het ook eens met De KOM dat zij in haar bewijspositie is geschaad doordat zij nu in deze procedure niet meer kan achterhalen of haar verkoopmakelaars in 2020 aan [eisers] c.s. de brochure met een overzicht van de parkeergarage hebben gestuurd. 5.14. Het verweer van [eisers] c.s. dat De KOM geen beroep toekomt op schending van de klachtplicht, omdat bij het ontbreken van de prestatie de klachtplicht niet van toepassing is, wordt verworpen. Nu De KOM twee parkeerplekken heeft geleverd, valt niet in te zien dat zij in het geheel geen prestatie heeft verricht, zodat ten aanzien van beide parkeerplekken mogelijk sprake is van een gebrek in de prestatie als bedoeld in artikel 6:89 BW en artikel 7:23 BW en de klachtplicht van toepassing is. De vorderingen van [eisers] c.s. worden afgewezen 5.15. Gezien het voorgaande is de rechtbank met De KOM van oordeel dat [eisers] c.s. niet binnen bekwame tijd hebben geprotesteerd en dat De KOM daardoor in haar belangen is geschaad. Slotsom is dat [eisers] c.s. hun klachtplicht hebben geschonden zodat hun vorderingen zullen worden afgewezen. Daarmee kan in het midden blijven of sprake is van tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst of non-conformiteit aan de zijde van De KOM. [eisers] c.s. moeten de proceskosten betalen 5.16. Het uitgangspunt op grond van artikel 237 lid 1 Rv is dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten. Aldus moet [eisers] c.s., als de in het ongelijk gesteld partij, de proceskosten (inclusief nakosten) van De KOM betalen. De proceskosten van De KOM worden begroot op: - griffierecht: € 2.995,00 - salaris advocaat: € 1.672,00 (2 punten à € 836,00, tarief III) - nakosten: € 189,00 (plus € 92 als het vonnis wordt betekend) + Totaal: € 4.856,00 5.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af, 6.2. veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van De KOM begroot op € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] c.s. niet tijdig betalen en het vonnis daarna wordt betekend, moeten [eisers] c.s. € 98,00 extra betalen, plus de kosten van de betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. Type: 3593 HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, r.o. 4.2.2; Parl. Gesch. Boek 7, p. 146. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195. HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733, r.o. 4.8.4; HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, r.o. 5.6.2. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, r.o. 4.2.6. HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278, r.o. 3.3 jo. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, r.o. 4.2.2.