Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:8017
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,411 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18780
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Griekse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1.1.
De minister heeft op 10 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.3.
De minister heeft op 25 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Overwegingen
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, gaat het hier om de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend omdat het voortduren van de bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 25 maart 2025 (in de zaak NL25.10984). Voor deze zaak is dus van belang wat er tussen 21 maart 2025 en 25 april 2025 is gebeurd.
Standpunten eiser
5. Eiser stelt dat zijn bewaring veel te lang heeft geduurd. De duur van de bewaring voor een onderdaan van een derde land is maximaal zes maanden. Voor een Unieburger, zoals eiser, geldt een veel kortere termijn. Eiser verwijst naar het arrest Ordre des barreaux. Uit dat arrest volgt volgens eiser dat de minister voor bewaring van een Unieburger niet de maximale duur van zes maanden kan aanhouden zonder dat dat strijd oplevert met het evenredigheidsbeginsel.
5.1.
Eiser stelt dat in zijn geval de bewaring na 2 maanden had moeten worden opgeheven. Alles langer dan 2 maanden is onevenredig. Eiser betoogt dat de bewaring onrechtmatig is vanaf 10 maart 2025 of in ieder geval sinds de vorige uitspraak van 25 maart 2025.
Oordeel rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van opheffen niet onrechtmatig is geweest. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat de bewaring te lang heeft geduurd. De Afdeling heeft in een uitspraak van 23 februari 2022 nadere uitleg gegeven aan het arrest waar eiser naar verwijst. Uit deze uitspraak volgt dat in bewaringstelling van een Unieburger mogelijk is indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. De voorwaarde dat dat de bewaring niet langer dient te duren dan noodzakelijk om de benodigde reisdocumenten te verkrijgen en de verwijdering te organiseren is de voorwaarde waarover in deze zaak onenigheid bestaat.
6.1.
Eiser heeft drie maanden en twee weken in bewaring doorgebracht, dit is beduidend korter dan de maximale duur van bewaring bij onderdanen van derde landen. De minister heeft deze termijn nodig gehad om de benodigde documenten te verkrijgen en de verwijdering van eiser te kunnen organiseren. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld of dat het zicht op uitzetting ontbrak. Ook in de periode waar het hier om gaat (van 21 maart tot 25 april 2025) heeft de minister meer dan gebruikelijke voortvarendheid bij de uitzetting van eiser laten zien. Zo is op 15 april 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd, zijn de vluchtgegevens op 22 april 2025 bekend gemaakt, is eiser op 24 april 2025 gepresenteerd bij de Griekse autoriteiten en is eiser op 25 april 2025 per vliegtuig teruggekeerd naar Griekenland. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
6.2.
De rechtbank ziet ook verder geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring in de genoemde periode onrechtmatig was.
Conclusie
7. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de bewaring in de periode van 21 maart tot aan de opheffing op 25 april 2025 niet onrechtmatig is geweest. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2025 door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt en door middel van gepseudonimiseerde publicatie openbaar gemaakt op rechtspraak.nl op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Zoals volgt uit artikel 59, vijfde lid van de Vreemdelingenwet 2000
ECLI:EU:C:2021:505, punten 66 t/m 71.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:562.