Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:27823
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,098 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27823 text/xml public 2026-04-14T16:18:19 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-10 NL25.29484 en NL25.45340 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27823 text/html public 2026-04-14T16:17:26 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27823 Rechtbank Den Haag , 10-11-2025 / NL25.29484 en NL25.45340 Asiel. Het beroep niet-tijdig verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk nu verweerder alsnog een besluit heeft genomen. Wel wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten. Het inhoudelijke beroep tegen het alsnog genomen besluit is gegrond. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waaruit volgt dat het voor eiser niet van bijzonder belang is om zijn geloof als Ahmadi-moslim te belijden op een wijze die hem zou blootstellen aan vervolging. Vooral gezien de verslechterde situatie. Het bestreden besluit bevat een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.29484 en NL25.45340 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. F.H. Bruggink), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Erdal). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser, gericht tegen zowel het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag als de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 17 augustus 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Momand als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Binnen de islam behoort eiser tot de groep Ahmadi. Al sinds zijn geboorte heeft eiser daardoor last van discriminatie. Eiser is in 2012 gestart met een functie bij een Pakistaanse afdeling van de WHO. In september 2022 is een collega erachter gekomen dat eiser Ahmadi is, iets wat eiser niet openlijk uitdraagt, en wat nu tot problemen heeft geleid. Enkele dagen later zijn zogeheten molvi’s (islamitisch geleerden) boos naar de WHO-locatie gekomen, omdat zij niet wilden dat eiser zijn geloof aan kinderen door zou geven. De molvi’s hebben hierover ook geklaagd bij de politie. Door een andere collega is eiser gewaarschuwd om weg te blijven, omdat de molvi’s eiser dood wilde hebben. Eiser is enige tijd ondergedoken geweest bij zijn broer. Ondertussen hebben de molvi’s eisers huis (waar zijn vrouw en kinderen verbleven) belaagd en heeft de politie een inval gedaan. Met behulp van zijn broer heeft eiser een reisagent gevonden die hem kon helpen en, na een korte tijd weer terug thuis, is eiser gevlucht. Bij terugkeer vreest eiser vervolgd of gedood te worden. Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Daarnaast wordt ook geloofd dat eiser vanwege zijn geloof discriminatie heeft ondervonden en dat het voor hem niet mogelijk is geweest zijn geloof openlijk te belijden. De problemen die eiser vanaf september 2022 heeft ondervonden worden echter niet geloofd. Hiertoe overweegt verweerder dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ondanks dat Ahmadi tot een risicoprofiel behoren wordt niet aannemelijk gevonden dat eiser bij terugkeer zal worden vervolgd en gedood door de autoriteiten en/of de molvi. Dit nu uit de verklaringen van eiser niet kan worden afgeleid dat hij zelf grote problemen met hen heeft ervaren en persoonlijk gevaar loopt. De gestelde beperking voor wat betreft het uiten van zijn geloof en de ervaren discriminatie is niet voldoende zwaarwegend gebleken. Verder neemt verweerder geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM aan. De aanvraag van eiser wordt daarom afgewezen als ongegrond en hem wordt een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Eiser stelt voorop dat verweerder met het bestreden besluit onvoldoende op zijn zienswijze heeft gereageerd. Hij beschouwt zijn zienswijze dan ook als herhaald en ingelast. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte eisers gestelde problemen ongeloofwaardig geacht. Zo gaat verweerder eraan voorbij dat eiser na het ontstaan van zijn problemen ondergedoken heeft gezeten en dat eiser in de periode van 2008 tot 2022 wel problemen heeft ervaren. Een ondergedoken bestaan biedt daarbij geen toekomstperspectief voor een normaal leven zonder vrees voor vervolging. Voor wat betreft eisers bezoeken aan zijn huis en familie in de periode dat hij ondergedoken zat, benadrukt eiser dat hij dit uit voorzorg enkel ’s nachts deed. Ook is het incident waarbij eiser is gezien met zijn jinah cap, waardoor bekend werd dat hij tot de Ahmadi gemeenschap behoorde, aannemelijk. Het door verweerder gehanteerde criterium, te weten dat het gaat om de vraag of de beperkingen voor wat betreft het praktiseren van zijn geloof van zodanige aard zijn dat de geloofsuitoefening hierdoor onmogelijk wordt gemaakt, is rechtens nergens op gebaseerd en is dan ook onjuist. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 oktober 2015 en van 12 juni 2024 . De noodzaak voor een goede beoordeling hiervan blijkt verder uit de in de zienswijze genoemde landeninformatie en uit een Pakistaanse uitspraak inzake [naam] uit 2024 waaruit volgt dat Ahmadi zelfs in hun huis niet meer straffeloos mogen bidden. Wat is het oordeel van de rechtbank? Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag – NL25.29484 4.1. De rechtbank stelt de volgende gang van zaken vast. Nadat verweerder niet op tijd had beslist op zijn asielaanvraag van 17 augustus 2023 heeft eiser tegen het niet-tijdig beslissen beroep ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van 28 januari 2025 door deze rechtbank gegrond verklaard. Hierbij is verweerder opgedragen om binnen acht weken bij eiser een nader gehoor af te nemen en binnen acht weken daarna en in ieder geval binnen zestien weken te beslissen. Dit op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag tot een maximum van € 7.500,-. Verweerder heeft ondanks de uitspraak van 28 januari 2025 niet binnen de gestelde termijn een nader gehoor afgenomen en heeft de maximale dwangsom verbeurd. Eiser heeft op 3 juli 2025 opnieuw onderhavig beroep ingediend tegen het (wederom) niet tijdig beslissen van verweerder. 4.2. Op 11 september 2025 heeft verweerder alsnog op de asielaanvraag van eiser beslist. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen, daarom niet-ontvankelijk. Wel heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank veroordeelt verweerder in deze kosten, ie worden vastgesteld op € 453,50 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- met een wegingsfactor 0,5) . De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreven. 4.3. De rechtbank zal dit beroep, voor zover het is gericht tegen het uiteindelijk genomen besluit, verder hieronder inhoudelijk behandelen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27823 text/xml public 2026-04-14T16:18:19 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-10 NL25.29484 en NL25.45340 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27823 text/html public 2026-04-14T16:17:26 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27823 Rechtbank Den Haag , 10-11-2025 / NL25.29484 en NL25.45340 Asiel. Het beroep niet-tijdig verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk nu verweerder alsnog een besluit heeft genomen. Wel wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten. Het inhoudelijke beroep tegen het alsnog genomen besluit is gegrond. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waaruit volgt dat het voor eiser niet van bijzonder belang is om zijn geloof als Ahmadi-moslim te belijden op een wijze die hem zou blootstellen aan vervolging. Vooral gezien de verslechterde situatie. Het bestreden besluit bevat een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.29484 en NL25.45340 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. F.H. Bruggink), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Erdal). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser, gericht tegen zowel het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag als de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 17 augustus 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Momand als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Binnen de islam behoort eiser tot de groep Ahmadi. Al sinds zijn geboorte heeft eiser daardoor last van discriminatie. Eiser is in 2012 gestart met een functie bij een Pakistaanse afdeling van de WHO. In september 2022 is een collega erachter gekomen dat eiser Ahmadi is, iets wat eiser niet openlijk uitdraagt, en wat nu tot problemen heeft geleid. Enkele dagen later zijn zogeheten molvi’s (islamitisch geleerden) boos naar de WHO-locatie gekomen, omdat zij niet wilden dat eiser zijn geloof aan kinderen door zou geven. De molvi’s hebben hierover ook geklaagd bij de politie. Door een andere collega is eiser gewaarschuwd om weg te blijven, omdat de molvi’s eiser dood wilde hebben. Eiser is enige tijd ondergedoken geweest bij zijn broer. Ondertussen hebben de molvi’s eisers huis (waar zijn vrouw en kinderen verbleven) belaagd en heeft de politie een inval gedaan. Met behulp van zijn broer heeft eiser een reisagent gevonden die hem kon helpen en, na een korte tijd weer terug thuis, is eiser gevlucht. Bij terugkeer vreest eiser vervolgd of gedood te worden. Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Daarnaast wordt ook geloofd dat eiser vanwege zijn geloof discriminatie heeft ondervonden en dat het voor hem niet mogelijk is geweest zijn geloof openlijk te belijden. De problemen die eiser vanaf september 2022 heeft ondervonden worden echter niet geloofd. Hiertoe overweegt verweerder dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ondanks dat Ahmadi tot een risicoprofiel behoren wordt niet aannemelijk gevonden dat eiser bij terugkeer zal worden vervolgd en gedood door de autoriteiten en/of de molvi. Dit nu uit de verklaringen van eiser niet kan worden afgeleid dat hij zelf grote problemen met hen heeft ervaren en persoonlijk gevaar loopt. De gestelde beperking voor wat betreft het uiten van zijn geloof en de ervaren discriminatie is niet voldoende zwaarwegend gebleken. Verder neemt verweerder geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM aan. De aanvraag van eiser wordt daarom afgewezen als ongegrond en hem wordt een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Eiser stelt voorop dat verweerder met het bestreden besluit onvoldoende op zijn zienswijze heeft gereageerd. Hij beschouwt zijn zienswijze dan ook als herhaald en ingelast. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte eisers gestelde problemen ongeloofwaardig geacht. Zo gaat verweerder eraan voorbij dat eiser na het ontstaan van zijn problemen ondergedoken heeft gezeten en dat eiser in de periode van 2008 tot 2022 wel problemen heeft ervaren. Een ondergedoken bestaan biedt daarbij geen toekomstperspectief voor een normaal leven zonder vrees voor vervolging. Voor wat betreft eisers bezoeken aan zijn huis en familie in de periode dat hij ondergedoken zat, benadrukt eiser dat hij dit uit voorzorg enkel ’s nachts deed. Ook is het incident waarbij eiser is gezien met zijn jinah cap, waardoor bekend werd dat hij tot de Ahmadi gemeenschap behoorde, aannemelijk. Het door verweerder gehanteerde criterium, te weten dat het gaat om de vraag of de beperkingen voor wat betreft het praktiseren van zijn geloof van zodanige aard zijn dat de geloofsuitoefening hierdoor onmogelijk wordt gemaakt, is rechtens nergens op gebaseerd en is dan ook onjuist. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 oktober 2015 en van 12 juni 2024 . De noodzaak voor een goede beoordeling hiervan blijkt verder uit de in de zienswijze genoemde landeninformatie en uit een Pakistaanse uitspraak inzake [naam] uit 2024 waaruit volgt dat Ahmadi zelfs in hun huis niet meer straffeloos mogen bidden. Wat is het oordeel van de rechtbank? Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag – NL25.29484 4.1. De rechtbank stelt de volgende gang van zaken vast. Nadat verweerder niet op tijd had beslist op zijn asielaanvraag van 17 augustus 2023 heeft eiser tegen het niet-tijdig beslissen beroep ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van 28 januari 2025 door deze rechtbank gegrond verklaard. Hierbij is verweerder opgedragen om binnen acht weken bij eiser een nader gehoor af te nemen en binnen acht weken daarna en in ieder geval binnen zestien weken te beslissen. Dit op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag tot een maximum van € 7.500,-. Verweerder heeft ondanks de uitspraak van 28 januari 2025 niet binnen de gestelde termijn een nader gehoor afgenomen en heeft de maximale dwangsom verbeurd. Eiser heeft op 3 juli 2025 opnieuw onderhavig beroep ingediend tegen het (wederom) niet tijdig beslissen van verweerder. 4.2. Op 11 september 2025 heeft verweerder alsnog op de asielaanvraag van eiser beslist. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen, daarom niet-ontvankelijk. Wel heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank veroordeelt verweerder in deze kosten, ie worden vastgesteld op € 453,50 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- met een wegingsfactor 0,5) . De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreven. 4.3. De rechtbank zal dit beroep, voor zover het is gericht tegen het uiteindelijk genomen besluit, verder hieronder inhoudelijk behandelen.
Volledig
Het beroep tegen het alsnog genomen besluit – NL25.29484 5. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eiser van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 11 september 2025. 5.1. Eiser heeft tegen dit besluit ook afzonderlijk beroep ingesteld (zaaknummer NL25.45340). De door eiser in die beroepszaak ingediende gronden merkt de rechtbank aan als een aanvulling op het bij de rechtbank al ingediende beroep tegen het niet-tijdig beslissen met zaaknummer NL25.29484. Herhaald en ingelast 6. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van de zienswijze kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van oordeel is dat het besluit onrechtmatig tot stand gekomen is dan wel gebreken bevat. Dit wordt dan ook niet aangemerkt als een beroepsgrond. De rechtbank zal zich in de behandeling beperken tot de gronden zoals deze in beroep zijn aangevoerd en toegelicht. Geloofsuitoefening bij terugkeer 7. Verweerder heeft in het voornemen en het besteden besluit eiser tegengeworpen dat de beperking in de uiting van zijn geloof bij terugkeer naar Pakistan, niet voldoende zwaarwegend is. Het enkele gegeven dat eiser zijn geloof in Pakistan niet hetzelfde kan uiten zoals hij dat in Nederland kan, is onvoldoende, zoals ook wordt beschreven in paragraaf C2/3.2.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Daarnaast heeft eiser in Haldabarad zijn geloof kunnen belijden in een Ahmadi-moskee en ziet verweerder niet in waarom eiser bij terugkeer zijn geloof niet op dezelfde manier kan belijden. Er is namelijk geen dermate groot verschil tussen de wijze dat eiser hier zijn geloof belijd en zoals eiser dat in Pakistan deed. Eiser heeft in Pakistan volgens verweerder dan ook wel degelijk op betekenisvolle wijze uiting aan zijn geloof kunnen geven. 8. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Daartoe is het volgende redengevend. 8.1. Uit het nader gehoor van eiser blijkt dat zijn geloof heel veel voor hem betekent. Hij verklaart vanaf zijn geboorte te zijn opgegroeid als Amhadi-moslim, maar vanwege de beperkingen die Amhadi worden opgelegd heeft hij nooit de religieuze opvoeding kunnen krijgen die daarbij hoorde. Dit werkt door in de religieuze opvoeding van zijn kinderen, die hij maar beperkt kan geven en waar hij zich schuldig over voelt. Bidden deed eiser in het geheim en als hij naar de moskee ging, ging hij tussen twee tijden bidden. Het tekenen van een verklaring dat hij niet gelooft in de profeet Mohammed was voor hem heel pijnlijk. Eiser wil zijn geloof vrij kunnen uiten en belijden, onder andere door (met zijn kinderen) dagelijks de koran te lezen, religieuze literatuur en islamitische boeken te lezen en wekelijkse of maandelijkse bijeenkomsten bij te wonen onder leiding van een geestelijke. Eiser wil daarbij zijn geloof kunnen verspreiden vanuit de Tabligh. In Nederland neemt eiser deel aan religieuze bijeenkomsten, heeft hij meermaals opgeroepen tot gebed en heeft hij meegedaan aan het vasten tijdens de Ramadan. Ook heeft hij hier deel kunnen nemen aan Jalsa Salana, een jaarlijkse formele bijeenkomst voor Ahmadi. Een functie voor de Tabligh kan eiser in Nederland pas krijgen met een verblijfsstatus. In Pakistan heeft eiser bij terugkeer volgens zijn verklaring niet de religieuze vrijheid om dit (openlijk) te doen waardoor zijn leven daar doelloos wordt en hij zijn kinderen niet zonder angst kan opvoeden. Als eiser wordt gevraagd naar hoe hij uiting zou geven aan zijn geloof als er geen beperkingen in Pakistan zouden zijn, antwoordt eiser dat hij zijn geloof zou willen belijden als hij dat hier doet. Dan kunnen daar religieuze bijeenkomsten georganiseerd worden en dan kan hij religieuze literatuur lezen en het geloof verspreiden. De bijeenkomsten zijn niet meer mogelijk. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat eiser de geloofsactiviteiten die hij voor zijn vertrek uit Pakistan verrichte weer probleemloos kan hervatten bij terugkeer. Uit de hiervoor genoemde verklaringen van eiser blijkt echter dat hij zich in het verleden juist heeft onthouden van bepaalde religieuze handelingen en zich dus terughoudend heeft opgesteld. Ook volgt uit die verklaringen dat het voor hem van belang is deze geloofsuitingen na terugkeer wel te kunnen verrichten. Daar komt bij dat uit de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015, waar eiser ook naar heeft verwezen (zie noot 4), volgt dat uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor zijn vertrek uit Pakistan geen belemmeringen heeft ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, niet kan worden afgeleid dat hij ook bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waaruit volgt dat het voor eiser niet van bijzonder belang is zijn geloof te belijden op een wijze die hem zou blootstellen aan vervolging. Dit klemt te meer nu verweerder de informatie uit het rapport van de UK Home Office, die bij de zienswijze is aangehaald en waaruit volgt dat het voor Ahmadi’s gevaarlijk is om openlijk uiting te geven aan zijn of haar geloof, de situatie hieromtrent is verslechterd en de Tabligh volgens eiser een wezenlijk onderdeel is van zijn geloofsbelijdenis, niet kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. De stelling van verweerder ter zitting dat dit algemene informatie is en niet op eiser ziet, volstaat niet nu dit wel kan raken aan eisers verklaring dat het voor een Ahmadi gevaarlijk is om zijn geloof in zijn land van herkomst te belijden. Gelet hierop heeft verweerder het besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging wegens de wijze waarop hij bij terugkeer in Pakistan zijn geloof zou willen uitoefenen. 8.2. Het beroep is dan ook gegrond. De overige beroepsgronden van eiser behoeven op dit moment geen bespreking. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep NL25.29484, dat voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser, is niet-ontvankelijk. De rechtbank veroordeelt verweerder, gelet op wat is overwogen in rechtsoverweging 5.2, in de proceskosten tot een bedrag van € 453,50. 9.1. Het beroep NL25.29484, voor zover dat is gericht tegen het alsnog genomen besluit van 11 september 2025, is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb genomen. De rechtbank vernietigt daarom het besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal dus een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. 9.2. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld € 1.814,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1). Het beroep met zaaknummer NL25.45340 9.3. Nu de beroepsgronden van eiser tegen het besluit van 11 september 2025 al in de zaak met nummer NL25.29484 zijn behandeld, heeft eiser bij de behandeling van het beroep met zaaknummer NL25.45340 geen afzonderlijk belang meer. Om die reden verklaart de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk. 9.4. Verweerder hoeft hiervoor geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep met zaaknummer NL25.45340 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep met zaaknummer NL25.29484 voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag niet-ontvankelijk; verklaart het beroep met zaaknummer NL25.29484 voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit van 11 september 2025 gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 11 september 2025; draagt verweerder op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Volledig
Het beroep tegen het alsnog genomen besluit – NL25.29484 5. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eiser van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 11 september 2025. 5.1. Eiser heeft tegen dit besluit ook afzonderlijk beroep ingesteld (zaaknummer NL25.45340). De door eiser in die beroepszaak ingediende gronden merkt de rechtbank aan als een aanvulling op het bij de rechtbank al ingediende beroep tegen het niet-tijdig beslissen met zaaknummer NL25.29484. Herhaald en ingelast 6. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van de zienswijze kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van oordeel is dat het besluit onrechtmatig tot stand gekomen is dan wel gebreken bevat. Dit wordt dan ook niet aangemerkt als een beroepsgrond. De rechtbank zal zich in de behandeling beperken tot de gronden zoals deze in beroep zijn aangevoerd en toegelicht. Geloofsuitoefening bij terugkeer 7. Verweerder heeft in het voornemen en het besteden besluit eiser tegengeworpen dat de beperking in de uiting van zijn geloof bij terugkeer naar Pakistan, niet voldoende zwaarwegend is. Het enkele gegeven dat eiser zijn geloof in Pakistan niet hetzelfde kan uiten zoals hij dat in Nederland kan, is onvoldoende, zoals ook wordt beschreven in paragraaf C2/3.2.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Daarnaast heeft eiser in Haldabarad zijn geloof kunnen belijden in een Ahmadi-moskee en ziet verweerder niet in waarom eiser bij terugkeer zijn geloof niet op dezelfde manier kan belijden. Er is namelijk geen dermate groot verschil tussen de wijze dat eiser hier zijn geloof belijd en zoals eiser dat in Pakistan deed. Eiser heeft in Pakistan volgens verweerder dan ook wel degelijk op betekenisvolle wijze uiting aan zijn geloof kunnen geven. 8. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Daartoe is het volgende redengevend. 8.1. Uit het nader gehoor van eiser blijkt dat zijn geloof heel veel voor hem betekent. Hij verklaart vanaf zijn geboorte te zijn opgegroeid als Amhadi-moslim, maar vanwege de beperkingen die Amhadi worden opgelegd heeft hij nooit de religieuze opvoeding kunnen krijgen die daarbij hoorde. Dit werkt door in de religieuze opvoeding van zijn kinderen, die hij maar beperkt kan geven en waar hij zich schuldig over voelt. Bidden deed eiser in het geheim en als hij naar de moskee ging, ging hij tussen twee tijden bidden. Het tekenen van een verklaring dat hij niet gelooft in de profeet Mohammed was voor hem heel pijnlijk. Eiser wil zijn geloof vrij kunnen uiten en belijden, onder andere door (met zijn kinderen) dagelijks de koran te lezen, religieuze literatuur en islamitische boeken te lezen en wekelijkse of maandelijkse bijeenkomsten bij te wonen onder leiding van een geestelijke. Eiser wil daarbij zijn geloof kunnen verspreiden vanuit de Tabligh. In Nederland neemt eiser deel aan religieuze bijeenkomsten, heeft hij meermaals opgeroepen tot gebed en heeft hij meegedaan aan het vasten tijdens de Ramadan. Ook heeft hij hier deel kunnen nemen aan Jalsa Salana, een jaarlijkse formele bijeenkomst voor Ahmadi. Een functie voor de Tabligh kan eiser in Nederland pas krijgen met een verblijfsstatus. In Pakistan heeft eiser bij terugkeer volgens zijn verklaring niet de religieuze vrijheid om dit (openlijk) te doen waardoor zijn leven daar doelloos wordt en hij zijn kinderen niet zonder angst kan opvoeden. Als eiser wordt gevraagd naar hoe hij uiting zou geven aan zijn geloof als er geen beperkingen in Pakistan zouden zijn, antwoordt eiser dat hij zijn geloof zou willen belijden als hij dat hier doet. Dan kunnen daar religieuze bijeenkomsten georganiseerd worden en dan kan hij religieuze literatuur lezen en het geloof verspreiden. De bijeenkomsten zijn niet meer mogelijk. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat eiser de geloofsactiviteiten die hij voor zijn vertrek uit Pakistan verrichte weer probleemloos kan hervatten bij terugkeer. Uit de hiervoor genoemde verklaringen van eiser blijkt echter dat hij zich in het verleden juist heeft onthouden van bepaalde religieuze handelingen en zich dus terughoudend heeft opgesteld. Ook volgt uit die verklaringen dat het voor hem van belang is deze geloofsuitingen na terugkeer wel te kunnen verrichten. Daar komt bij dat uit de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015, waar eiser ook naar heeft verwezen (zie noot 4), volgt dat uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor zijn vertrek uit Pakistan geen belemmeringen heeft ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, niet kan worden afgeleid dat hij ook bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waaruit volgt dat het voor eiser niet van bijzonder belang is zijn geloof te belijden op een wijze die hem zou blootstellen aan vervolging. Dit klemt te meer nu verweerder de informatie uit het rapport van de UK Home Office, die bij de zienswijze is aangehaald en waaruit volgt dat het voor Ahmadi’s gevaarlijk is om openlijk uiting te geven aan zijn of haar geloof, de situatie hieromtrent is verslechterd en de Tabligh volgens eiser een wezenlijk onderdeel is van zijn geloofsbelijdenis, niet kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. De stelling van verweerder ter zitting dat dit algemene informatie is en niet op eiser ziet, volstaat niet nu dit wel kan raken aan eisers verklaring dat het voor een Ahmadi gevaarlijk is om zijn geloof in zijn land van herkomst te belijden. Gelet hierop heeft verweerder het besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging wegens de wijze waarop hij bij terugkeer in Pakistan zijn geloof zou willen uitoefenen. 8.2. Het beroep is dan ook gegrond. De overige beroepsgronden van eiser behoeven op dit moment geen bespreking. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep NL25.29484, dat voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser, is niet-ontvankelijk. De rechtbank veroordeelt verweerder, gelet op wat is overwogen in rechtsoverweging 5.2, in de proceskosten tot een bedrag van € 453,50. 9.1. Het beroep NL25.29484, voor zover dat is gericht tegen het alsnog genomen besluit van 11 september 2025, is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb genomen. De rechtbank vernietigt daarom het besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal dus een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. 9.2. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld € 1.814,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1). Het beroep met zaaknummer NL25.45340 9.3. Nu de beroepsgronden van eiser tegen het besluit van 11 september 2025 al in de zaak met nummer NL25.29484 zijn behandeld, heeft eiser bij de behandeling van het beroep met zaaknummer NL25.45340 geen afzonderlijk belang meer. Om die reden verklaart de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk. 9.4. Verweerder hoeft hiervoor geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep met zaaknummer NL25.45340 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep met zaaknummer NL25.29484 voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag niet-ontvankelijk; verklaart het beroep met zaaknummer NL25.29484 voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit van 11 september 2025 gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 11 september 2025; draagt verweerder op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.