Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:7968
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,486 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42309
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1994. Hij heeft op 7 september 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 oktober 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Parvez als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1994. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij deel uitmaakt van de ahmadiyya gemeenschap en hierdoor wordt gediscrimineerd. Eiser is mishandeld en sindsdien is hij aan één oor doof. Vervolgens heeft hij twee jaar ondergedoken gezeten en kwam hij alleen naar buiten in het donker totdat er genoeg geld was gespaard om Pakistan te ontvluchten. Bij terugkeer vreest eiser voor zijn leven vanwege zijn geloofsovertuiging en is hij bang dat hij zijn geloof niet in vrijheid kan uitoefenen.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende geloofwaardig geachte asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- het behoren tot de ahmadiyya geloofsgemeenschap en de gestelde problemen als gevolg hiervan.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en hij bij terugkeer naar Pakistan geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Hierbij heeft verweerder betrokken dat er geen ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden is. Ook zijn er geen zwaarwegende problemen na de mishandeling in de bus geweest. Verder heeft eiser ook niet inzichtelijk gemaakt dat hij zijn geloof niet kon uitoefenen en dat hij zijn geloof op een andere manier dan hij hiervoor heeft gedaan zou willen uitoefenen bij terugkeer naar Pakistan. Gelet op het bovenstaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn geloof.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Ten aanzien van het belijden van zijn geloof wijst eiser op de lijn van de Afdeling, ingezet in 2015, ten aanzien van de ahmadi’s. Verweerder stelt ten onrechte dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij zich niet terughoudend heeft opgesteld en dat hij enkel heeft benoemd dat hij meer vrijheid heeft in Nederland. Eiser heeft in het nader gehoor benoemd welke beperkingen er in Pakistan waren en waar hij last van had in Pakistan. Ook kan verweerder volgens eiser niet gevolgd worden in de stelling dat er niets is veranderd in de manier waarop eiser zijn geloof belijdt in Nederland. Het is onduidelijk waar verweerder dit op baseert. Ten tweede voert eiser aan dat ten onrechte in het nieuwe beleid minder bescherming wordt toegekend aan Pakistaanse ahmadi’s terwijl uit een nieuw ambtsbericht van 23 juli 2024 blijkt dat de situatie van ahmadi’s is verslechterd en dat zij het meest worden vervolgd van alle risicogroepen. Verweerder heeft dit ten onrechte niet verwerkt in het beleid. Het besluit kan dan ook geen stand houden. Ten derde, gelooft verweerder het hele relaas van eiser. Eiser is een ahmadi uit de Punjab, een provincie waar Tehreek-e-Labbaik het meest actief is. Eiser is eerder aangevallen vanwege zijn geloof. Hij is bekend bij zijn tegenstanders. Deze persoonlijke omstandigheden maken dat hij bij terugkeer risico loopt om slachtoffer te worden van geweld. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen verhoogd risico loopt op vervolging.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Pakistan niet te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn geloof omdat verweerder niet goed heeft onderzocht en beoordeeld op welke wijze eiser bij terugkeer naar Pakistan uiting wil geven aan zijn geloof. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
5.1.
Uit de uitspraak van Afdeling van 10 augustus 2015 volgt dat verweerder moet onderzoeken en beoordelen, of en zo ja hoe eiser na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn geloof. Bij deze beoordeling is van belang dat verweerder van eiser niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof in het land van herkomst.
5.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder gelet op de antwoorden van eiser op de gestelde vragen in het nader gehoor, ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij zijn geloof niet kon uitoefenen en hij zijn geloof op een andere manier dan hij hiervoor heeft gedaan zou willen uitoefenen in geval van terugkeer naar Pakistan. Aan eiser is immers enkel gevraagd of hij praktiserend gelovig is. Vervolgens heeft verweerder op hetzelfde moment aan eiser gevraagd of hij kan beschrijven hoe zijn geloof in het algemeen wordt beleden. Hierop heeft eiser verklaard “allereerst Salaat, het heet ook in Urdu Namaz. Ten tweede vasten in de maand van de ramadan. Werkzaamheden zoals schoonmaken en opruimen in de wijk. Mensen helpen. Bijvoorbeeld als er ergens een overstroming of aardbeving is.” Met deze vragen heeft verweerder eiser tijdens het nader gehoor niet in de gelegenheid gesteld om te verklaren over de manier waarop hij uitging geeft aan zijn geloof in Nederland en de wijze waarop hij zijn geloof bij terugkeer naar Pakistan wil gaan uiten.
Bovendien kan uit de verklaringen van eiser worden afgeleid dat hij zich in het verleden wegens de blasfemiewetgeving juist heeft onthouden van bepaalde religieuze handelingen en zich dus terughoudend heeft opgesteld. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij wegens de blasfemiewetgeving niet in alle openheid zijn geloof kan belijden, geen handelingen kan verrichten waaruit andere Pakistanen zouden kunnen afleiden dat hij zich als moslim manifesteert en niemand mag begroeten met het woord Salaam. Verweerder heeft niet kunnen verduidelijken uit welke verklaringen van eiser hij heeft afgeleid dat het voor de vreemdeling niet van bijzonder belang is zijn geloof te belijden op een wijze die hem, zoals hiervoor is overwogen, zou blootstellen aan vervolging. Dit klemt te meer nu uit het ambtsbericht van 23 juli 2024 blijkt dat het voor een ahmadi gevaarlijk is zich in Pakistan publiekelijk als zodanig te manifesteren en dat de situatie hieromtrent is verslechterd. Gelet hierop heeft verweerder het besluit onzorgvuldig voorbereid en heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging wegens de wijze waarop hij bij terugkeer in Pakistan zijn geloofsovertuiging zou willen uitoefenen.
5.3.
Het beroep is dan ook gegrond. De overige beroepsgronden van eiser behoeven op dit moment geen bespreking.
Conclusie
6. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigd het bestreden besluit omdat het in strijd is genomen met de artikelen 3:2 van de Awb en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;- draagt verweerder op om binnen 8 weken vanaf heden een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2015:2667.
Verslag nader gehoor, p. 9.
Hij verklaart dat hij niet mag vasten, geen koran mag lezen en deze niet in huis mag hebben en dat hij niet de geloofsbelijdenis mag uitspreken.
Zie ambtsbericht van 23 juli 2024, p. 67 en 68.