Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:26973
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,162 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:26973 text/xml public 2026-01-30T09:45:13 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-09-25 NL25.43296 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26973 text/html public 2026-01-30T09:44:42 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:26973 Rechtbank Den Haag , 25-09-2025 / NL25.43296 Bewaring. Artikel 6 Vw en 14 Schengengrenscode. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.43296 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Spapens), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. M. Smeulders). Procesverloop Bij besluit van 7 september 2025 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten. Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 15 september 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 17 september 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 19 september 2025 het onderzoek gesloten. Overwegingen Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering) De gemachtigde van eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de toegangsweigering. Ook anderszins ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toegangsweigering onrechtmatig is opgelegd. Het beroep wordt, voor zover gericht tegen bestreden besluit 1, ongegrond verklaard. Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel) Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Namens eiser is aangevoerd dat de maatregel onrechtmatig is, nu in het M19-formulier van 7 september 2025 geen motivering is aangekruist bij de zware en lichte gronden, zoals vereist volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 mei 2019. De rechtbank overweegt als volgt. Voor de toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw is uitsluitend vereist dat de toegang tot Nederland is geweigerd. Anders dan eisers gemachtigde stelt, zijn voor de vrijheidsontneming geen bewaringsgronden vereist. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019 maakt dit niet anders, nu die uitspraak ziet op bewaring op grond van artikel 59b van de Vw. Over beide beroepen Nu ook anderszins niet is gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig moet worden geoordeeld , is het beroep tegen bestreden besluit 1 en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. ECLI:NL:RVS:2019:1528. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647.