Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:22361
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,705 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54837
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 21 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (onrechtmatig verblijf) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het vooronderzoek gesloten op 16 november 2025.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 oktober 2025 (in de zaak NL25.46319) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 1 oktober 2025) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek
Voortvarend handelen
3. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 24 september 2025 de aanvraag van de laissez-passer (lp) naar de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA) van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft gestuurd en dat DIA deze op 26 september 2025 heeft ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Op 25 september 2025 is echter het paspoort van eiser aangetroffen en uit de voortgangsrapportage blijkt niet of de kopie van het paspoort mee is gestuurd (of indien dat later is gebeurd, op welke datum). Verweerder handelt onvoldoende voortvarend indien de kopie van het paspoort niet bij de lp-aanvraag is meegestuurd (of indien dit substantieel later is gebeurd). Verder voert eiser aan dat uit de voortgangsrapportage niet blijkt of en zo ja, op welke datum de lp-aanvraag door de Marokkaanse autoriteiten is ontvangen. Daarnaast is niet bekend of een presentatie in persoon zal plaatsvinden. Gelet op het voorgaande zijn de algemene schriftelijke rappels daarom onvoldoende.
3.1.
Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder in de te toetsen periode op 16 oktober 2025 en 6 november 2025 bij de Marokkaanse autoriteiten heeft gerappelleerd over de openstaande aanvraag voor de afgifte van een lp. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op 29 oktober 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Dat er een kopie van eisers paspoort in zijn telefoon stond waarop eiser zelf heeft gewezen, en dat uit de voortgangsrapportage niet volgt of deze met de lp-aanvraag is meegestuurd, maakt dit niet anders. Er is nog altijd een lp vereist, en eiser kan zelf ook in contact treden met de Marokkaanse autoriteiten om zijn terugkeer te bespoedigen als hij dat wil. Naar het oordeel van de rechtbank handelt verweerder voldoende voortvarend. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder op zaaksniveau had moeten rappelleren, voor zover eiser dat heeft bedoeld te betogen. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
4. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen kenbare belangenafweging heeft gemaakt. Er staat alleen een standaardconclusie in de voortgangsrapportage.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser nu bijna twee maanden in vreemdelingenbewaring zit. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Toch kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval echter niet gebleken. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in de voortgangsrapportage onder 10a., zo is haar bekend, een standaardzin is opgenomen over de verzwaarde belangenafweging voor het geval de termijn van zes maanden wordt overschreden en verweerder overweegt de maatregel van bewaring te laten voortduren. Deze is (vooralsnog) niet van toepassing op eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op 1 oktober 2025 op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.