Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:22358
Civiel recht
Bodemzaak
3,112 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/681538 / HA ZA 25-229
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
OMNI BRIDGEWAY S.A., te Genève (Zwitserland),
oorspronkelijk eiseres, gedaagde in verzet,
hierna te noemen: eiseres,
advocaat: mr. L.A. de Vries,
tegen
1 [naam] , te [woonplaats] (Oostenrijk),2. AMPALU INVESTMENT GMBH, te Wenen (Oostenrijk),
oorspronkelijk gedaagden, eisende partijen in verzet,
hierna samen te noemen: gedaagden en afzonderlijk ook [naam] en Ampalu,
advocaten: mr. W.A. Westenbroek en H.M.W. Hompesch.
1Samenvatting
1.1.
In deze procedure vordert eiseres veroordeling van gedaagden tot hetgeen waartoe zij al zijn veroordeeld bij twee vonnissen van een Amerikaanse rechtbank, op grond van artikel 431 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) en de Gazprombank-jurisprudentie.
1.2.
In het tussenvonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank aangekondigd dat zij prejudiciële vragen aan de Hoge Raad wil stellen; zij heeft partijen de gelegenheid gegeven om op dit voornemen en de voorgenomen vragen te reageren. Dit hebben partijen inmiddels gedaan. Daarnaast heeft eiseres de rechtbank op grond van nieuwe informatie verzocht terug te komen op het oordeel dat er in deze zaak geen enkele band met de Nederlandse rechtssfeer bestaat. Gedaagden hebben de rechtbank verzocht te beslissen op hun incidentele vorderingen tot zekerheidsstelling voor de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en schorsing van de executie van dat vonnis.
1.3.
In dit tussenvonnis komt de rechtbank tot het oordeel dat de incidentele vorderingen van gedaagden moeten worden afgewezen; aan het verzoek van eiseres gaat de rechtbank grotendeels voorbij. De rechtbank zal de Hoge Raad vragen of artikel 431 lid 2 Rv ook rechtsmacht creëert wanneer de zaak op het moment van dagvaarden geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtssfeer, en zo ja: of een eiser voldoende belang heeft bij de vordering als er geen concrete reden is om te verwachten dat in Nederland kan worden geëxecuteerd.
1.4.
De griffier zal de vragen aan de Hoge Raad sturen. Deze procedure wordt aangehouden tot de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen.
2De verdere procedure
2.1.
Na het tussenvonnis van 13 augustus 2025 zijn de volgende documenten aan het procesdossier toegevoegd:
- de akte met producties van eiseres, ingekomen op 15 oktober 2025;
- de akte met producties van gedaagden, ingekomen op 15 oktober 2025;
- de antwoordakte van eiseres, ingekomen op 5 november 2025;
- de antwoordakte van gedaagden, ingekomen op 5 november 2025.
2.2.
Ten slotte is de datum bepaald waarop dit vonnis wordt gewezen.
Beoordeling
3.1.
Gedaagden hebben er gelet op de procedurele ontwikkelingen belang bij dat de rechtbank de door hen opgeworpen incidenten nu beoordeelt.
3.2.
Gedaagden hebben gevorderd dat de rechtbank eiseres veroordeelt om zekerheid te stellen voor de eventuele tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, althans om de executie van het verstekvonnis te schorsen. Zij zijn zich ervan bewust dat de in het verstekvonnis uitgesproken veroordeling hangende het verzet in beginsel uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Gedaagden menen echter dat hun belangen bij behoud van de bestaande situatie tot op het verzet is beslist, zwaarder wegen dan het belang van eiseres bij het voldoen aan de veroordeling zonder dat zekerheid hoeft te worden gesteld. Gedaagden menen namelijk dat de feiten – gelet op rechtsoverweging 5.6 van het tussenvonnis – kennelijk anders zijn dan de feiten waarvan de rechtbank bij het wijzen van het verstekvonnis is uitgegaan.
3.3.
De rechtbank wijst de vordering tot zekerheidstelling af, omdat de in het partijdebat naar voren gekomen situatie niet zodanig anders ligt dat de belangenafweging anders uitvalt. Daarbij weegt mee dat eiseres een draagkrachtige professionele partij is, zodat niet aannemelijk is dat gedaagden een incassorisico lopen als eiseres uiteindelijk ongelijk zou krijgen.
3.4.
Evenmin kan worden gezegd dat eiseres zich door de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, waarin bij verstek de Amerikaanse vonnissen op grond van artikel 431 lid 2 Rv zijn erkend, schuldig zal maken aan misbruik van recht. Hoewel de rechtbank zelf een andere uitleg voorstaat, kan men op dit moment in redelijkheid van mening verschillen over de juiste uitleg van die bepaling – de in het tussenvonnis van 13 augustus 2025 genoemde bevindingen van het WODC en de Staatscommissie IPR illustreren dit. De kans van slagen van het verzet blijft ook buiten beschouwing bij de belangenafweging die de rechtbank hier moet maken.
3.5.
Het voorgaande maakt dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van misbruik van recht of een kennelijke misslag die tot schorsing van de executie zou moeten leiden. Ook de daartoe strekkende incidentele vordering wijst de rechtbank daarom af.
4De verdere beoordeling
Verzoek terug te komen op eerder oordeel
4.1.
Omni Bridgeway heeft bij akte van 15 oktober 2025 informatie in het geding gebracht waaruit volgens haar blijkt dat deze zaak wel aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer heeft: [naam] zou een bankrelatie hebben met een Nederlandse bank en banden hebben met een Nederlandse rechtspersoon. Ook heeft eiseres executoir beslag gelegd op een dure armband, die van [naam] zou zijn.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, het tijdstip waarop de procedure in eerste aanleg aanhangig is gemaakt beslissend is (het perpetuatio fori-beginsel). Latere wijzigingen van de feiten en omstandigheden brengen daarin geen verandering – behoudens uitzonderingen die zich hier niet voordoen.
4.3.
In deze zaak is de inleidende dagvaarding betekend op 30 augustus 2024; deze datum is dus beslissend voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Eiseres lijkt in haar betoog uit te gaan van de datum waarop de verzetdagvaarding is uitgebracht (10 februari 2025). Een verzetdagvaarding heropent echter slechts de procedure die met de inleidende dagvaarding aanhangig is gemaakt, zodat de met het verstekvonnis geëindigde instantie kan worden voortgezet.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat alle door eiseres aangevoerde omstandigheden – wat daar verder van zij – van te ver vóór of na 30 augustus 2024 stammen om daar ten tijde van de dagvaarding rechtsmacht aan te kunnen ontlenen. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.
4.4.1.
Ten aanzien van één van de bankrekeningen waarop eiseres ten laste van [naam] beslag heeft gelegd, stelt eiseres dat [naam] deze ‘tenminste sinds maart 2025 aanhoudt’. Dat [naam] deze rekening ook al op 30 augustus 2024 aanhield, heeft eiseres niet gesteld; het dossier bevat daarvoor ook geen aanwijzingen.
4.4.2.
Ten aanzien van de andere bankrekening stelt eiseres dat [naam] deze pas in de periode tussen 1 september en 15 oktober 2025 heeft geopend. Op het bestaan van deze nieuwe bankrelatie kon de rechtbank in 2024 ook geen rechtsmacht baseren.
4.4.3.
Het feit dat [naam] in de periode 2021-2022 aandelen had in een Engelse vennootschap met een Nederlandse B.V. als (mede-)aandeelhouder, en dat hij die vennootschap samen met die Nederlandse B.V. bestuurde, is onvoldoende om op 30 augustus 2024 rechtsmacht van de Nederlandse rechter op te baseren. Dat geldt ook voor het feit dat [naam] (een deel van) zijn aandelen in die Engelse vennootschap in de periode 2021-2022 aan of van die Nederlandse B.V. heeft ver-/gekocht. Deze feiten bieden zonder nadere toelichting namelijk onvoldoende grond voor de aanname dat [naam] op 30 augustus 2024 nog enige vordering op die Nederlandse B.V. had, waarop Omni Bridgeway zich zou kunnen verhalen.
4.4.4.
Het executoriale beslag op de armband is pas op 3 juli 2025 gelegd, vlak voor de aanvang van de mondelinge behandeling van het verzet. Ook als de armband van [naam] zou blijken te zijn – wat [naam] gemotiveerd heeft betwist – kan de rechtbank aan dit beslag dus geen rechtsmacht ontlenen.
Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad
4.5.
Partijen hebben zich uitgelaten over het voornemen om vragen te stellen en over de voorgenomen vragen.
Eiseres vindt dat de vragen onnodig zijn of moeten worden aangepast, omdat inmiddels duidelijk is dat gedaagden wel degelijk vermogensbestanddelen in en/of banden met Nederland hebben.
Gedaagden vinden dat de rechtbank zich zonder prejudiciële vragen te stellen onbevoegd kan verklaren, maar als zij toch vragen stelt, suggereren zij enkele wijzigingen die erop neerkomen dat de rechtbank de kanttekeningen die zij in het tussenvonnis van 13 augustus 2025 maakt ook expliciet in de vragen verwerkt.
4.6.
De rechtbank is om de in het tussenvonnis van 13 augustus 2025 genoemde redenen van oordeel dat antwoorden op de voorgenomen vragen nodig zijn om in deze zaak op de vordering te beslissen en daarnaast rechtstreeks van belang zijn voor de beslechting of beëindiging van vele andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen waarin dezelfde vragen zich voordoen (artikel 392 lid 1 sub b Rv).
4.7.
In het tussenvonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank overwogen dat geen van partijen de Nederlandse nationaliteit heeft, geen van partijen in Nederland is gevestigd en er tussen partijen geen andere procedures in Nederland aanhangig zijn. Partijen hebben ook in hun processtukken van na het tussenvonnis van 13 augustus 2015 niet weersproken dat dit de situatie was ten tijde van de inleidende dagvaarding.
Dictum
De rechtbank
5.1.
stelt de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen:
1. Creëert artikel 431 lid 2 Rv rechtsmacht voor de Nederlandse rechter als er op het moment dat de procedure in eerste aanleg aanhangig wordt gemaakt geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer bestaan – afgezien van de vordering tot veroordeling van gedaagden tot hetgeen waartoe zij bij buitenlands vonnis zijn veroordeeld?
2. Als het antwoord op de vorige vraag ja is, is dan sprake van een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW bij een vordering op grond van artikel 431 lid 2 Rv als het belang van de eisende partij gelegen is in de wens het buitenlandse vonnis alvast erkend te krijgen voor het geval dat zich in de toekomst een vermogensbestanddeel van gedaagden in Nederland zal bevinden waarop de eisende partij het vonnis dan ten uitvoer zou kunnen leggen?
5.2.
beveelt de griffier onverwijld een afschrift van dit vonnis aan de Hoge Raad te zenden, met daarbij het tussenvonnis van 13 augustus 2025.
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.
2565
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
HR 18 februari 2011, ECLI:HR:NL:2011:BO7116, r.o. 3.3.
Akte van eiseres van 15 oktober 2025, §2.1, randnr. 14.
Akte van eiseres van 5 november 2025, §2, randnr. 6.
Vgl. HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3741, r.o. 3.4.2; Parl. Gesch. Inv. 3, 5, en 6 BW (Wijz. Rv, RO, Fw), p. 341.
Akte van eiseres van 5 november 2025, §2, randnr. 10 en producties 28 en 29.
Of: iets waarop een gebod of verbod ten uitvoer kan worden gelegd; dit is in deze zaak echter niet aan de orde.