Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:19499
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,087 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:19499 text/xml public 2026-04-30T11:00:45 2025-10-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-04-17 NL25.2291 en NL25.2292 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:3472 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19499 text/html public 2025-10-24T13:23:24 2025-10-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:19499 Rechtbank Den Haag , 17-04-2025 / NL25.2291 en NL25.2292 Dublin Kroatië. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over de problemen die eiser heeft ondervonden in Kroatië voldoende bij haar beoordeling betrokken. Daarnaast mag verweerder nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan, ook ten aanzien van Dublinclaimanten. De persoonlijke ervaringen van eiser bieden geen grond voor het oordeel dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.2291 en NL25.2292 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1975, van Egyptische nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser), (gemachtigde: mr. A. Jhingoer) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1.1. Bij besluit van 16 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de overdracht aan Kroatië te verbieden totdat op het beroep is beslist. 1.3. De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) doet op grond van de artikelen 8:54 en 8:83 van de Awb uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Totstandkoming van het besluit 3. Op 12 augustus 2024 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland. Uit zijn paspoort blijkt dat Kroatië een visum aan hem heeft verleend voor de periode van 2 juli 2024 tot 25 augustus 2024. Het visum was dus nog geldig op het moment van eisers asielaanvraag in Nederland. Verweerder heeft daarom op 11 oktober 2024 de autoriteiten van Kroatië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening . Op 7 december 2024 zijn de autoriteiten van Kroatië hiermee akkoord gegaan. Standaardoverwegingen 4.1. Eiser voert allereerst aan dat verweerder zich bedient van standaardoverwegingen die geen reactie zijn op hetgeen hij in zijn gehoor heeft verklaard. De problemen die hij heeft ondervonden in Kroatië heeft verweerder daarom ten onrechte niet bij haar beoordeling betrokken. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met de artikelen 3:46 en 3:47 van de Awb waarin staat dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke kenbare motivering. Eiser verwijst hierbij ook naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 27 juni 2024 en 28 februari 2024 . 4.2. De rechtbank overweegt dat verweerder de verklaringen van eiser over de problemen die eiser heeft ondervonden in Kroatië voldoende bij haar beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft namelijk geoordeeld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen in Kroatië door zijn geaardheid niet weg nemen dat Kroatië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Dit geldt ook voor de verklaring van eiser dat zijn werkgever hem niet goed behandelde, de verklaring dat hij gestopt is met werken omdat zijn werkgever homoseksuelen niet wilde betalen en zijn verklaring dat homoseksuelen in Nederland meer rechten hebben dan in Kroatië. De beroepsgrond slaagt niet. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 5.1. Vervolgens voert eiser aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat de situatie voor statushouders in Kroatië minder gunstig is dan in Nederland en er daarom een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid bestaat tussen Kroatië en Nederland. Eiser stelt dat hij zich met zijn problemen niet kan wenden tot de Kroatische autoriteiten, omdat dat geen zin heeft. Ook zullen de autoriteiten hem geen bescherming bieden. In haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling namelijk geen rekening gehouden met het rapport van het CPS van 13 juni 2024, waarin staat dat er door vreemdelingen niet goed bescherming gezocht kan worden tegen geweld door de Kroatische autoriteiten zelf. Ten aanzien van dit punt kan verweerder daarom niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zou verweerder nader onderzoek moeten doen. Verder blijkt dat er moeilijk onderscheid kan worden gemaakt tussen Dublinclaimanten en overige asielzoekers. Eiser vreest dat hij dan geen opvang zal krijgen of zal worden teruggestuurd. Ten slotte voert eiser aan dat het overdrachtsbesluit niet opgelegd had mogen worden omdat het bestreden besluit onzorgvuldig en onrechtmatig tot stand is gekomen. 5.2. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Kroatië haar verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Kroatië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat hij daar een reëel risico zal lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM . 5.3. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling op 9 oktober 2024 heeft geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Dublinclaimanten nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, ook ten aanzien van Dublinclaimanten. De persoonlijke ervaringen van eiser bieden geen grond voor het oordeel dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië. Eiser heeft zijn verklaring met betrekking tot zijn homoseksualiteit en dat hij om die reden niet goed door de Kroatische autoriteiten is behandeld overigens met geen enkel stuk onderbouwd. Dat hij niet is uitbetaald door zijn werkgever staat bovendien los van het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat. Als eiser na overdracht vindt dat Kroatië haar verplichtingen niet nakomt, ligt het op de weg van eiser om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Verder is niet gebleken dat de Kroatische autoriteiten eiser niet zouden kunnen of willen helpen. 5.4. De Afdeling heeft, zoals eiser ook in zijn beroepsgronden stelt, de brieven van Vluchtelingenwerk, de brief van het CPS en het AIDA -rapport van juli 2024 betrokken bij haar oordeel. De rechtbank stelt vast dat eiser het rapport van het CPS van 13 juni 2024 niet heeft overgelegd. Dit rapport heeft de rechtbank zelf ook niet kunnen vinden. De rechtbank constateert dat de brief van Vluchtelingenwerk van 13 juni 2024 is en gaat er in deze zaak vanuit dat eiser de datum van de brief van Vluchtelingenwerk en de datum van het rapport van het CPS door elkaar heeft gehaald. De rechtbank overweegt dat de Afdeling het rapport van het CPS bij haar oordeel heeft betrokken en dus ook hetgeen daarin staat over de mogelijkheid tot het inroepen van bescherming tegen overheidsgeweld. De Afdeling heeft in dit rapport geen aanleiding gezien om tot het oordeel te komen dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:19499 text/xml public 2026-04-30T11:00:45 2025-10-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-04-17 NL25.2291 en NL25.2292 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:3472 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19499 text/html public 2025-10-24T13:23:24 2025-10-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:19499 Rechtbank Den Haag , 17-04-2025 / NL25.2291 en NL25.2292 Dublin Kroatië. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over de problemen die eiser heeft ondervonden in Kroatië voldoende bij haar beoordeling betrokken. Daarnaast mag verweerder nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan, ook ten aanzien van Dublinclaimanten. De persoonlijke ervaringen van eiser bieden geen grond voor het oordeel dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.2291 en NL25.2292 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1975, van Egyptische nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser), (gemachtigde: mr. A. Jhingoer) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1.1. Bij besluit van 16 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de overdracht aan Kroatië te verbieden totdat op het beroep is beslist. 1.3. De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) doet op grond van de artikelen 8:54 en 8:83 van de Awb uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Totstandkoming van het besluit 3. Op 12 augustus 2024 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland. Uit zijn paspoort blijkt dat Kroatië een visum aan hem heeft verleend voor de periode van 2 juli 2024 tot 25 augustus 2024. Het visum was dus nog geldig op het moment van eisers asielaanvraag in Nederland. Verweerder heeft daarom op 11 oktober 2024 de autoriteiten van Kroatië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening . Op 7 december 2024 zijn de autoriteiten van Kroatië hiermee akkoord gegaan. Standaardoverwegingen 4.1. Eiser voert allereerst aan dat verweerder zich bedient van standaardoverwegingen die geen reactie zijn op hetgeen hij in zijn gehoor heeft verklaard. De problemen die hij heeft ondervonden in Kroatië heeft verweerder daarom ten onrechte niet bij haar beoordeling betrokken. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met de artikelen 3:46 en 3:47 van de Awb waarin staat dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke kenbare motivering. Eiser verwijst hierbij ook naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 27 juni 2024 en 28 februari 2024 . 4.2. De rechtbank overweegt dat verweerder de verklaringen van eiser over de problemen die eiser heeft ondervonden in Kroatië voldoende bij haar beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft namelijk geoordeeld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen in Kroatië door zijn geaardheid niet weg nemen dat Kroatië verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Dit geldt ook voor de verklaring van eiser dat zijn werkgever hem niet goed behandelde, de verklaring dat hij gestopt is met werken omdat zijn werkgever homoseksuelen niet wilde betalen en zijn verklaring dat homoseksuelen in Nederland meer rechten hebben dan in Kroatië. De beroepsgrond slaagt niet. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 5.1. Vervolgens voert eiser aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat de situatie voor statushouders in Kroatië minder gunstig is dan in Nederland en er daarom een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid bestaat tussen Kroatië en Nederland. Eiser stelt dat hij zich met zijn problemen niet kan wenden tot de Kroatische autoriteiten, omdat dat geen zin heeft. Ook zullen de autoriteiten hem geen bescherming bieden. In haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling namelijk geen rekening gehouden met het rapport van het CPS van 13 juni 2024, waarin staat dat er door vreemdelingen niet goed bescherming gezocht kan worden tegen geweld door de Kroatische autoriteiten zelf. Ten aanzien van dit punt kan verweerder daarom niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zou verweerder nader onderzoek moeten doen. Verder blijkt dat er moeilijk onderscheid kan worden gemaakt tussen Dublinclaimanten en overige asielzoekers. Eiser vreest dat hij dan geen opvang zal krijgen of zal worden teruggestuurd. Ten slotte voert eiser aan dat het overdrachtsbesluit niet opgelegd had mogen worden omdat het bestreden besluit onzorgvuldig en onrechtmatig tot stand is gekomen. 5.2. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Kroatië haar verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Kroatië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat hij daar een reëel risico zal lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM . 5.3. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling op 9 oktober 2024 heeft geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Dublinclaimanten nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, ook ten aanzien van Dublinclaimanten. De persoonlijke ervaringen van eiser bieden geen grond voor het oordeel dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië. Eiser heeft zijn verklaring met betrekking tot zijn homoseksualiteit en dat hij om die reden niet goed door de Kroatische autoriteiten is behandeld overigens met geen enkel stuk onderbouwd. Dat hij niet is uitbetaald door zijn werkgever staat bovendien los van het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat. Als eiser na overdracht vindt dat Kroatië haar verplichtingen niet nakomt, ligt het op de weg van eiser om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Verder is niet gebleken dat de Kroatische autoriteiten eiser niet zouden kunnen of willen helpen. 5.4. De Afdeling heeft, zoals eiser ook in zijn beroepsgronden stelt, de brieven van Vluchtelingenwerk, de brief van het CPS en het AIDA -rapport van juli 2024 betrokken bij haar oordeel. De rechtbank stelt vast dat eiser het rapport van het CPS van 13 juni 2024 niet heeft overgelegd. Dit rapport heeft de rechtbank zelf ook niet kunnen vinden. De rechtbank constateert dat de brief van Vluchtelingenwerk van 13 juni 2024 is en gaat er in deze zaak vanuit dat eiser de datum van de brief van Vluchtelingenwerk en de datum van het rapport van het CPS door elkaar heeft gehaald. De rechtbank overweegt dat de Afdeling het rapport van het CPS bij haar oordeel heeft betrokken en dus ook hetgeen daarin staat over de mogelijkheid tot het inroepen van bescherming tegen overheidsgeweld. De Afdeling heeft in dit rapport geen aanleiding gezien om tot het oordeel te komen dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.