Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:19532
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,494 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39271
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 29 april 2024 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor deze aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 11 april 2024 in Kroatië om internationale bescherming heeft verzocht. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 19 juni 2024 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit, en voert daartoe het volgende aan. Op de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 kan veel worden afgedongen, met
name daar waar het gaat over toegang tot opvangvoorzieningen. Hij wijst op statistische gegevens verzameld door AIDA en ECRE over het aantal (ingewilligde) asielaanvragen in Kroatië in 2023. Het asielsysteem in Kroatië lijkt erop gericht te zijn om asielzoekers te ontmoedigen hun asielaanvraag in Kroatië door te zetten. Dit moet gezien worden als een structurele tekortkoming in de asielprocedure, waardoor niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing heeft eiser een uitspraak overgelegd van het Verwaltungsgericht Braunschweig van 8 mei 2023, waaruit volgt dat de lijn van de Afdeling niet wordt gedeeld in andere lidstaten. De Duitse rechtbank heeft hierbij geoordeeld dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van pushbacks,
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Wel in geschil is de vraag of ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 volgt dat verweerder ten aanzien van Kroatië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling heeft dit oordeel nogmaals bevestigd bij uitspraak van 5 november 2024. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraken. De cijfers waar eiser zich op beroept zijn opgenomen in het AIDA-rapport van 10 juli 2024, en daardoor reeds betrokken bij het oordeel van de Afdeling. De Afdeling heeft daarbij geoordeeld dat niet kan worden gesproken van structurele tekortkomingen in de Kroatische asielprocedure. Dublinclaimanten hebben nog altijd toegang tot de asielprocedure en opvang in Kroatië. Hoewel er periodes zijn geweest van overbezetting in de Kroatische opvangcentra, zijn er geen structurele tekortkomingen. Zelfs in tijden van grote druk op de Kroatische opvangcentra werd nog altijd voorzien in essentiële levensbehoeften als voeding, sanitaire voorzieningen en basale medische zorg. Ook volgt uit het AIDA-rapport van 10 juli 2024 dat er in beginsel geen obstakels voor Dublinclaimanten zijn om toegang tot de Kroatische asielprocedure te krijgen na overdracht.
6. Daarnaast is het oordeel van het Verwaltungsgericht Braunschweig van 8 mei 2023 ook al meegenomen in de Afdelingsuitspraak van 9 oktober 2024. Deze uitspraak is immers opgenomen in het AIDA-rapport. Er is weliswaar niet expliciet ingegaan op wat de Duitse rechter heeft geoordeeld, maar uit rechtsoverweging 5.5. van de Afdelingsuitspraak volgt dat geen gedocumenteerde gevallen bekend zijn van Dublinclaimanten die slachtoffer zijn geworden van pushbacks. De theoretische mogelijkheid dat deze situatie zich voordoet, is onvoldoende om te spreken van een reëel risico op ernstige schade.
7. Verweerder heeft gelet op het voorgaande eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 25 november 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:4037.
ECLI:NL:RVS:2024:4443.
Zie pagina 7 en verder.
Zie pagina 53.