Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:19010
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,463 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/1423 en AWB 25/1424
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , verzoekster,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart)
en
de minister van Asiel en Migratie
, de minister
(gemachtigde mr. B.W. Zagers).
Procesverloop
1. Verzoekster heeft op 23 maart 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘uitoefenen privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM’.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag afgewezen met het besluit van 5 juni 2023.
1.2.
Met het besluit van 24 december 2024 heeft de minister het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 5 juni 2023 ongegrond verklaard.
1.3.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd om niet te worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
1.5.
Bij besluit van 15 juli 2025 heeft de minister verzoekster uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) verleend, evenals een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ en een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
1.6.
Verzoekster heeft vervolgens op 24 juli 2025 haar beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
1.7.
Bij brief van 7 augustus 2025 heeft de minister gereageerd op het verzoek.
Beoordeling
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
2.1.
Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dat is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2.2.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan een, binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit, ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een tegemoetkomen door de minister zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank legt dit hierna uit. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten dan ook af.
4. De rechtbank overweegt hierbij dat de minister het besluit niet heeft herzien dan wel ingetrokken. Nu verzoekster uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw is verleend, als ook een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ en een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, heeft verzoekster het beroep gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘uitoefenen privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ ingetrokken. Nu niet is gebleken dat de minister is tegemoetgekomen aan verzoekster en evenmin de onrechtmatigheid van de afwijzing is komen vast te staan, bestaat er geen aanleiding om de minister te veroordelen tot de vergoeding van de proceskosten.
5. Voor zover verzoekster verwijst naar het op 12 augustus 2024 ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek grondslag ontbeert nu deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, bij uitspraak van 29 oktober 2024 op dit beroep heeft beslist, het beroep gegrond heeft verklaard en de minister heeft veroordeeld in de proceskosten.
6. De rechtbank wijst het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskomsten af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2025 door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
AWB 25/1423.
AWB 25/1424.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816 en 28 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:180.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:1487.
ECLI:NL:RBDHA:2024:17609.