Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2021:16280
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,232 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/8696
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2021 in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken met ingang van 28 februari 2018 en is aan verzoeker een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaren
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 12 februari 2021 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft zich bij brief van 22 februari 2021 op het standpunt gesteld hij niet gehouden is om de proceskosten te betalen.
Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak op de stukken af te doen. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder met het besluit van 12 februari 2021 tegemoet is gekomen aan het bezwaarschrift van verzoeker en als gevolg daarvan gehouden is om de proceskosten te vergoeden.
3. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake is, indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het primaire besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het verzoekschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel nadien verkregen informatie die buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallen, houdt geen tegemoetkomen in en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling.
4. De voorzieningenrechter oordeelt dat in dit geval geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Immers, uit het besluit van 12 februari 2021 blijkt dat het bezwaar gegrond is verklaard op grond van informatie die tijdens de bezwaarfase naar voren is gekomen, namelijk naar aanleiding van de informatie neergelegd in de mail van reclassering van 25 september 2020. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in dat kader een beroep doet op de stukken die in bezwaar zijn overgelegd en die buiten de onderzoekslast van verweerder in de aanvraagfase vielen. De voorzieningenrechter onderschrijft dat standpunt.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot veroordeling in de proceskosten daarom af.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijv. uitspraken van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816 en 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487