Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:18700
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,364 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8106
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.M. Lammers),
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda,
(gemachtigde: mr. A.J.M.M. Scholtes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (derde-partij).
Procesverloop
1. In de tussenuitspraak van 20 juni 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen vijf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.1.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
1.2.
Eiseres heeft in reactie hierop schriftelijk haar zienswijze naar voren gebracht.
1.3.
Derde-partij heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid haar zienswijze naar voren te brengen.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
De tussenuitspraak
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
3. Voor de relevante feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de tussenuitspraak volstaat de rechtbank op deze plaats met een verwijzing naar de tussenuitspraak.
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen: “(…) dat het college bij de opheffing van de bouwstop aan derde-partij heeft opgedragen de constructieve betonvloer met betonreparatiemortel te herstellen. Vast staat dat dit nodig is om de constructieve integriteit van de betonvloer te waarborgen. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Het college heeft ter zitting verklaard dat geen controle heeft plaatsgevonden om te controleren of de betonvloer op de juiste manier is hersteld. De rechtbank vindt dat het college gelet hierop onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vloer aan zijn constructieve integriteit voldoet.”
De herstelpoging
5. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een nadere motivering overgelegd. Daarin staat samengevat het volgende. Het college heeft in het besluit van 28 mei 2021 tot het intrekken van de bouwstop derde-partij opgedragen om de constructieve betonvloer te herstellen met betonreparatiemortel. Volgens de toezichthouder en constructeur is aannemelijk dat reparatiemortel ook daadwerkelijk is toegepast omdat dit de standaard bouwmethodiek is bij herstel van een constructieve betonvloer. Het herstel is bovendien uitgevoerd door een gerenommeerd bouwbedrijf dat deze reparaties vaker uitvoert. Van het verrichten van destructief onderzoek is afgezien omdat dit kostbaar is en daarmee niet duidelijk wordt welk soort mortel exact is toegepast en omdat de vloer daardoor alsnog kan worden beschadigd. Het college acht aannemelijk dat de vloer op juiste wijze is gerepareerd en stabiel is. De reactie van eiseres
6. In reactie op de herstelpoging stelt eiseres zich op het standpunt dat de aanvullende motivering ontoereikend is. Daartoe voert zij samengevat aan dat onduidelijk blijft of de constructieve betonvloer daadwerkelijk met een betonreparatiemortel is hersteld en, zo ja, of mortel met de juiste samenstelling is gebruikt. Het is daarom niet duidelijk of aan de normen van het Bouwbesluit is voldaan. Het is aan de overtreder om dit aan te tonen. De stelling van het college dat aannemelijk is dat de juiste soort mortel is gebruikt omdat dit een standaard werkwijze is en het bouwbedrijf gerenommeerd is, is geen deugdelijke motivering. De kosten en het behoud van de integriteit van de betonvloer zijn geen redenen om van destructief onderzoek af te zien. De kosten zijn niet onderbouwd en volgens de deskundige ing. [naam] tast onderzoek door een cilinder van 100 mm uit de vloer te boren en die vervolgens in een laboratorium te testen, de constructieve integriteit van de betonvloer niet aan. Dat is niet uitzonderlijk ingewikkeld of kostbaar en kan volledig uitsluitsel geven. Het is onzorgvuldig dat het college dit niet heeft gedaan, aldus eiseres. Het oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
7.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is de toets aan het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) die het college moet uitvoeren een aannemelijkheidstoets. Het college komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit. De toetsing die de rechtbank moet verrichten, is daarom terughoudend.
7.2.
Het college heeft derde-partij in het besluit van 28 april 2021 opdracht gegeven de constructieve betonvloer met een betonreparatiemortel te herstellen. Dat het gebruik van betonreparatiemortel in de bouwwereld een standaard werkwijze is voor het opvullen van sleuven in een constructieve vloer, is door eiseres niet betwist. Dat geldt ook voor de stelling dat het bedrijf dat hieraan uitvoering heeft gegeven, een gerenommeerd bedrijf is dat ervaring heeft in het herstellen van constructieve betonvloeren. De rechtbank overweegt dat het college er in redelijkheid vanuit mag gaan dat dit bedrijf de betonvloer op juiste manier en in overeenstemming met de opdracht heeft hersteld. Voor de opvatting dat in dit geval zou zijn afgeweken van de standaard werkwijze voor het herstel van de betonvloer, als gevolg waarvan de constructieve integriteit van de betonvloer in gevaar is gekomen, bestaat geen concreet aanknopingspunt.
7.3.
Het college heeft dan ook in redelijkheid aannemelijk kunnen achten dat de vloer op juiste wijze is hersteld en heeft daarom ook kunnen afzien van het verrichten van destructief onderzoek, mede gelet op de schade en de kosten die dat meebrengt.
Conclusie
8. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Nu het college met de aanvullende motivering in reactie op de tussenuitspraak het motiveringsgebrek heeft hersteld, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 184,- vergoeden.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 907,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. Van andere kosten die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen, is de rechtbank niet gebleken. Toegekend wordt € 2.267,50.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 8:51a, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 8:57, derde lid, van de Awb.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3598.