Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-08-19
ECLI:NL:RBROT:2025:10610
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
3,737 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/5821
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit Rotterdam, verzoekers
(gemachtigde: mr. S.K. Reijke),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam bedrijf] uit Luxemburg (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. D. op den Hoek).
Samenvatting
1. Dit proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verlening van een omgevingsvergunning door het college aan vergunninghoudster voor het verbouwen van het bestaande pand aan [adres 1] en [adres 2] tot zeven woningen inclusief het uitvoeren van funderingsherstel. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en vrezen dat de funderingsherstelwerkzaamheden tot schade aan hun woning zal leiden. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft in de mondelinge uitspraak het verzoek afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Het college heeft met het primaire besluit van 14 augustus 2023 de hiervoor genoemde omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 2 juli 2024 op de bezwaren van verzoekers is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. drs. J.M. Lammers als waarnemer van de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college vergezeld door [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] en de gemachtigde van vergunninghoudster vergezeld door [naam 5] (assetmanager).
2.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 januari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Totstandkoming van het besluit
4. Vergunninghoudster wil met het bouwplan in het bestaande hoekpand zeven woningen realiseren. Het bestaande pand bestaat uit vier bouwlagen met op de begane grond een gezamenlijke ruimte en op de verdiepingen woningen die verdeeld zijn in totaal 15 kamers voor kamerverhuur. Met het bouwplan komen er vijf bouwlagen, met op de begane grond een gezamenlijke ruimte en fietsenstalling en op de eerste, tweede en derde verdiepingen ieder twee woningen en op de vierde verdieping één woning met aan de westgevel een dakterras en aan de oostgevel een gemeenschappelijk dakterras. Vergunninghoudster voert voorafgaand aan de werkzaamheden aan het pand funderingsherstel uit. Zij heeft in een schriftelijke reactie toegezegd dat de overige werkzaamheden aan het pand pas plaatsvinden nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.
4.1.
Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “bouwen”, “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” en “slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht”. Het verzoek richt zich (alleen) op de herstelwerkzaamheden aan de fundering omdat op zitting nog eens is bevestigd dat de overige bouwwerkzaamheden niet zullen worden uitgevoerd voordat de vergunning onherroepelijk is. Tussen partijen staat vast dat het funderingsherstel enkel ziet op de activiteit “bouwen”. De voorzieningenrechter heeft daarom zijn oordeel hiertoe beperkt. Niet in geschil is dat in zoverre een spoedeisend belang bestaat bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning.
Funderingsherstel
5. Verzoekers betogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan voor zover het ziet op het funderingsherstel voldoet aan het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit). Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen zij naar het advies van Adviseurs in bouwtechniek (abt) van 7 februari 2023. Er is volgens verzoekers sprake van een gemeenschappelijke draagmuur. Zij hebben echter geen toestemming gegeven voor de werkzaamheden aan en rond de gemeenschappelijke draagmuur. Zij vrezen voor schade aan hun woning als de werkzaamheden aan de fundering worden voortgezet.
5.1.
Van belang is dat de toets aan het Bouwbesluit die het college moet uitvoeren een aannemelijkheidstoets is. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo moet het college namelijk beoordelen of aannemelijk is dat de aanvraag voldoet aan het Bouwbesluit. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3598, komt het college bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat niet al op dat moment hoeft vast te staan dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan.
5.2.
Onder 4.1 is reeds vastgesteld dat het funderingsherstel enkel ziet op de activiteit “bouwen” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Als het college een aanvraag voor een dergelijk project ontvangt, moet het college het bouwplan toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Bij die toetsing geldt een zogenoemd limitatief-imperatief stelsel. Dit betekent dat het college moet beoordelen of zich één of meer van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen. Als dat niet het geval is, moet de omgevingsvergunning worden verleend; als dat wel zo is, moet de gevraagde vergunning worden geweigerd. Het college heeft daarbij dus geen ruimte meer om een belangenafweging te maken. Het bestaan van een privaatrechtelijke belemmering speelt alleen een rol bij een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Dat is in dit geval echter niet aan de orde, omdat het bouwplan voor zover dat ziet op het funderingsherstel niet in strijd is met het bestemmingsplan. Dit brengt met zich dat het betoog van verzoekers dat zij geen toestemming hebben gegeven voor de werkzaamheden aan de gemeenschappelijke draagmuur, niet van belang is voor het oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure.
5.3.
In het advies van abt van 7 februari 2023, dat verzoekers aan hun betoog ten grondslag hebben gelegd, worden de volgende punten door de deskundige geconstateerd. De muur is een draagmuur voor beide woningen. Er worden inkassingen gemaakt over de hele dikte van de muur, dus tot in de woning van verzoekers. Er wordt een compleet nieuwe fundering gemaakt voor deze draagmuur. De belasting wordt overgenomen door nieuwe palen onder de nieuwe funderingsvloer. Dit gaat gepaard met risico’s op zettingen (en dus schade in de woning van verzoekers). In de berekening van de nieuwe fundering onder deze muur wordt maar beperkt rekening gehouden met de belasting van de woning van verzoekers. De belastingaanname van de woning van verzoekers is niet duidelijk traceerbaar in de berekening. Er is alleen te zien dat er gerekend is met een vloerveld van 5,9 m over beide woningen samen met een houten balklaag, dus alleen een lichte vloer. Dit beperkt verzoekers in eventuele latere verbouwingen of toevoegingen. Over de paalfundering wordt geconstateerd dat deze tot NAP -23,50 m worden ingeschroefd. Dat is zes meter in het vaste zand. Abt vraagt zich af wat de invloed hiervan is op de naastgelegen bestaande palen en of er sprake kan zijn van grondontspanning tijden het inbrengen met zettingen van de bestaande houten palen tot gevolg. Verder merkt het ten aanzien van de berekeningen van de betonplaat voor het funderingsherstel op dat de berekening van de paalreacties de krachten in de betonnen funderingsplaat niet traceerbaar is. Ook lijkt er in de gewichtsberekening geen rekening gehouden te zijn met alle nieuwe kamerscheidende wanden die in de woningplattegronden zijn opgenomen.
5.4.
In Hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit zijn bepalingen opgenomen die er op zijn gericht om te voorkomen dat de uitvoering van een bouwplan schade veroorzaakt aan naastgelegen panden. In dit hoofdstuk staan eisen waaraan bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden moet worden voldaan. Uit de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit (Stb. 2011, 416) volgt dat schade in de uitvoeringsfase niet altijd kan worden voorkomen, maar dat wel maatregelen moeten worden getroffen om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Het college moet bij de toets aan het Bouwbesluit dus uitsluitend beoordelen of het aannemelijk is dat tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoende maatregelen zullen worden getroffen om schade door de bouwwerkzaamheden aan de omliggende panden te voorkomen.
5.5.
Het college heeft zich met betrekking tot de vraag of het bouwplan aannemelijk maakt dat voldaan is aan het Bouwbesluit, gebaseerd op het bij de aanvraag overgelegde rapport van Bouwkundig Adviesburo Baas B.V. van 6 maart 2023 (funderingsrapport). Op zitting heeft de bouwkundig ingenieur die werkzaam is bij de gemeente Rotterdam gereageerd op het abt advies van verzoekers, waarbij hij eveneens heeft verwezen naar het funderingsrapport.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat vergunninghoudster door kan gaan met de werkzaamheden die zien op het funderingsherstel. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2025 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…].
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
[…].
Bouwbesluit 2012
Artikel 8.1.
De uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden is zodanig dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling.
Artikel 8.2. Veiligheid in de omgeving
1. Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van:
a. letsel van personen op een aangrenzend perceel of een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen;
b. letsel van personen die het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden, en
c. beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen.
2. Bij bouw- en sloopplaatsen van een te bouwen of te slopen gebouw wordt een veiligheidsafstand vrijgehouden bepaald volgens paragraaf 6.2 van de Landelijke richtlijn Bouw- en sloopveiligheid, versie 1.2 augustus 2018.
Artikel 8.4. Trillingshinder
Trillingen veroorzaakt door het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden bedragen in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en in verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, van het Besluit geluidhinder niet meer dan de trillingsterkte, genoemd in tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» 2006.
Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van de trillingsterkte, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en h, van de Wabo.