Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:18636
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,432 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24231
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
[V-Nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Lamnadi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser voert aan dat in de aanloopfase naar deze bewaringsmaatregel zijn recht op verdediging door bijstand door een advocaat is geschonden. Hij is namelijk niet ingelicht over het feit dat er binnen twee uren na uitmelding aan de piketcentrale een piketadvocaat aanwezig kon zijn en dat hij ook kon wachten tot die er was om het gehoor aan te vangen. Dit gebrek is volgens eiser dusdanig ernstig, dat de belangenafweging in zijn voordeel
dient uit te vallen.
2. Eiser is op 26 mei 2025 om 16.18 uur opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw om gehoord te worden. Om 17.21 uur is aangevangen met het gehoor zonder de aanwezigheid van een advocaat en vervolgens is eiser om 18.42 uur in bewaring gesteld.
3. In het proces-verbaal van gehoor (het M110-formulier) staat over rechtsbijstand door een advocaat het volgende opgeschreven:
V: U bent bij de vreemdelingenpolitie, omdat u zich onrechtmatig in Nederland bevindt. Ik wil u horen omtrent het voornemen u in bewaring te stellen ter fine uitzetting. U heeft recht op een advocaat. U heeft geen eigen advocaat. Daarom heb ik een advocaat voor u ingelicht via de piketcentrale. Vindt u het goed dat wij dit gehoor nu aanvangen en dat uw advocaat u op een later tijdstip komt bezoeken?
A: Ik heb geen advocaat nodig. Zij kunnen mij niet uitzetten. Ik kan niet naar Marokko. Ik zie Nederland als mijn moeder die mij eten geeft. Ik kan daar niet terecht.
4. Hoewel uit dit proces-verbaal volgt dat eiser aan het begin van het gehoor heeft aangegeven dat hij geen raadsman bij het gehoor wilde, heeft verweerder nagelaten aan eiser mee te delen dat hij het recht had om twee uur te wachten op de aanwezigheid van een piketadvocaat alvorens hij gehoord zou worden. Dat is een schending van zijn recht op toevoeging van een raadsman bij vrijheidsontneming op grond van artikel 100, eerste lid, van de Vw.
5. Het schenden van het recht op rechtsbijstand is een ernstig gebrek. Gelet op de aard van de maatregel en omdat niet is gebleken van zeer zwaarwegende belangen aan de zijde van verweerder die aanleiding kunnen geven om aan dat gebrek voorbij te gaan, valt de belangenafweging in het voordeel van eiser uit. Dit betekent dat de inbewaringstelling van eiser van aanvang af onrechtmatig is.
De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 13 oktober 2021.
6. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.
7. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 11 juni 2025.
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 17 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 130,-- (verblijf politiecel) en 16 x € 100,-- (verblijf detentiecentrum) = € 1.730,--.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 11 juni 2025;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.730,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2021:2300